Tom Hodgkinson over lui ouderschap

Terug naar de boomhut

De Engelse schrijver Tom Hodgkinson verzet zich tegen het heersende arbeidsethos. Dat kinderen in die geest worden opgevoed, is hem een gruwel. ‘Waarom zouden ouders lunchpakketten klaarmaken?’

‘BEGRIJP JIJ de lol ervan?’ Meewarig kijkt de schrijver en anarchist Tom Hodgkinson (Newcastle, 1968) me aan. In de hoek van de huiskamer speelt zijn jongste zoontje Henry op de website Club Penguin. De oude computer staat in een wandkast en de vierjarige zit op een barkruk, alsof zijn vader het computergebruik zo oncomfortabel mogelijk heeft willen maken. ‘Op deze website kunnen kinderen met elkaar spelen, maar het is toch leuker, gezonder en goedkoper wanneer ze in de tuin of op straat ravotten’, moppert Hodgkinson, die vervolgens vertelt dat Nintendo Wii zijn woning niet in komt, ook al hebben alle klasgenootjes van zijn drie kinderen deze ‘absurde’ spelcomputer. ‘Grote merken als Nintendo en McDonald’s proberen actief “vriendjes” te worden met kinderen, waarmee ze bewust een wig drijven binnen gezinnen.’
Na een klein half uur bepaalt Hodgkinson, gezeten naast een houten flipperkast, dat het genoeg is. ‘Ik weet het, het ziet er wat pathetisch uit’, zegt hij, waarna hij een juten zak met houten blokken te voorschijn haalt. Maar het werkt. De kleine Henry bouwt een Koolhaas terwijl paps vertelt over The Idle Parent: Why Less Means More When Raising Kids, zijn net verschenen boek over een vrije opvoeding. Voortbouwend op de mantra ‘leave them (the children) alone’ van de schrijver D.H. Lawrence pleit hij ervoor dat ouders hun kroost niet de hele dag in de gaten houden of laten houden. Dit biedt zowel de kinderen als hun ouders meer vrijheid, grotere zelfstandigheid en minder spanning. En passant keert Hodgkinson zich tegen pretparken, plastic speelgoed, kindertelevisie en andere modieuze verschijnselen die in zijn ogen zorgen voor een commercialisering van de opvoeding. Hij verafschuwt de veramerikanisering van de cultuur, waarbij spontaniteit weggeorganiseerd is en bezorgde ouders vrijheid hebben opgeofferd voor veiligheid, hun kinderen soms zelfs met camera’s in de gaten houdend.
Hard werken is een ander puriteins verschijnsel van de Brave New World waar Hodgkinson allergisch voor is. Hij staat in Engeland bekend als ervaringsdeskundige op het gebied van luiheid. Al zestien jaar maakt hij het cultmagazine The Idler, een podium voor beschouwingen over een onthaast bestaan. Roem verwierf hij met het boek How To Be Idle, dat in twintig talen verscheen. Hierin belicht hij het genot van ‘onproductieve’ bezigheden als slapen, wandelen, roken, theedrinken en ouwehoeren met vrienden. Vooral in de Verenigde Staten – het land van 415 miljoen ongebruikte vakantiedagen per jaar – deed dit boek het goed. In het daarop volgende How To Be Free besprak hij praktische manieren om aan de periferie van de consumptiemaatschappij te overleven. Verder schrijft hij als freelancer voor The Guardian, The Ecologist en The Independent en heeft hij een opvoedkundige rubriek in de behoudende Daily Telegraph.
Dat hij van de pen leeft en gezag wantrouwt, is niet verwonderlijk gezien zijn achtergrond: ‘Mijn beide ouders zijn kritische journalisten en waren aangestoken door de counterculture van de jaren zeventig.’ De jonge Tom raakte in de ban van de punkmuziek, waar sporen van aan te treffen zijn in zijn werk, zoals teksten van The Clash over onderwijs. Hij ging naar het Royal College of St. Peter in Westminster, de particuliere school waar ook John Locke, Christopher Wren en Jeremy Bentham op hebben gezeten. Hij spreekt nog steeds lovend over zijn eigengereide leraar Engels, die de lesstof negeerde en zijn leerlingen liefde voor het vak bijbracht. Soms organiseerde hij zelfs wijnproefsessies bij hem thuis, iets wat tegenwoordig ondenkbaar is. Daarna ging Hodgkinson Engels studeren op Jesus College, Cambridge, een bewuste keuze omdat daar ruim aandacht werd geschonken aan de Franse poststructuralisten. ‘Ik ben dol op Barthes’ Mythologieën omdat het populaire cultuur acceptabel maakte.’
Daarna begon het ware leven. Dat viel niet mee, aanvankelijk. Freelance journalistiek was een logische stap, maar een gebrek aan discipline en werklust brak de dagdromer op. Het leven als uitkeringsgerechtigde – de term ‘werkzoekende’ is in zijn geval niet van toepassing – gaf hem de gelegenheid om te luieren, te lezen en laat op te staan. De Idler-essays van Samuel Johnson in The Universal Chronicle openden zijn ogen én stelden hem gerust. ‘Ik realiseerde me toen dat ik geen nietsnut was, maar dat luiheid deel kan uitmaken van een creatief proces.’ Samen met een vriend besloot hij The Idler te maken. Ze drukten de eerste vijf uitgaven zelf, waarna de marketingafdeling van The Guardian het tijdelijk onder haar hoede nam.

MET ZIJN Idler staat Hodgkinson in een lange traditie van bewegingen tegen de dominante, materialistische cultuur. De slechteriken in Hodgkinsons levensvisie zijn de puriteinen, de calvinisten, de utilitaristen, de Victorianen, de neoliberalen, iedere stroming waar noest en eenzaam werken centraal staat. ‘Werk is niet alleen bedoeld om te komen tot materieel geluk, maar ook om het volk bezig te houden. Bertrand Russell heeft dat mooi omschreven in zijn essay In Praise of Idleness.’
Met deze filosoof, wiens bloed blauw en hart rood was, is een van Hodgkinsons inspiratiebronnen genoemd. Hij koestert bewondering voor een ieder die zich verzet tegen het heersende arbeidsethos en de daarbij horende stroomlijning van het dagelijks leven. De negentiende-eeuwse humorist en schrijver Jerome K. Jerome, die debuteerde met het boek Idle Thoughts of an Idle Fellow, duikt regelmatig op in zijn werk, evenals Oscar Wilde, die in The Soul of Man under Socialism de vergeefse hoop uitsprak dat machines mensen zouden bevrijden van geestdodend werk.
Speciale waardering heeft Hodgkinson voor Willam Morris, de socialistische architect, ontwerper en schrijver die deel uitmaakte van de arts & crafts-beweging, die onder meer tot doel had de middeleeuwse ambachtelijkheid in ere te herstellen. De terugkeer naar middeleeuwse gebruiken is een rode lijn in Hodgkinsons werk. Zo bewondert hij behalve de traditionele nijverheid ook de gemeenschapszin en het autarkische bestaan op het ritme van de natuur.
Dat laatste wordt het onderwerp van Hodgkinsons volgende boek, Brave Old World, gebaseerd op zijn eigen dagboeknotities. Een paar jaar geleden kreeg hij last van de autoriteiten omdat hij een varken had geslacht. ‘Ik deed daarvan verslag in The Sunday Times en een paar dagen later stond er een gemeenteambtenaar voor de deur en ontving ik een brief van de Voedsel- en Warenautoriteit. Mij werd verteld dat het op zich niet illegaal is, maar dat ik het varken zelf had moeten opeten en niet ter consumptie aan mijn vrouw en kinderen had mogen geven. Lachwekkend. Het dier is bovendien netjes gedood en niet op wrede wijze gestorven na een miserabel leven, zoals de meeste andere varkens.’
De affaire bewees tevens dat hoe afgelegen je ook woont, de dienaren van de staat je altijd weten te vinden. In 2002 verruilde Hodgkinson het leven in het Londense Notting Hill voor een leven op het platteland. De vakantieboerderij veranderde in een kinderboerderij, met kippen, geiten, een hond, twee katten, een pony en een bijenkorf. In een boom heeft hij met zijn kinderen een hut gebouwd. ‘Er zijn nog geen ambtenaren van bouw- en woningtoezicht geweest, maar hun komst zou me niet verbazen’, grijnst hij tijdens de lunch met zelfgebakken brood.
Zijn kinderen zijn, zo benadrukt hij, volwaardige deelnemers in het huishouden, iets waar de gretig geciteerde oerpedagogen John Locke en Jean-Jacques Rousseau al voor pleitten. Zo gaat het eerste hoofdstuk van The Idle Parent over de terugkeer van kinderarbeid. ‘Daarbij pleit ik er natuurlijk niet voor dat kinderen moeten werken in mijnschachten of naaiateliers, maar dat ze spelenderwijs meehelpen met afwassen, stofzuigen of houthakken. Waarom zouden ouders lunchpakketten klaarmaken? Dat kunnen kinderen al heel vroeg zelf. Op deze manier worden kinderen sterk en onafhankelijk.’
Hodgkinson ziet het liefst dat zijn kinderen zo veel mogelijk buiten spelen, buiten het zicht van de ouders: ‘Ze moeten zelf dingen ontdekken. Laat ze maar door schade en schande wijs worden. Alles is beter dan achter een beeldscherm hangen.’ Zijn ideaalbeeld is zichtbaar op De kinderspelen van Pieter Bruegel, waarin kinderen massaal op straat spelen. Maar in de meeste woonwijken zijn de stoepen, pleinen en straten uitgestorven. Op flatgebouwen hangen bordjes met ‘No Ball Games’, bezorgde ouders houden hun kinderen binnen en een minister heeft zelfs voorgesteld om buiten spelen zonder ouderlijk toezicht strafbaar te stellen.
Waar komt die overbezorgdheid vandaan? ‘Ten eerste geloven mensen niet meer in hun lotsbestemming, maar des te meer in maakbaarheid. Kinderen worden van jongs af gevormd en door hun ambitieuze ouders als kindsterren gezien. Ze krijgen geen kans om zelf dingen te ontdekken. In New York leren steeds meer ouders hun kind Mandarijn, om het klaar te stomen voor een druk leven vol saai werk. Een ander teken des tijds is het streven naar perfectie. Ouders lijken soms verwikkeld in een wedstrijd wie de beste is, ten koste van het kind zelf. Verder vertrouwen mensen elkaar niet meer, waardoor het minder voorkomt dat ze op elkaars kinderen passen of ze elders laten overnachten. Ik vind het juist praktisch en goed om kinderen samen met vrienden en buurtgenoten op te voeden. De kinderen vinden het leuk en de ouders hebben meer tijd om te lummelen.’
De publicatie van The Idle Parent, met op het omslag een politiek incorrecte tekening met onder meer een pijprokende huisvader, past binnen het groeiende aantal kritische boeken over de opvoedkundige cultuur in Engeland. Eerst was daar Paranoid Parenting, waarin de socioloog Frank Furedi schrijft over bange ouders die hun kinderen uit angst voor gevaar – ‘stranger danger’ – op overdreven wijze beschermen. Vervolgens verscheen het populaire Dangerous Book for Boys, een handboek van de gebroeders Con en Hal Iggulden voor een ouderwetse, avontuurlijke en risicovolle jeugd. Ten slotte kwam Boris Johnson met The Perils of the Pushy Parents. Met al deze boeken lijkt er een offensief gaande te zijn tegen de Engelse nakomelingen van The Great Obsessive New York Parent.
Het is Hodgkinsons ambitie om zo weinig mogelijk met de staat te maken te hebben. Zo wantrouwt hij het staatsonderwijs: ‘Overheden hebben altijd de neiging om scholen te benutten als proeftuin voor nieuwe theorieën. Leerlingen maken lange dagen, worden voortdurend getest en actief voorbereid op de arbeidsmarkt. In plaats van dat de verbeelding wordt gestimuleerd, krijgen ze nu mediastudies, powerpointpresentaties en marketing, allemaal bedoeld om zo veel mogelijk Club Penguins te verkopen.’
Hij heeft plannen om met gelijkgestemde ouders een vrije school te beginnen in het plaatselijke buurtcentrum, maar beseft dat er nog een lange weg te gaan is. Zijn bereidheid tot actie werd vergroot toen hij het rapport van zijn dochter binnenkreeg. Waar een kind vroeger werd beoordeeld op hoe het schrijft, rekent en met klasgenoten omgaat, bleek nu te worden getest op 120 wollige stellingen. ‘Een ervan luidde, ik citeer, of een zesjarige het gebruik van gebruiksmogelijkheden van informatie- en communicatietechnologie en programmeerbaar speelgoed voor zijn of haar leerproces kan identificeren.’
Tom Hodgkinson moet erom lachen, als een hobbyboer met kiespijn. ‘Maar wat nu als de ouders besloten hebben om hun kinderen zo min mogelijk bloot te stellen aan dat soort spul?’

Luie ouders hebben gelijk verschijnt deze week: Meulenhoff, 288 blz., € 18,95