Hoofdcommentaar

Terug naar de toekomst

Voor de gesproken versie: klik hier

Vorige week vrijdag zaten de twee bekendste cda-kiezers uit de pvda netjes naast elkaar bij het afscheidssymposium van Paul Kalma als directeur van de Wiardi Beckmanstichting, het wetenschappelijk bureau van de pvda. Ze waren allebei door andere verplichtingen te laat, zodat ze stil maar niet onopgemerkt de zaal konden binnenschuifelen. Maar ze verscholen zich niet: Jos de Beus en Paul Scheffer, die vaak worden voorzien van het epitheton ‘ideoloog’ maar bij de Tweede-Kamerverkiezingen vorig jaar op het cda, althans op Piet Hein Donner, hebben gestemd en daarvan ook publiekelijk kond hebben gedaan, althans De Beus.

Hun populariteit in eigen kring is door dit wijkende stemgedrag niet gestegen. Loyaliteit is voor politieke partijen nog altijd een deugd. Maar het duo heeft binnen de pvda een grotere slag geslagen dan wordt erkend. De politieke en zelfs ideologische convergentie tussen de christen-democratie en de sociaal-democratie is sinds de jaren vijftig namelijk niet meer zo groot geweest. Deze convergentie spat van het regeerakkoord af. Samen werken, samen leven is daardoor zowel qua vorm als qua inhoud niet schreeuwend inspirerend. Het is heel anders dan Joop den Uyl, die in 1973 bijbels vaststelde dat het volk omkomt waar visie ontbreekt.

Vandaar dat de mediamieke intelligentsia de 53 pagina’s snel door de gehaktmolen draaide. Politiek logisch en esthetisch terecht ook. ‘We leven in een dynamische tijd.’ ‘Optimisme en zorgen gaan hand in hand. Groot is de behoefte aan houvast, geborgenheid en een herkenbare eigen identiteit.’ ‘Het is nodig een nieuwe balans te vinden tussen dynamiek en zekerheid.’ Zulke zinswendingen nodigen inderdaad uit tot superieur sarcasme.

Maar grappenmakerij is zinloos. Want op de achtergrond speelt een ontwikkeling die haar wortels heeft in de rooms-rode coalitie van Lubbers tussen 1989 en 1994 en nu tot bloei komt. Onder de paarse coalitie van pvda, vvd en d66 kreeg de neiging ruim baan om het politieke domein te depolitiseren. De openbare ruimte werd vanaf de zogeheten ‘bruteringsoperatie’ in de volkshuisvesting – waarvoor cda-staatssecretaris Heerma overigens verantwoordelijk was – successievelijk verzelfstandigd of geprivatiseerd. De paarse periode veinsde een apolitieke houding, maar was op de keper beschouwd een uiting van wantrouwen in de staat, die bovendien ook ontmanteld kón worden omdat de Koude Oorlog ten einde was.

Paars werd Pim. Apolitieke politiek werd antipolitieke politiek. Of beter, deed alsof. Om de dreiging van echte antipolitiek te smoren, openden de kabinetten-Balkenende II en III de aanval op de overheid door allerhande verantwoordelijkheden terug te brengen naar de goedwillende individuele burgers, zodat ruimte ontstond om de kwaadwillende beter mores te leren. De coalities waren in zekere zin scheel. Het ene oog loenste naar de ontketende markt waar de vrije jongens zich thuis moesten kunnen voelen, het andere naar een bevelscultuur die de minder geïndividualiseerde gelovigen in de houding zette. Het sociaal-economische domein werd gedereguleerd, in het sociaal-culturele kreeg staatsdwang juist weer een kans.

Balkenende IV maakt nu de cirkel rond. Dat heet ook wel stagnatie. Het regeerakkoord ademt geen rooms-rood maar gristelijk-sociaal. Het antirevolutionaire evenwichtsdenken van Balkenende en Rouvoet heeft zich moeiteloos opengesteld voor het personalistisch socialisme van Bos. Wie het akkoord leest en denkt de auteur van de ene of andere passage te kennen, komt bedrogen uit. Qua geld zijn er compromissen gesloten, sociaal-cultureel is er sprake van consensus. Noem het cultureel conservatief, denk aan spruitjes of aan regressie: het mag allemaal en het is allemaal ook waar. Maar het doet er niet toe. De ‘vrijheid in gebondenheid’ van ds. Banning is bezig aan een glorieuze comeback.

De vraag rijst welke oppositie dit kabinet oproept. Het is niet te boud om te voorspellen dat de nationaal-liberale beweging, zoals vertolkt door Geert Wilders en Rita Verdonk, en de principiële vrijzinnigheid van Alexander Pechtold en Femke Halsema wel raad moeten weten met die vrijheid in gebondenheid. Indachtig de Britse psychiater Theodore Dalrymple eisen de nationaal-liberalen van de onderklassen dat die hun kinderen op een christelijk tijdstip naar bed sturen, terwijl ze van hun eigen dochters ’s ochtends niet weten of ze nog in bed liggen of nog niet thuis zijn, hetgeen toch een belangrijk verschil is. Ze schamen zich niet voor hun dubbele moraal over ‘hullie’ en ‘zullie’ en kunnen dus vol in de aanval.

De vrijzinnige of radicale democraten op hun beurt bekreunen zich wel om de spanningen in de trits ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’, waarbij het laatste woord in linkse kring meestal met ‘solidariteit’ wordt vertaald. Ze proberen het dilemma echter zo lang mogelijk te ontlopen. Pas met het mes op de keel kiezen ze voor vrijheid, omdat de vrije mens een beter mens is en dus ook beter in staat tot broederschap. GroenLinks zou de kans dus kunnen aangrijpen om zich op te werpen als tolk van hen die nog niet ‘voorbij de vrijheid’ willen zijn, ware het niet dat GroenLinks sinds de verkiezingsnederlaag in eigen kring zo onbeleefd en ordinair ruzie maakt dat ze zichzelf besmeurt.

Blijft over de SP. De positie van de grootste oppositiepartij is door het christelijk-sociale regeerakkoord ineens een stuk gecompliceerder geworden dan het er op 23 november naar uitzag. De SP is de partij van de onderwijzers, verpleegkundigen, van de professionals van weleer, die door de globalisering aan status verliezen en zich gedegradeerd voelen. Het zijn deze ambachtslieden in de kwartaire sector die komende jaren mogelijk worden bediend met geld en goede woorden. Ze verdienen weliswaar een breder vergezicht. De professionals in de (semi)publieke sfeer hebben immers een groter probleem dan inkomen en zekerheid. De kwaliteit van hun arbeid staat op het spel door de voortdurende ‘proletarisering’ van hun vak dat nooit lopende band was maar dat nu wel dreigt te worden. Maar intussen worden ze komende jaren wel bediend.

Balkenende IV is ideologisch veel stabieler dan de eerste drie van de premier, vooral omdat zijn pretenties zo bescheiden, om niet te zeggen, bescheten, zijn.

Medium reactie

……………………………………………………………………………………………………………………

De positie van de SP is helemaal niet gecompliceerder geworden. Politiek bedrijf je niet slechts in de coalitie maar vooral daarbuiten. De SP is de enige politieke organisatie van Nederland omdat ze durft haar beslissingen ook buiten het parlementaire spectrum kracht bij te zetten. In Frankrijk heb je sinds jaar en dag l'Organisation Politique, die buiten de politieke arena politiek bedrijft door op te komen voor illegalen en andere aandeellozen. De kortzichtige analyse van de redacteur geeft weer eens aan hoe armoedig het is gesteld met de nederlandse journalistiek van dit moment. Geen felle betogen, geen intellectuele revolte. Slechts abstract heen en weer geschuif. Wanneer zelfs de Groene Amsterdammer weigert een opinie te vormen laat ik voortaan hier in Parijs de Nederlandse pers definitief links liggen.

reactie: Belinda Blanchot, maandag 19 februari 2007

……………………………………………………………………………………………………………………