Terug naar buchenwald, op een mooie zondag

Dit is een verkorte versie van het dankwoord dat Jorge Semprun uitsprak na de uitreiking van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, op 9 oktober in de Paulskirche te Frankfurt. Vertaling: Tinke Davids
Niet alleen Duitsland, heel Europa moet de confrontatie aangaan met het totalitaire beest in de eigen geschiedenis. De toekomst van een democratisch Europa hangt ervan af. Jorge Semprun, winnaar van de Vredesprijs van de Duitse boekhandel, over taal, vaderland en vrijheid.

HET WAS INDERDAAD een zondag, een mooie zondag in maart. Grijze wolkenflarden dreven zacht door een hemel die het voorjaar aankondigde. En als altijd de wind over de Ettersberg: de wind van het verleden en de eeuwigheid, over Goethes heuvels. Maar het was maart 1992, en uit het crematorium van Buchenwald steeg geen rook meer op naar deze vale hemel, boven dit boslandschap met beuken en eiken.
De vogels waren terug. Dat was het eerste dat ik opmerkte toen ik de lege, dramatische ruimte van het appelterrein betrad. Nachtegalen en merels, alle zangvogels waren met hun chaotisch tierelieren, kwinkeleren en kwetteren teruggekeerd naar de eeuwenoude bomen in Goethes woud, waaruit ze decennia daarvoor waren verdreven door de misselijk makende rook van het crematorium. Een bonte troep vogels ontving me op die zondag in maart 1992, de dag van mijn eerste terugkeer naar Buchenwald.
EEN PAAR WEKEN DAARVOOR was ik opgebeld door Peter Merseburger uit Berlijn. Hij was bezig met de voorbereidingen voor een tv-uitzending over Weimar, de cultuurstad en de stad van het concentratiekamp, en hij stelde mij voor een van de geinterviewde getuigen te zijn. Ik wees dat, bijna zonder nadenken, meteen van de hand. Sinds die dag in april 1945 dat het kamp door de Amerikanen, Pattons Derde Leger, was bevrijd, had ik nooit daarheen willen terugkeren.
Die nacht droomde ik echter weer van Buchenwald. Het was niet de gebruikelijke droom, of liever nachtmerrie, die me in de loop van lange jaren van herinnering zo vaak had opgeschrikt. Ik hoorde niet eens via luidsprekers de nachtelijke, hese en geergerde stem van de SS-Sturmfuhrer op de wachttoren. Die stem die in nachten dat de jachtbommenwerpers van de geallieerden doordrongen tot het ijzige hart van Duitsland, meedeelde dat er luchtalarm was en bevel gaf het crematorium te doven, opdat de Anglo- Amerikaanse piloten zich niet konden orienteren op de hoge, koperrode vlammen. ‘Krematorium, ausmachen!’
Bevend als steeds, vol angst als steeds viel ik die nacht in de droom over Buchenwald. Maar het was niet de gebruikelijke droom. Het was geen angstdroom. Ik hoorde niet de stem van de SS-onderofficier van de wacht die bevel gaf het crematorium te doven. Ik hoorde een beeldschone vrouwenstem. Die herkende ik meteen: het was de stem van Zarah Leander. 'Schon war die Zeit, da wir uns so geliebt…’
Een liefdesliedje, want Zarah Leander zong altijd liefdesliedjes via de luidsprekers van Buchenwald. Het was goed te merken dat de SS-onderofficieren graag naar liefdesliedjes luisterden, met name als ze werden gezongen door die diepe, welluidende stem van Zarah Leander.
Uit die droom ontwaakte ik met de rustige overtuiging dat ik het voorstel van Peter Merseburger toch moest aannemen. Enerzijds was het perspectief radicaal veranderd door de democratische hereniging van Duitsland: mijn voorbehoud was vervallen. Aan de andere kant, en dat was het belangrijkste, zou ik het nieuwe boek, L'ecriture ou la vie (Schrijven of leven), waaraan ik werkte, niet kunnen afsluiten als ik niet nog een keer de reis naar Buchenwald zou maken.
IK HAD EEN PAAR boeken uitgezocht die me op deze reis moesten begeleiden. Ik wist dat ik geen tijd zou hebben om ze te herlezen, maar ik had ze nodig aan mijn zijde. Ik moest ze kunnen doorbladeren, bij de hand hebben, zij moesten mijn reisgenoten zijn. Het eerste was een Franse vertaling van Lotte in Weimar van Thomas Mann. Dat was het eerste boek dat ik na mijn terugkeer uit het kamp in Parijs had gekocht - het was toen net verschenen. Sindsdien is het een van mijn lievelingsboeken. Bovendien wist ik dat ik in hotel Elephant zou logeren, een historische plek en het toneel van verscheidene romans, te beginnen met deze van Thomas Mann. En een schrijver heeft altijd belangstelling voor plaatsen waar zich literatuur heeft afgespeeld.
Er waren ook andere, diepere redenen.
Hier op deze plaats, in de Frankfurter Paulskirche die in 1949 - dat beslissende jaar van de Duitse geschiedenis - weer werd herbouwd na de verwoesting tijdens de oorlog, precies op deze zelfde plek heeft Thomas Mann een gedenkwaardige rede gehouden. Hij sprak in het kader van de feestelijkheden van het Goethejaar, het jaar waarin de tweehonderdste geboortedag van Goethe werd herdacht. En dat was de eerste keer dat Thomas Mann zich, na zestien jaar ballingschap, op Duitse bodem weer tot zijn volksgenoten richtte. Uit die toespraak uit 1949 licht ik slechts een uitspraak, die mij in staat zal stellen mijn eigen thema verder uit te werken.
Hier, op dit spreekgestoelte - en ik moet toegeven dat ik het als risicovol maar ook prachtig ervaar om na zo veel grote persoonlijkheden hier voor u te staan -, op deze plaats dus zei Thomas Mann, destijds Amerikaans staatsburger, dat het eigenlijke, onvervreemdbare vaderland voor hem de Duitse taal was. Nooit was hij op het idee gekomen, zo zei hij, om ook als schrijver in ballingschap te gaan, naar een andere taal te emigreren, zich bijvoorbeeld het Engels als literaire taal eigen te maken. Met de erfenis van de Duitse taal, zei hij, was hij in ballingschap gegaan, daarop was zijn ware identiteit gebaseerd, en die taal wilde hij nooit loslaten, die traditie nooit verraden, dit vaderland nooit vergeten.
Vaderland! Een loodzwaar woord, ontegenzeglijk, en we weten waarvoor het is misbruikt, wat voor slechte dingen uit naam daarvan zijn gedaan. Ik gebruik het dus voorzichtig, me bewust van het feit dat vaderlanden alleen wegen tot het universalisme van de democratische rede zijn - hun eigenlijke taak - wanneer ze weigeren gedweep met het vaderland en arrogant en exclusief gedrag toe te staan. Ik zal het dus gebruiken, en benadruk nogmaals dat een 'vaderland’ nooit 'boven alles’ kan en mag staan.
Nu deze kwestie is opgehelderd: is de taal inderdaad het vaderland van een schrijver, zoals Thomas Mann heeft beweerd? Zelf kan ik dat niet beweren. In mijn geval was de Spaanse taal niet mijn vaderland tijdens de ballingschap, en dat komt met zekerheid door mijn levensloop, mijn leeftijd en de bijzondere omstandigheden. In elk geval was het Spaans niet mijn enige vaderland.
In tegenstelling tot Thomas Mann heb ik nooit afstand gedaan van mijn Spaanse staatsburgerschap; wel echter van mijn moedertaal. Een tijdlang dacht ik dat ik een nieuw vaderland had gevonden, nadat ik me de Franse taal eigen had gemaakt, de taal waarin ik het merendeel van mijn boeken heb geschreven. Vanuit het standpunt van de literaire taal ben ik dus of vaderlandsloos - want hartstochtelijk tweetalig, zo men wil dank zij ongeneeslijke linguistische schizofrenie -, of ik heb twee vaderlanden. En dat is in alle opzichten onmogelijk, als men de gedachte van een vaderland serieus neemt: dat wil zeggen dat men 'vaderland’ ziet als iets waarvoor het de moeite waard is te sterven. Je kunt niet voor twee verschillende vaderlanden sterven, dat zou absurd zijn.
Het is ook zo dat ik tijdens de keren dat ik mijn leven op het spel zette, nooit aan het vaderland heb gedacht. Vrijheid, gerechtigheid, solidariteit met de armen en onderdrukten: gedachten van dien aard had ik waarschijnlijk wel in mijn achterhoofd wanneer het moment kwam om iets levensgevaarlijks te doen. Maar nooit de gedachte van het vaderland, dat geef ik toe.
Eigenlijk is mijn vaderland niet de taal, Spaans noch Frans: mijn vaderland, dat is mijn taalvermogen. Dat wil zeggen: een terrein van sociale communicatie en linguistische mogelijkheden; dat geeft de mogelijkheid het universum te beschrijven, en ook te veranderen, hoe gering of marginaal ook, juist door dat taalvermogen.
IN 1949 REISDE Thomas Mann, een paar dagen nadat hij hier in de Paulskirche zijn rede over Goethe had gehouden, door naar Weimar om daar zijn toespraak te herhalen in het Nationaltheater. Destijds - er was net een eind gekomen aan de Berlijnse blokkade door de Sovjetunie, als we ons dat nog kunnen herinneren -, destijds kreeg de Duitse deling gestalte in twee verschillende staten. De Koude Oorlog legde de belangrijkste grens heel nuchter - en tragisch - in het hart van Europa, in dat in tweeen gehakte en vijandig tegenover elkaar geplaatste Duitsland.
Daarom stuitte het besluit van Mann om de uitnodiging van de Sovjet-bezettingsautoriteiten en van de communistische instanties in Oost-Duitsland aan te nemen, op algemene kritiek. De pers in Frankfurt herinnerde Thomas Mann eraan dat in de buurt van Weimar het concentratiekamp Buchenwald lag, en dat dat nog steeds in gebruik was. Waarom ging hij daar niet eens op bezoek na zijn Goethe-rede in het theater van Weimar, zo stelde men hem voor.
Thomas Mann schrok niet terug voor dat probleem, en hij verzweeg het ook niet. In zijn rede in de Paulskirche op 25 juli 1949 had hij al gezegd dat zijn bezoek voor Duitsland zelf was bedoeld, voor het hele land, en niet voor deze of gene bezettingszone. Wie kon de eenheid van Duitsland beter garanderen en vertegenwoordigen, zo vroeg hij zich hardop af, dan een onafhankelijke schrijver wiens vaderland de vrije Duitse taal was, iets wat zelfs door bezettingstroepen niet kon worden aangetast.
Hij weigerde ook niet iets over Buchenwald te zeggen. In het 'reisverslag’ dat hij over zijn verblijf in Duitsland heeft geschreven (en dat eerst in het Engels is gepubliceerd in de New York Times Magazine en later in het Duits in de Neue Schweizer Rundschau), probeert Mann een antwoord te geven aan degenen die zijn beslissing hadden afgekeurd. Hij zegt dat hij niet speciaal had gevraagd om een bezoek aan het concentratiekamp, maar dat hij onofficieel had geprobeerd informatie in te winnen over de leefomstandigheden in Buchenwald. Het resultaat van zijn nasporingen is, zoals hij het samenvat, verrassend, en het laat een bittere nasmaak achter in onze herinnering. Thomas Mann zegt namelijk dat de gevangenen, volgens zijn welingelichte informanten, voor een derde bestonden uit asociale elementen en gedegenereerde vagebonden, voor een derde uit misdadigers uit de nazitijd, en tenslotte uit personen die schuldig waren bevonden aan verzet tegen de nieuwe staat en daarom moesten worden geisoleerd.
Wanneer de moedertaal echt het vaderland van een schrijver is, zou een linguistische, semantische analyse van deze zinnen van Thomas Mann voldoende zijn om hun schrikwekkende en gevaarlijke dubbelzinnigheid aan te tonen. Alle dictaturen namelijk, alle totalitaire systemen noemen nonconformisten altijd 'asociale elementen’ en 'gedegenereerde vagebonden’ (zigeuners misschien?); allemaal vinden ze het noodzakelijk hun tegenstanders en dissidenten te 'isoleren’ opdat hun ideeen en gedragingen het maatschappelijk organisme niet besmetten. Dat laatste zou immers slechts gezond blijven zolang het zich uitsluitend voedde met de informatiebronnen van het officiele denken. Dat wil zeggen: het politiek correcte denken.
HET WAS EEN ZONDAG, inderdaad, een mooie zondag in maart. Een leven later, vele levens en vele doden later, stond ik weer in de dramatische lege ruimte van het appelterrein van Buchenwald. De vogels waren teruggekomen, dezelfde wind woei over de Ettersberg. Toen ik het landschap bekeek, kreeg ik het gevoel dat mijn hele leven zich in mijn herinnering voor me uitstrekte, dat het transparant werd met al zijn gevaren en vergissingen, met zijn verblinding door ideologische illusies en zijn hardnekkig streven naar inzicht en helderheid.
Toen ik dus verder liep over het appelterrein en tegenover de enorme schoorsteen van het crematorium kwam te staan, moest ik denken aan een paar dichtregels van Paul Celan. Een bundel van Celan had mij eveneens vergezeld op die reis: ’… dann steigt ihr als Rauch in/ die Luft/ dann habt ihr ein Grab in den/ Wolken da liegt man nicht eng…’ In dat gedicht, de Todesfuge, dat weten we allemaal, staat een schrikwekkende regel die als leidmotief telkens terugkeert: 'Der Tod ist ein Meister aus Deutschland…’
Daar in Buchenwald, voor de schoorsteen van het crematorium, herinnerde ik me op die mooie zondag in maart 1992 de hese, geergerde stem van de SS-Sturmfuhrer, als hij in nachten met luchtalarm bevel gaf de oven uit te zetten: 'Krematorium, ausmachen!’ Op die plaats vroeg ik me af of die schrikwekkende versregel klopte, dat wil zeggen: of hij echt een absolute waarheid weergeeft die geldig blijft voorbij alle historische beperktheden. Heel duidelijk was dat niet het geval. Die dood in kwestie, ja, de dood die Europa had verwoest en een gevolg van Hitlers triomftocht was, ja, die was een 'Meister aus Deutschland’. Maar wij hebben allemaal kennis gemaakt met de dood die sluimert in het hart van het totalitaire beest in andere vermommingen, in het decoratieve klatergoud van andere nationale afstammingen. Zelf heb ik de dood als meester uit Spanje gekend en soms van nabij ontmoet. En de Franse joden, die door de in en in Franse Vichy-regering zijn vervolgd en gedeporteerd, hebben de dood als meester uit Frankrijk leren kennen. En Varlam Sjalamov heeft ons in zijn gruwelijke Verhalen uit Kolyma bericht over de dood als meester uit Sovjet-Rusland.
De waarheid van die versregel van Paul Celan is dus een noodzakelijke, onvergetelijke waarheid, maar ze is relatief en historisch gebonden. 'De dood is een meester uit de mensheid’: dat zou de passende filosofische formulering zijn, want daardoor zou de nadruk worden gelegd op het permanent aanwezige vermogen van de menselijke aard: de vrijheid die de mens van het begin af heeft gehad om te kiezen voor de dood van onderdrukking en knechtschap - en tegen het leven van de vrijheid: de vrijheid van het leven.
Het beslissende punt is dat Paul Celan zijn Todesfuge in het Duits heeft geschreven. Celan, een Roemeense dichter, had het vaderland van de Duitse taal gekozen, en daarin had hij de universaliteit van zijn taalvermogen, zijn poezie gegrondvest. Laat ons nadenken over de diepe betekenis van dat getuigenis. ’…wir schaufeln ein Grab in den Luften da liegt/ man nicht eng…’
Op die mooie zondag in maart op het appelterrein van Buchenwald herinnerde ik me dat gedicht van Celan. Het drong tot me door dat de ligging van het oude concentratiekamp, precies zoals het nu is, een bevoorrecht oord van de Europese geschiedenis is. Een tragisch oord, ontegenzeglijk, maar het deelt ook iets mee: niet alleen als archeologisch spoor van een verleden waarvan de gevolgen nog aanhouden, althans voor een deel, maar ook als intellectueel laboratorium van onze gemeenschappelijke toekomst.
Ik zal daar aan het slot van mijn toespraak nader op ingaan.
AAN DE KANT VAN de Ettersberg die uitzicht biedt op Weimar heeft men, nadat het concentratiekamp dat Thomas Mann niet kon of wilde bezoeken door de regering van de zojuist opgerichte DDR was gesloten, een gigantisch monument geplaatst, produkt van een monumentale architectuuropvatting die op mij een grootheidswaanzinnige en weinig eerbiedige indruk maakt, gezien de bescheiden en complexe waarheden van het verleden. Het is of de communistische autoriteiten hier de antifascistische oorsprong van hun historische legitimiteit wilden bevestigen en daarom enorme hoeveelheden edel materiaal hebben verspild aan een monument dat alleen al wegens de slechte smaak weerzinwekkend is: een mengeling van de beeldhouwkunst van Arno Breker en het socialistisch realisme onder Stalin.
Aan de andere kant, waar men in de verte uitzicht heeft op de bergen van Thuringen, aan de voet van de Ettersberg, zijn de jonge bomen van een nieuw bos gegroeid. Dat bedekt het terrein waar vroeger de ziekenbarakken stonden, het kleine quarantainekamp. Het bos bedekt ook duizenden anonieme en ongeidentificeerde doden, die echter in de koude onherbergzaamheid van de massagraven uit de stalinistische periode van Buchenwald tenminste nog een graf hebben gevonden. Hier liggen, in het machtige zwijgen van de dood, de 'asociale elementen’, de 'personen die schuldig waren bevonden aan verzet tegen de nieuwe staat’, van wie Thomas Mann geloofde of wilde geloven dat zij twee derde van de gevangenen van Buchenwald vormden toen hij in 1949, eerst in de Paulskirche in Frankfurt en vervolgens in het Nationaltheater van Weimar, voor zijn landgenoten een fraaie rede hield over Goethe en de deugden van het humanisme.
Van de doden van het nazikamp Buchenwald rest ons slechts de herinnering: als rook zijn ze de lucht in gegaan, hun graf is in de wolken. Daar is de ruimte niet beperkt, echt niet: in het onmetelijke bereik van de historische herinnering, die voortdurend gevaar loopt te verzinken in een onacceptabel vergeten en die desondanks, zodra het nodig is, ter beschikking staat voor vergeving en verzoening. Van de doden uit het stalinistische kamp resten ons de massagraven, bedekt door de bomen van een nieuw bos waar Goethe noch Eckermann hebben gewandeld, maar waar de jonge Duitsers van heden en morgen zouden moeten gaan wandelen.
DUITSLAND IS NIET het enige Europese land dat een onopgelost probleem met zijn collectieve geheugen heeft, met zijn historische geheugen. Frankrijk heeft dat ook, zoals dezer dagen opnieuw duidelijk wordt, want daar zijn de politici, de intellectuelen en het volk in het algemeen er tot dusver niet in geslaagd een kritisch, van de hartstochten van beide zijden even ver verwijderd en tot in de diepte reikend oordeel te vormen over de Vichy-periode en de resistance. Ook Spanje heeft zo'n probleem, want dat land heeft met overweldigende meerderheid en terecht gekozen voor een collectieve en gewenste amnesie, teneinde het wonder van een vreedzame overgang naar democratie mogelijk te maken. Ooit echter zal het ook de prijs voor dat proces moeten betalen.
Het probleem dat het Duitse volk heeft met zijn historisch geheugen, raakt ons Europeanen allemaal heel direct. Het Duitse volk is namelijk sinds de hereniging - en als onderdeel van het sociale en politieke, complexe en pijnlijke proces, dat echter zoveel mogelijkheden biedt voor de democratische rede die deze hereniging impliceert -, Duitsland is sindsdien het enige volk van Europa dat een confrontatie kan en moet aangaan met de twee totalitaire ervaringen van de twintigste eeuw: het nazisme/fascisme en het stalinisme. In het denken en aan den lijve heeft het die ervaringen ondergaan, en die kan het alleen te boven komen - en zonder daarmee een precedent te scheppen zouden we in dit verband een keer Hegels begrip 'opheffing’ kunnen toepassen - door beide ervaringen kritisch over te nemen en te aanvaarden, om op die manier de democratische toekomst van Duitsland te verrijken. Daarvan is immers, zoals ik al zei - maar men mag het rustig herhalen - voor een groot deel de toekomst van een democratisch groeiend Europa afhankelijk.
Buchenwald, of liever gezegd het binomium Weimar- Buchenwald, is de historische plaats die deze dubbele taak het best symboliseert: de taak van de rouwverwerking, teneinde het verleden kritisch de baas te worden, en de taak van de uitwerking van grondslagen voor een Europese toekomst, opdat de vergissingen van het verleden kunnen worden vermeden.