Thomas Vaessens over zijn literatuurgeschiedenis

Terug naar de lezer

Literatuur draait niet om schrijvers. Maar om boeken. En Thomas Vaessens weet hoe we die moeten lezen. ‘Literatuur moet een beetje pijn doen.’

Vier jaar later. Wat hetzelfde bleef, is het portret van Gerard Reve aan de muur, en de boekenkast inclusief inhoud: de romanproductie van het jaar 2008. Thomas Vaessens (1967), hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, zat destijds in de jury van de Libris Literatuurprijs. Het was het jaar dat Dimitri Verhulst de prijs zou krijgen, voor Godverdomse dagen op een godverdomse bol. Inderdaad een roman, zou je met terugwerkende kracht kunnen zeggen, die met zijn luidruchtig beleden engagement geheel beantwoordt aan het beeld dat Vaessens in zijn spraakmakende geschrift De revanche van de roman schetste. Hij besprak hierin een literatuur die zich probeerde los te breken uit het verliteratuurde universum dat zienderogen aan het krimpen was. Wilden de schrijvers een nieuw publiek vinden, dan zouden ze de straat op moeten, de wereld in, en niet bang moeten zijn om korte metten te maken met bedaagde literaire conventies. Ook de literaire kritiek zou erop vooruitgaan als wat meer buitenwereld toe zou worden gelaten in het wegen van een roman. Niet alleen maar esthetische maatstaven hanteren, maar ook de vraag durven stellen: waar gáát het eigenlijk over, hoe ziet onze wereld eruit, onze maatschappij? En misschien zou het daarom een goed idee zijn als we in het literaire debat ook soldaten horen, en verpleegsters en…

Maar laten we niet de hele boel weer oprakelen. Vaessens heeft geweten dat hij met zijn provocerende statements op heel wat literaire tenen en andere lichaamsdelen heeft getrapt. Een moordenaar, een leugenaar en een oplichter werd hij in vlammende tegengeschriften genoemd. Gelukkig werd er toen nog niet getwitterd.

De heftige ontvangst van toen – Vaessens: ‘Het werd nogal op de man gespeeld’ – is niet de enige reden dat hij nu met spanning uitkijkt naar de ontvangst van zijn nieuwe boek. De andere is dat hij De geschiedenis van de Nederlandse literatuur al twintig jaar wilde schrijven. Het is de weerslag van waar het hem om te doen is, het is zijn poging om van literatuurwetenschap weer een wetenschap te maken. Met De revanche van de roman heeft het niks te maken, zij het dat aan de basis van beide boeken eenzelfde soort ongedurigheid, en ergernis, ten grondslag lijkt te liggen.

Vaessens: ‘Als scholier had ik een ongelooflijke hekel aan literatuurgeschiedenis. Malle feitjes over schrijvers, waarom moest ik dat weten? Als student intimideerde me die geschiedenis vooral: het was zo veel, het was zo stuurloos. Toen ik eenmaal les ging geven, werd ik rebelser. Ik zag níet wat ik mijn studenten daarmee leerde. Literatuurgeschiedenis zou niet alleen moeten gaan om het overdragen van kennis. Wie wat waar wanneer schreef. Allemaal dingetjes die je kunt weten – maar wat zijn de instrumenten waarmee je als lezer zelf wat met literatuur kunt doen?’

En dus veegde hij de chronologie die de voorgaande literatuurgeschiedenissen domineerde van tafel. Wat daarvoor in de plaats kwamen zijn vijf ‘frames’ – een romantisch, een realistisch, een avant-gardistisch, een modernistisch en een postmodernistisch – die hij met uiteenlopende kenmerken schetst, waarbinnen de Nederlandse literatuur zich afspeelt. De frames volgen elkaar niet hardhandig op (‘Het idee dat elke generatie met de vorige afrekent vind ik zo macho. En zo onjuist; waar laat je bovendien de vrouwelijke schrijvers die zelden de behoefte hebben hun voorgangers te onttronen?’), maar bestaan in zekere zin naast elkaar, in de overtuiging dat boeken in de jaren van frame kunnen veranderen, doordat nieuwe lezers een boek met het gedachtegoed van hun eigen tijd lezen.

Vaessens: ‘Als hoogleraar is het niet mijn taak een pantheon in de steigers zetten. Ik wil er juist voor zorgen dat literatuur in leven kan worden gehouden, dat mijn studenten instrumenten worden aangereikt waarmee ze leren lezen en zien hoe literatuur zich tot de wereld verhoudt. Dat is waar het me om te doen is. Hoezeer literatuur is verknoopt met andere sectoren, zoals de wetenschap, de politiek, de moraal.’

Dat is meteen ook de link met De revanche van de roman, dat u literatuur uit de ivoren toren wil halen.

‘Wat je in het verleden ziet is dat al die literatuurgeschiedenissen meer of minder bewust de verdedigingen zijn van een standpunt. Dat ze de normen van de tijd weerspiegelen. Ik kreeg in mijn studententijd, de jaren tachtig, te horen: Nijhoff, Leopold, Boutens. Daar ging het over. De rest was tweederangs literatuur. Weer later zag ik dat het modernisme en het postmodernisme als een soort geloof werden gehanteerd om naar de wereld te kijken. In dit boek wil ik meer een antropoloog zijn die dat geloof interessant vindt, maar niet tot de kerkgemeenschap behoort. Ik wil een stap terug doen, om te kijken waarom op verschillende momenten in de geschiedenis een bepaald soort literatuur wel of niet interessant werd gevonden. Als je dat doet zie je dat literatuur een ongelooflijk beweeglijk geheel is. En alle gedoe over de canon, hoort een schrijver wel of niet tot de canon, het zijn non-issues als je ziet hoe bepaalde teksten toch weer boven komen drijven. Omdat ze succesvol opnieuw actueel gemaakt kunnen worden.’

Het lijkt alsof u de lezer belangrijker vindt dan de auteur. De roman wordt vogelvrij verklaard, je kunt ermee doen wat je wil.

‘Het pijnlijke voor de auteur is dat hij een passant is. Teksten krijgen nieuwe levens, los van die auteur. Er worden films van gemaakt. Wij schenken “Max Havelaar-fair trade” koffie. Dat leven van teksten is belangrijker dan de auteurs, die ik bewonder, maar die niet de bouwstenen van mijn verhaal zijn. Want ze hebben zelf geen invloed op de beweeglijkheid van hun teksten, de veranderende perceptie. Als je nu Multatuli zou kunnen interviewen zou je bedrogen thuiskomen. Vandaag zien we Max Havelaar als het symbool van antikolonialisme; maar Multatuli was helemaal geen tegenstander van het koloniale systeem. Waar hij tegen protesteerde was de behandeling van de Javaan.’

Hoe bent u tot de keuze gekomen van de teksten die u nu als voorbeeld gebruikt?

(lacht) ‘Ik heb niet gekeken naar het register toen het boek af was. Ik heb niet gecheckt wie er wel en niet in staan. Ik weet echt niet of Achterberg erin voorkomt bijvoorbeeld.’

Mulisch komt er niet in voor.

(lacht weer) ‘Kijk. Ik ben niet bezig geweest met het opstellen van een lijstje. Je kunt dit boek met heel andere voorbeelden vullen. Zelfs met voorbeelden uit Frankrijk, Duitsland of Engeland. Dit boek probeert een universeel verhaal over literatuur en moderniteit te vertellen.’

Illustreert u daarom ook zoveel aan de hand van film en kunst? Wanneer u over het avant-gardistische frame schrijft, vertelt u eerst over Jackson Pollock en daarna pas over James Joyce.

‘Aan de hand van schilderkunst kun je snel iets laten zien. Bij Pollock zie je meteen dat hij iets heel raars doet, bij Joyce heb je meer woorden nodig. Het is gewoon het aanschouwelijk maken van wat in literatuur gebeurt. Ik ben op zoek naar de eigenheid van literatuur. Om die aan te tonen heb je film, beeldende kunst, muziek nodig, voor de contrastwerking. Ik heb de overtuiging dat literatuur in zo’n context functioneert. Er staat geen muur om literatuur heen.’

Maar zijn niet personen toch uiteindelijk heel belangrijk voor een literaire cultuur? Schrijvers kunnen een aanzuigende werking hebben: kijk naar Grunberg. Als je ziet hoeveel, vaak ­beginnende, schrijvers door hem beïnvloed zijn.

‘Dat is het verhaal dat we al zo goed kennen. Het verhaal waarin de schrijvers elkaar opvolgen, elkaar ouderwets verklaren, of juist bewonderen. Dat strijdmodel. Mijn studenten moeten dat verhaal kennen. Die moeten weten dat er vijftigers waren die boos waren op hun voorgangers. Zestigers die weer boos waren op de vijftigers. Maar het is maar één perspectief op literatuur, en volgens mij is het een heel beperkt perspectief.’

U voerde Grunberg in De revanche van de roman op als de ideale ‘laatpostmodernistische’ auteur van deze tijd. In welk frame plaatst u hem?

‘Zeggen jullie het maar.’

Of een schrijver als Gerbrand Bakker?

‘Een goede vraag. We kunnen in de kroeg ­zitten en daar eindeloos over discussiëren. Ik vind het heerlijk om het erover te hebben – maar dat zie ik niet als mijn taak als neerlandicus.’

Hoe verhoudt de neerlandistiek zich tot de Nederlandse literatuur?

‘Ik herkende me zo weinig in de recensies op mijn vorige boek, het clichébeeld dat heerst van de literatuurwetenschap, dat we in onszelf gekeerd zijn, niet snappen wat literatuur is. Ook dit boek zal bij sommigen wel verkeerd vallen: maar get real, literatuurwetenschap is een serieuze discipline, studenten werken al jaren met zulke modellen om literatuur te benaderen.’

Heeft de ontvangst van De revanche van de roman destijds u beïnvloed bij het schrijven?

‘Niet. Of nauwelijks. Misschien ben ik iets voorzichtiger geworden, maar er zit een significant verschil tussen hoe het in de boekenbijlagen werd besproken en daarbuiten. In het academisch discours is het een van de meest geciteerde teksten op mijn vakgebied van de laatste jaren.’

Een collega van u vertelde dat ze overwoog een boek over Grunberg te schrijven – maar dat ze na de reacties op De revanche van de roman daar misschien liever van afzag.

‘O, haar boek komt er wel. Het wordt heel goed. Het punt is: het is een misvatting te denken dat de literatuurwetenschap een eredienst voor de literatuur is. Ik wil kritische lezers opleiden, die in de complexe literatuur van vandaag een belangrijke rol kunnen spelen. Opdat ze conservator van die literaire cultuur worden, ambassadeur, enthousiasmeur, als dat een woord is. Maar ik ben niet gelovigen aan het opleiden.’

De universiteit is geen seminarie.

‘Ik heb de plicht mijn studenten een academische vorming mee te geven. Als ik nu terugkijk op mijn eigen studie vond ik het een soort veredelde leesclub. Je moet je ongans lezen, maar dat is in principe – het klinkt lullig – bijzaak. Het gaat om vaardigheid, om de cultuur te begrijpen, om in de cultuur een verantwoordelijke rol te spelen. Ik vind niets zo potsierlijk als een wetenschapper die gaat vertellen wat literatuur is en wat niet.’

Vindt u het jammer dat het niet toch een heel academisch boek is?

‘Het is op studenten gericht, omdat het de taak is van de opleiding om deze mensen op te leiden. De letterenopleiding is een academische discipline. Daar is dit een bijdrage aan. Ik wilde geen compromissen sluiten.’

Wat zijn het voor mensen die nu Nederlands studeren?

‘Niet zoveel anders dan vroeger, maar ze leven natuurlijk in een andere wereld.’

Lezen ze minder? Hebben ze minder voorkennis?

‘Hoeveel ze gelezen hebben is vaak zo bepaald door of ze een enthousiaste docent op school hebben gehad. Studenten moet je aanspreken op hun belangstelling voor cultuur en ze laten zien hoe literaire middelen daarin een grote rol spelen. Ik ben heel optimistisch over de gretigheid van mensen tussen de achttien en 25 om zich ook literatuur eigen te maken. Vroeger had je de wettenstellers, de culturele elite die smaakbepalend was. Die werd gevolgd, en had ook een vinger in de pap in het onderwijs. Wat ervoor in de plaats komt is niet alleen maar slecht. Nu heb je de bemiddelaars: de mensen die de cultuur ontsluiten, leraren, critici. Die laten zien waaróm je zou lezen. Het is zo belangrijk dat de vorige voorzitter van de Tweede Kamer, Gerdi Verbeet, te pas en te onpas een gedicht voorlas. Of Matthijs van Nieuwkerk. Dan zit er weer een of andere schrijver bij hem aan tafel in De wereld draait door. Dat soort bemiddelaars spelen nu de rol die lang geleden de kritiek speelde.’

Bent u niet bang voor vulgarisering? De boekhandelaren bij DWDD lijken uitsluitend hysterisch over boeken te kunnen spreken.

‘Ik herken dat wel, maar het lijkt me goed dat zichtbaar wordt gemaakt hoe mensen met literatuur omgaan. Ik geloof dat je kunt vertrouwen op het smaakoordeel van nieuwe lezers. Als die door een schrijver bij DWDD aan tafel een andere schrijver gaan lezen, kunnen ze erachter komen: hé, dat is eigenlijk beter. Of niet.’

Bent u tijdens het schrijven van dit boek op de ‘eigenheid’ van de Nederlandse literatuur gestuit? En wat houdt die in?

‘Literatuur is eigenzinnig. En literatuur is de luis in de pels, al tweehonderd jaar. Je ziet dat de literatuur de functie op zich neemt om te wijzen op de schaduwzijde van de vooruitgang. Dat is fascinerend om te zien, hoezeer teksten de norm zetten voor kritiek op ontwikkelingen in de westerse wereld. Literatuur moet een beetje pijn doen. Maar dat is geen antwoord op je vraag. Ik heb geen antwoord op je vraag. Ik geloof niet dat er een Nederlandse volksaard is die onze literatuur bepaalt – zoals ik ook niet geloof in een Duitse of Franse volksaard. De rol van de schrijver als criticaster is in Nederland niet anders dan in andere Europese landen. Ja, je kunt het hebben over het protestants-christelijke geloof, de invloed daarvan. Maar dat heeft met levensbeschouwing te maken, niet met karakter. En ik zie het meer als een lokaal verschijnsel.’

Ergens schrijft u: ‘Literatuur produceert de werkelijkheid.’

‘Bij alles wat ik in de wereld waarneem speelt mee wat ik gelezen heb. Ik zie dingen niet omdat ze zo zijn, maar omdat ik heb geleerd om ze zo te zien. Schrijvers leren je kijken.’

Dat is precies wat de Britse criticus James Wood schrijft, in zijn veelbesproken essay-in-boekvorm Hoe fictie werkt. En Wood is nu juist zo’n criticus die wel graag de teksten van een schrijver ontleedt, duidt – en in een traditie plaatst.

‘Ja. Dat is wat me aan literatuur interesseert: niet zozeer wat het ís, dat is voor mij wat anders dan voor jullie, maar wat het dóet. De verschillende dingen die het kan doen. Het idee dat er maar één juiste lezing van een roman is, is kul.’


Thomas Vaessens, Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur, Vantilt, 464 blz., € 24,95