Essay: Bestaat er nog iets tussen individu en staat?

Terug naar de schaamte

Tussen individu en staat zit helemaal niets meer. Geen gemeenschap, geen morele autoriteit. Voor de genieter van pornografie is dat bevrijdend. Toch moet je van hem kunnen eisen dat hij zich schaamt voor zijn genot.

Kan iets wat iemand voor zijn eigen genoegen op zijn computer vervaardigt, en dat eventueel aan een ander voor díens genoegen doorverkoopt, strafbaar zijn? We hebben het daarbij over iets wat niemand schade berokkent, ook al behoort het niet tot datgene wat de openbare moraal als bijzonder bewonderenswaardig beschouwt. We hebben het, met andere woorden, over de private ondeugden van individuele burgers.

Volgens een vorig jaar ingediend wetsvoorstel van de inmiddels demissionaire minister van Justitie Korthals, kunnen en moeten bepaalde privé-genoegens strafbaar worden gesteld. Hij beoogt ermee virtuele kinderporno onder het strafrecht te brengen. Niet alleen foto’s en films van werkelijk misbruikte kinderen, maar ook fotocollages waarop dergelijke scènes met de digitale schaar en lijmkwast in elkaar worden gezet, zouden voortaan verboden moeten zijn. In principe is bij dat laatste geen sprake van een slachtoffer. De afgebeelde kinderen zijn niet betrokken geweest bij feitelijke ontucht. Voor zover dat wel het geval is, omdat in het collagewerk gebruik is gemaakt van écht pornomateriaal, valt dit reeds onder de bestaande wet en is daarvoor dus geen wetswijziging nodig.

De argumenten voor het wetsvoorstel zijn grotendeels ontleend aan de Amerikaanse Child Pornography Prevention Act en aan de discussies rond het internationale Cybercrime -verdrag, waaraan, naast Europa, ook de VS en Canada hebben deelgenomen. Die argumenten komen in hoofdzaak op twee punten neer. Ten eerste zal het steeds moeilijker worden echte (kinder)pornografie van virtuele te onderscheiden en zullen pornoproducenten zich gemakkelijk kunnen verschuilen achter het verweer dat hun materiaal slechts virtueel is. Ten tweede zou kinderporno (ook virtuele) een klimaat scheppen waarin pedofielen tot werkelijke ontucht met minderjarigen zouden worden aangezet.

Deze argumenten zijn niet erg overtuigend en de Amerikaanse wet tegen virtuele kinderporno is dan ook onlangs door het Amerikaanse Hooggerechtshof verworpen. Of een uiting geoorloofd is, kan niet afhangen van een andere uiting die ongeoorloofd is, zo vatte Frank Kuitenbrouwer de argumentatie van het hof tegen het eerste punt samen (‘Wet virtuele kinderporno deugt niet’, NRC Handelsblad, 23 april 2002). Het valt bovendien moeilijk in te zien waarom de bewijslast van een pornoboer die zich op ‘virtualiteit’ beroept niet bij hém kan worden gelegd, zonder dat daarvoor het bereik van de strafbaarstelling naar virtuele beelden moet worden uitgebreid. Zo vreemd is het niet, iemand die beweert dat zijn plaatjes door onschuldige huisvlijt tot stand zijn gekomen, te vragen dat ook te staven, bijvoorbeeld aan de hand van de oorspronkelijk gebruikte afbeeldingen.

Het tweede argument is wat lastiger te pareren, maar blijft zwak. Porno, van welke aard dan ook, wekt ongetwijfeld de seksuele honger op, maar dient in de meeste gevallen evenzeer om die te stillen. Net als rond prostitutie is er een eindeloos blijvend debat mogelijk over de vraag of de seksuele criminaliteit in de samenleving groter of kleiner wordt wanneer porno zou verdwijnen. Maar tenzij je het probleem wegdefinieert door prostitutie en pornografie zélf als crimineel te bestempelen, lijkt er weinig reden om aan te nemen dat de seksuele misdaad door een verbod daarop werkelijk zou worden teruggedrongen.

Ten slotte is porno niet de enige prikkel die het onderlijf beroert – zeker in een samenleving waarin vrijwel elk beeld (mode, reclame, televisie) sexy is geworden. De geslachtelijke appetijt zou na de verbanning van pornografie misschien iets minder frequent worden opgewekt, maar dat zou niet opwegen tegen het wegvallen van een ‘geregelde’ en min of meer onschuldige ontlading daarvan, die porno en prostitutie óók mogelijk maken. Zoals rond het prostitutievraagstuk al eeuwenlang op goede gronden wordt vermoed, zou het nettoresultaat voor de openbare deugdzaamheid waarschijnlijk alleen maar negatief zijn.

Kinderpornografie vormt hierop een uitzondering, omdat de vervaardiging daarvan zelf een criminele daad veronderstelt, maar bij de virtuele vorm daarvan is kindermisbruik helemaal niet nodig. De enige schade die de daarop afgebeelde kinderen, die nooit bij welke ontucht dan ook betrokken zijn geweest, daarvan zouden kunnen ondervinden, is dat zij in de ogen van het publiek wel degelijk als echte ‘pornokinderen’ zouden kunnen worden gezien.

In afwijking van de wetgeving in de VS heeft het Canadese hooggerechtshof dan ook besloten dat virtuele kinderporno niet strafbaar is, zolang het materiaal buiten de openbaarheid blijft. De pornopedofiel blijft, met andere woorden, vrij in de private ruimte van zijn gedachten en fantasieën, en mag deze ook in beeld beleven, zolang dat maar kunstmatig en tot die persoonlijke ruimte beperkt blijft.

Dat is een wijs besluit, al zal het nog moeilijk zijn te bepalen waar het private precies in het openbare overgaat. (Valt het ruilen van materiaal via internet daaronder?) De vrijheid van de individuele burger blijft echter gerespecteerd, zonder dat daarbij een beroep hoeft te worden gedaan op het problematische recht op vrije meningsuiting, dat vaak ten onrechte wordt geïnterpreteerd als het recht om alles te zeggen of te tonen wat men wil. Het spook van een ‘gedachtepolitie’ is afgewend en de liberale vrijheidsgedachte zegeviert, die zegt dat alles is geoorloofd wat een ander geen schade doet of waarmee die ander niet uitdrukkelijk en bij zijn volle verstand heeft ingestemd.

Maar toch: onderhuids knaagt er iets aan die overtuiging. Er klopt iets niet in het beeld van de mens en zijn samenleving dat aan deze liberale gedachte ten grondslag ligt. De huiver die menigeen zal bevangen bij het idee dat mensen zich verlustigen aan pornografische afbeeldingen van kinderen, zelfs al zijn ze virtueel, kan niet worden afgedaan als loutere bemoeizucht of seksueel ressentiment. Hij drukt een afkeer uit jegens gevoelens, verlangens en praktijken die wij onze samenleving onwaardig achten en waardoor wij ons, hoezeer ze ook behoren tot de private sfeer van een ander, aangetast en bezoedeld voelen.

Dat sentiment heeft in de visie van het liberale individu – en van de wetgeving die uitgaat van de strikte scheiding tussen het publieke en het private – geen bestaansrecht. Het wortelt in een dimensie die uit beide is weggefilterd: die van de morele gemeenschap waartoe het individu niet alleen behoort, maar die het individu ook overstijgt en het tegelijkertijd mede vormt. Die gemeenschap, die in pre-moderne samenlevingen in veel opzichten de primaire werkelijkheid was, is in de moderniteit vervluchtigd, ongrijpbaar geworden en ten slotte rechteloos geworden. Rechtspersonen zijn alleen individuen – of collectieven wier gewicht samenvalt met de som van de samenstellende delen. De gedachte dat het maatschappelijke collectief een eigen waarde en eigen morele rechten zou kunnen hebben, is teloorgegaan in de moderniteit, die de afwijzing daarvan zelfs als een van haar belangrijkste kenmerken en verworvenheden beschouwt.

Het resultaat is een situatie waarin het individu met zijn rechten en zijn (de laatste decennia nogal onderbelichte) plichten staat tegenover een abstracte staat, met zíjn rechten en plichten, die het spiegelbeeld vormen van die van het individu. Verdwenen is daaruit de realiteit van de gemeenschap, die niet wordt erkend, ook al laat ze zich feitelijk uiteraard voortdurend gevoelen. Want hoezeer het individueel liberalisme ook moge hebben getriomfeerd, een mens is nog altijd evenzeer een sociaal wezen als een ego-met-welbegrepen-eigenbelang.

Al datgene wat tussen staat en individu in zit, en waarin de socius met zijn specifieke deugden van liefde, genegenheid en loyaliteit de hoofdrol speelt, is dan ook bezig langzaam te vervluchtigen in de liberale mensvisie én de rechtsorde die zich daarop oriënteert. Zichtbaar wordt dat in zulke uiteenlopende fenomenen als de afnemende plaats van huwelijk en gezin als specifieke sociale gestalten met eigen rechten, en in Margaret Thatchers beruchte uitspraak: ‘There is no such thing as a civil society.’

Hoezeer deze visie botst op de werkelijkheid, werd een paar jaar geleden duidelijk toen minister Borst een verbod uitvaardigde op kooigevechten van mensen. Van onvrijwilligheid was bij deze evenementen geen sprake. Alle deelnemers waren ten volle bereid de gevolgen daarvan te aanvaarden en de toeschouwers wisten wat hun te wachten stond. Toch werden deze gevechten-zonder-regels verboden, net als eerder het uit Australië overgewaaide ‘dwergwerpen’, omdat ze in strijd werden geacht met de waardigheid van de samenleving als geheel.

Dat verbod werd in brede kring ondersteund. Kennelijk kennen wij de gemeenschap wel degelijk een moreel gewicht toe, hoe ongrijpbaar en vluchtig zij voor de wet en voor het individueel liberalisme ook is. Er zijn handelingen, praktijken en uitspraken die de sociale werkelijkheid op aanstootgevende wijze verlelijken en bezoedelen – ook al behoren ze onbetwistbaar tot de private vrijheid van het individu en zouden ze op grond daarvan rechtens niet kunnen worden verboden. Uit deze werkelijkheid komt onze instinctieve afkeer tegen virtuele kinderporno voort.

Het is echter de vraag of dat gewicht van de gemeenschap ook in het recht een plaats moet krijgen. Dat betekent namelijk dat de gemeenschap een rechtspersoon is die kan aanvoeren dat hij van deze private ondeugden indirect maar reëel schade ondervindt.

Juridisch lijkt dat een moeilijke onderneming binnen een rechtsbestel dat uitgaat van een geheel andere rolverdeling en bestand aan spelers. Het is bovendien de vraag of het uiteindelijk veel zou uitmaken. Wetgeven valt nu eenmaal niet samen met moraal, maar wordt ook gestuurd door pragmatische overwegingen van de mogelijkheid van wetshandhaving en de vraag of het middel niet erger is dan de kwaal. Alles afgewogen lijkt het Canadese standpunt nog het meest reëel en werkbaar.

Maar voor de ideologische blik waarmee we naar het individu en de samenleving kijken, gelden dergelijke pragmatische beperkingen niet. Verre van te moeten streven naar een – in de woorden van minister Jorritsma – volledige ‘privatisering van het ik’, zou het denken over de mens in zijn gemeenschap opnieuw ruimte moeten geven aan de collectieve dimensie van het ‘ik’ als socius. Alleen dan ontkomt het aan een mens visie die weliswaar de charme van de eenvoud heeft, maar daarvoor de niet minder belangrijke waarde van de realiteitszin moet inleveren. Een politiek die zich daardoor laat leiden, koerst af op een voortdurende frictie met de werkelijkheid die ze niet wenst te onderkennen en maakt zichzelf op termijn tot een uiterst schadelijke factor.

Het is, met andere woorden, tijd voor een herwaardering van de sociale gebondenheid en afhankelijkheid van het individu, dat zich na de overwinning van het liberalisme al gevaarlijk ver van de gemeenschap heeft verwijderd en geïsoleerd. Het is niet verwonderlijk dat de oproep daartoe vooral in christelijke kring wordt gehoord – recentelijk in het voorstel van de Christen Unie een grens te stellen aan de ontbindbaarheid van het huwelijk. Aandacht voor het eigen gewicht van de instituties in het ‘maatschappelijk middenveld’ behoort van oudsher tot hun terrein, vooral sinds het socialisme zijn emancipatieopdracht een individueel-liberale draai heeft gegeven en de socius (waaraan het zijn naam dankte) lijkt te hebben prijsgegeven.

Een dergelijke omslag heeft echter verregaande implicaties, die weleens pijnlijk zouden kunnen worden. Want de samenleving mag dan wel uit éigen recht eisen verschoond te blijven van virtuele kinderporno (waarna de wetgever deze in zijn pragmatische wijsheid tolereert binnen de private ruimte van het individu, onzichtbaar voor het publiek), maar geldt dat ook niet voor pornografie in het algemeen? Niet vanwege het moeilijk vol te houden feministische argument dat pornografie intrinsiek vernederend zou zijn voor vrouwen, maar omdat het maatschappelijk fatsoen eist dat de daarin getoonde en beschreven handelingen buiten de openbare vertoning blijven en als louter lustschouwspel een affront zijn voor de liefdesbetekenis daarvan?

Zelfs degene die zich graag aan pornografisch materiaal verlustigt, en zich het private genot daarvan niet zou willen en wellicht zelfs slechts met moeite zou kunnen ontzeggen, mag die moeilijke vraag niet ontlopen. Heeft de gemakkelijke verkrijgbaarheid en publieke zichtbaarheid van de pornografie de maatschappelijke gevoeligheid al niet te zeer gebruuskeerd of zelfs afgestompt? Anders dan het gezegde van Mandeville wil, is hier de private vice in elk geval geen public virtue geworden. Het valt moeilijk in te zien hoe de pornografisering van de openbare ruimte – die in de reclame bezig is zichzelf ‘respectabel’ te maken – tot de civilisering van de samenleving bijdraagt.

Het morele gevoel van de gemeenschap zijn recht teruggeven, betekent een eerherstel van de schaamte, zelfs wanneer men zich de praktijken waarover men zich schaamt niet ontzegt. Het liberale individu heeft ongetwijfeld het volste recht om in de kiosk, naast de krant en het beursblad, zijn pornografie te kopen. Maar de socius zal dat slechts met rood hoofd doen – en zo hoort het ook. Het beste nog kan hij zich verwezen zien naar de buurten en winkeltjes die van oudsher de marge van de samenleving vormen. Geen openbaar fatsoen kan het stellen zonder dubbele moraal, maar geen socius kan het stellen zonder openbaar fatsoen.

Alleen het individu kan dat niets schelen. Hij is zuiver, hoeft zich niet te schamen voor de uitoefening van zijn onvervreemdbare rechten. Maar hij veroordeelt zichzelf met zijn loochening van de gemeenschap en haar gevoeligheden wel tot een eenzaamheid die de mens op den duur niet uithoudt. Slechts zijn zojuist – naast ochtendkrant en beursblad – onbezorgd aangeschafte pornografie biedt hem daarvoor nog enig, kunstmatig soelaas.