Essay Het slechte geheugen van economen

Terug naar de klassieken

De crisis heeft de reputatie van economen geen goed gedaan. Hoe terecht is die kritiek? De beroepsgroep heeft de eigen intellectuele geschiedenis verwaarloosd.

Weinig economen zagen de crisis aankomen. Nu het zo ver is, hebben ze geen eensgezinde oplossing om uit de malaise te komen. Sinds de val van Lehman Brothers in september 2008 volgt de ene economische onheilstijding op de andere. De economen stonden erbij en keken ernaar – althans, dat lijkt de consensus te zijn. Is het daarom tijd voor een geheel nieuwe economie, zoals door sommigen wordt voorgesteld? In elk geval moet de zelfverklaarde ‘koningin van de sociale wetenschappen’ eens kritisch in de spiegel kijken.

Niet omdat de wetenschap heeft zitten slapen bij recente faillissementen of schandalen. Dat verwijt klopt niet. De economische professie zit niet aan tafel in de bestuurskamer als er belangrijke beslissingen worden genomen of bonussen worden vastgesteld. Tenzij ze tot de bedrijfsinsiders behoren, hebben economen weinig diepzinnigs te melden over de ondergang van een individuele bank of een individueel bedrijf. Dat sns zich heeft vertild aan vastgoed is wellicht de directie van sns aan te rekenen, maar niet de economische wetenschap.

Bedrijven maken wel vaker fouten. Soms gaan ze dan failliet of moeten ze door de overheid overeind worden gehouden. Zo’n onverstandige bestuursbeslissing is onderdeel van de strategie van een bedrijf, maar raakt niet aan de fundamenten van de wetenschap. Als er tot ieders schrik een meteoor in Nederland inslaat heeft er misschien een sterrenwacht zitten slapen, maar het doet niets af aan de wetten van de astronomie.

Een probleem ontstaat als astronomen in hun modellen meteoren zouden vergeten. En ja, het is de economische wetenschap ten dele aan te rekenen dat al die academische kennis niet heeft geholpen bij het voorspellen van de huidige recessie. Sommige economen waarschuwden wel degelijk voor een crisis. Het Britse liberale tijdschrift The Economist wees in de jaren voorafgaand aan 2008 op het bestaan van de huizenmarkt-bubble in de VS en waarschuwde voortdurend voor de enorme gevolgen van het uiteenspatten van deze zeepbel. Ook gezaghebbende economen als Willem Buiter, James Tobin, Wynne Godley, Robert Shiller, Nouriel Roubini, Raghuram Rajan en Joseph Stiglitz waren ongerust over de instabiliteit van de financiële sector.

Maar deze geluiden waren niet dominant in het academische discours of in de beleidspraktijk. Zo constateerde de toenmalige voorzitter van de Amerikaanse Federal Reserve Alan Greenspan nog in 2006, vlak voordat de Amerikaanse huizenmarkt implodeerde, dat iedereen veel gemakkelijker dan voorheen een hypotheek kon krijgen omdat kredietverleners veel beter dan vroeger in staat waren het risico van hypotheekverlening in te schatten. Greenspan had gelijk dat het aantal hypotheken snel was toegenomen, maar met betrekking tot de risico’s maakte hij een fatale vergissing. Daarin stond hij niet alleen. De meeste centrale bankiers waren het destijds met Greenspan eens.

Voor wie wilde luisteren waren de waarschuwingen echter luid en duidelijk. En dat brengt ons bij een overtuigend ‘ja’ op de vraag of de economische wetenschap steken heeft laten vallen. Het gaat hier (helaas) om het kernmodel uit de macro-economie: een algemeen evenwichtsmodel waarin iedereen zich ultra-rationeel gedraagt. Er is in deze model­wereld geen ruimte voor irrationaliteit of onzekerheid. Financiële markten werken perfect, banken en de daarbij behorende vermogenskanalen zijn nauwelijks onderwerp van analyse. Voor speculatieve zeepbellen is geen plaats. Het klinkt wellicht bizar voor de buitenstaander, maar centrale banken werken met modellen waarin de banksector zelf ontbreekt. Zaken als de kwetsbaarheid van bankbalansen of de omvang en verdeling van hypotheekschuld – toch belangrijke gegevens voor de Nederlandse economie – zul je in deze modellen vergeefs zoeken.

Het gaat hier niet om incidentele missers door een enkele beleids­instantie. Het basisidee in de conventionele economische modellen is dat bedrijven en huishoudens beslissingen nemen over investeringen en uitgaven, waarna de financiële sector er wel voor zorgt dat het gefinancierd wordt. Een autonome dynamiek van banken of aandelenmarkten, met zelfstandige invloed op de economie, wordt uitgesloten. De oorzaken van groei en recessie liggen in deze modellen per definitie buiten de financiële sector. De gedachte is dat als ik ga winkelen het niet interessant is hoeveel geld ik in mijn portemonnee of op mijn bankrekening heb. Belangrijk is wat mijn inkomen is, en welke voorkeuren ik heb. Daarmee kan mijn koopgedrag verklaard worden. Het geld om ook echt af te rekenen bij de kassa zal er wel zijn; dat te tellen voegt weinig toe aan het inzicht in mijn gedragskeuzen.

De vergissing is hier natuurlijk dat mijn bankbalans er wel degelijk toe doet. Geeft de bank mij een ruime hypotheek of goedkoop consumptief krediet, dan geef ik meer uit. Stijgt mijn huis in waarde, dan ben ik geneigd meer te spenderen, ook al is mijn smaak of mijn inkomen niet veranderd. Sta ik ‘onder water’ (met een huis dat minder waard is dan mijn hypotheekschuld) dan ga ik waarschijnlijk beknibbelen op mijn uitgaven. Dit alles speelt geen rol in de conventionele modellen, maar uiteraard wel in de realiteit – vooral nu.

Het betreft bovendien een vergissing met een voorgeschiedenis. De economische wetenschap heeft een lange traditie als het gaat om het veronachtzamen van geld, schuld en banken. Geld zou slechts een ‘sluier over de realiteit’ zijn, zoals de Britse econoom Arthur Pigou al in 1949 schreef. Verwijder het uit je analyse en je hebt een helderder zicht op de fundamentele oorzaken van economische groei en stabiliteit, zo is de gedachte. Dus modelleren economen wel consumptie en investeringen, of zelfs rente en geldhoeveelheid – maar niet schuld en balansen.

Helaas was dit type model niet alleen dominant in de wetenschap toen de crisis uitbrak, maar ook in de wereld van economische beleidsmakers. Terwijl schuldopbouw en vermogensprijzen de afgelopen decennia steeds belangrijker werden voor ons economisch wel en wee speelden ze geen rol van betekenis in de huidige modellen van het Centraal Planbureau of De Nederlandsche Bank. Met als gevolg dat in deze kringen de kredietcrisis in 2008 als een donderslag bij heldere hemel kwam. De bekende Britse monetaire econoom Charles Goodhart verzuchtte dan ook ooit over dit type modellen: ‘It excludes everything I am interested in.’

Economen hadden beter kunnen weten. Zeer waardevolle inzichten over het ontstaan van financiële crises werden gaandeweg als achterhaald terzijde geschoven; een naar nu blijkt wel zeer kostbare vergissing. John Maynard Keynes (1883-1946) en zijn latere leerling, de Amerikaanse econoom Hyman Minsky (1919-1996), benadrukten al dat financiële markten een eigen invloed op de economie hebben.

Het probleem met Minsky, zoon van Wit-Russische emigranten, is dat hij met zijn goeddeels verbale analyse het academische tij na de Tweede Wereldoorlog tegen had. Daarin werden alleen wiskundige modellen serieus genomen. De kern van zijn visie is dat instabiliteit ingebakken zit in ons economisch systeem, juist omdat we geld, schulden en banken hebben. In kapitalistische economieën wordt immers voortdurend geïnvesteerd met geleend geld, via banken en aandelenmarkten. Dat is een krachtige impuls voor continue expansie en innovatie. De kapitalistische markteconomie is een tot dusverre ongeëvenaard systeem als het gaat om het verhogen van onze levensstandaard.

Maar, en dit was Minsky’s hoofdpunt, het is wel een systeem met een keerzijde. Het gevaar schuilt erin dat niemand de toekomst kent. Investeringen zijn daarom gebaseerd op verwachtingen ten aanzien van toekomstig rendement. Worden we dus te optimistisch of zelfs overmoedig, dan gaan we te veel lenen om te veel te investeren, bijvoorbeeld in ict-­technologie, of onroerend goed. Dat lijkt een tijdlang goed te gaan. Er vloeit veel geld in huizen- of aandelenmarkten, waardoor de prijzen stijgen. De verwachting maakt zichzelf waar!

Sommige waarnemers constateren weliswaar dat de prijzen wel erg snel stijgen, maar in plaats van bezorgd te zijn over een mogelijke speculatieve zeepbel wordt de ongerustheid weggerationaliseerd. Er wordt dan gewezen op speciale omstandigheden, zoals ‘een nieuwe economie’. Daardoor zou de wereld heel anders dan vroeger zijn. Vermogensprijzen die vroeger als excessief werden bestempeld, zijn dat nu hoegenaamd niet meer. De sussende rationalisatie van dergelijke prijsexplosies is een algemeen kenmerk van een speculatieve zeepbel. Dit drijft de schuldniveaus en de prijzen verder op.

Onvermijdelijk stoppen de prijsstijgingen op enig moment. Dat gebeurt als het verschil tussen de speculatieve prijs en de onderliggende waarde al te duidelijk wordt. Paul Krugman noemde dit het ‘Minsky-moment’. Plotseling stoppen mensen met geld uitgeven. Het gevolg: een fors lagere economische groei, maar met inmiddels wel hoge schulden. Daar willen we vanaf, en dus gaan we allemaal tegelijk sparen, vermogenstitels verkopen en schulden aflossen. Maar omdat iedereen dit tegelijk doet, belandt de economie in een vicieuze cirkel. Hard bezuinigende overheden, die in plaats van extra te gaan besteden het ‘huishoudboekje’ sluitend willen maken, kunnen de gevolgen nog verergeren. Het gevolg van deze ‘spaarparadox’ (een keynesiaans basisinzicht) is een zichzelf versterkende economische crisis.

Bekend verhaal, nietwaar? En inderdaad is dit een zich steeds weer herhalend scenario – van de Nederlandse tulpengekte in 1637 tot de wereldwijde huizenzeepbel die in 2007 barstte. Minsky legde uit dat ook dit niet toevallig is. Juist omdat mensen hun verwachtingen baseren op resultaten uit het verleden (waarop anders?), worden ze keer op keer te optimistisch. Na het knappen van de speculatieve zeepbel zijn ze vervolgens weer te pessimistisch. Via de bijbehorende fluctuaties in hun financiële investeringen en schulden vertaalt zich dit in hoge groei, gevolgd door recessie.

Die dynamiek zit dus ingebakken in ons gedrag. Het is ook inherent aan het bestaan van de financiële en vastgoedmarkten waarop schulden worden gecreëerd en investeringen gedaan. Daarom hebben we keer op keer boom and bust-cycli. De les uit de huidige crisis is dat de financiële sector er wel toe doet. Je zou denken dat dit een gegeven is waar beleidsmakers maar beter rekening mee kunnen houden. Maar dat doen ze niet – daarin gesteund door wetenschappelijke modellen zonder geld, schuld en financiële markten, waardoor ze immuun lijken voor het ‘Minsky-moment’. Deze modellen gaan immers uit van de keuzes van een individu. Daarmee verliezen ze de werking van het systeem uit het oog.

Het probleem is dat zolang de prijzen stijgen het voor speculanten rationeel is om het spel tot het einde toe mee te spelen. Voor de economie als geheel is dat desastreus. Ook als de zeepbel knapt en mensen met de schulden blijven zitten, is het voor ieder afzonderlijk rationeel om minder te besteden en schulden af te betalen. Maar voor de economie als geheel betekent dit vraaguitval en recessie.

Een land kan dus door rationeel gedrag een recessie in worden gesleurd – iets wat in de wereld van de dominante bank- en schuldenloze modellen eenvoudigweg ondenkbaar is. Econoom Paul Krugman constateerde onlangs nog ‘een opvallend gebrek aan modellen die onze zorgen over schuld een plaats geven. Zelfs nu nog gebeurt de meeste analyse (ook de mijne) in modellen met een representatief individu. Zulke modellen kunnen per definitie niets zeggen over de gevolgen van het feit dat sommigen schulden hebben en anderen tegoeden.’ Dit toegeven, zoals Krugman doet, is een zeldzaamheid.

Het weglaten uit de modellen van schuldgroei en -krimp, en van de instabiliteit die eruit voortvloeit, wordt soms verdedigd met het argument dat het om uitzonderlijke gebeurtenissen gaat. Moeten modellen immers niet de uitzonderingen, maar juist de gewone dagelijkse praktijk in modelvorm vangen? Wie echter de moeite neemt crises uit het verleden onder de loep te nemen, komt al snel tot andere conclusies. Financiële crises zijn verre van zeldzaam. Ze lijken bovendien erg op elkaar, ondanks de steeds weer nieuwe ad hoc rationalisaties.

De huidige financiële crisis mag dan qua schaal ongekend zijn, de basismechanismen ter verklaring van de crisis zijn goeddeels gelijk aan die van de eerste de beste bancaire crisis uit de negentiende eeuw, zoals Carmen Reinhart en Kenneth Rogoff in hun boek This Time is Different overtuigend hebben laten zien. Instabiliteit is normaal, evenwicht is dat niet. Dat is omdat we een economie gebaseerd op schulden hebben. De zogeheten algemeen-evenwichtsmodellen zijn in dit opzicht misleidend.

Een terecht verwijt aan economen is dus het te lang negeren van de zelfstandige invloed van de financiële sector op het functioneren van de economie. De huidige crisis heeft overduidelijk een financiële oorsprong. Dit heeft de economen met de neus op de feiten gedrukt: de financiële sector is niet neutraal. Zij heeft een zelfstandige, mogelijk zelfs zeer schadelijke invloed op de economie.

De economen die deze inzichten tegen de stroom in overeind en levendig hebben gehouden, werden naar de wetenschappelijke periferie verdrongen. Zij hadden weinig invloed op modellen, beleid en bezuinigingen. Hyman Minsky mag dan nu door mensen als Krugman als hun ‘crisisheld’ worden gezien, voor 2008 werden Minsky’s ideeën genegeerd door de smaakmakende goegemeente in economenland, inclusief Krugman zelf.

Ten onrechte, naar nu blijkt. De grote les van de crisis voor economen is daarmee de (her)ontdekking van hun eigen intellectuele geschiedenis. Dat zou bescheiden moeten stemmen. Helaas valt die les samen met een voor de naoorlogse periode ongekende crisis. Dit fiasco is voor een deel te wijten aan collectief geheugenverlies van de beroepsgroep. Desondanks menen economen het grote publiek haarfijn uit te kunnen leggen hoe het allemaal zo gekomen is. Met die bescheidenheid wil het nog niet zo vlotten. Het is daarbij niet zozeer tijd voor een geheel nieuwe economie. Wél voor hernieuwde toepassing van klassieke inzichten.

_* * *

De auteurs zijn als econoom verbonden aan de faculteit economie en_ b_edrijfskunde van Rijksuniversiteit Groningen_