Terug naar eros en thanatos

Monika Maron, Animal triste. Vertaling Nelleke van Maaren, uitg. Atlas, 176 blz., 335,-
SPEELT de mens spelletjes met het geheugen of speelt het geheugen spelletjes met de mens? Het is beide mogelijk, maar in Animal triste, het eerste in het Nederlands vertaalde boek van de Duitse Monika Maron, is vooral het eerste aan de orde. De naamloze ik probeert hardnekkig de regie over haar geheugen te voeren. Van spelletjes is trouwens geen sprake. Het is haar ernst. Ze compenseert haar civiele dood met een reconstructie van een liefde die er zijn mag. Daarom laveert ze al denkend tussen vergeten-zijn en zich-niet-willen-herinneren.

Aan het slot van haar monoloog zit ze terneer als een apin, het gezicht stomp, de lange armen om zich heengeslagen. Dat beeld van ontreddering zal iedereen herkennen die ooit alleen bleef na de ongewenste verdwijning van een bedgenoot, maar het roept meer op. De vertelster is een dier geworden, het lustdier dat iedereen in zich draagt maar dat zij tartte door zich er met huid en haar aan uit te leveren. Nu laat het zich niet meer uitbannen en zij wil dat niet eens. Haar uitlevering hing immers samen met een wijsheid die haar ooit in een even toevallige als noodlottige flits werd geopenbaard.
OP HAAR vijftigste liep er iets spaak in haar hoofd en na een bijna-doodervaring wist ze dat er maar één zonde bestaat: doodgaan terwijl je de grote liefde bent misgelopen, zoiets als wat Borges zei in een van zijn bekendste gedichten. Dat mag discutabel zijn, door haar wordt alles op dit inzicht afgestemd. Als zij een jaar later op ene Franz stuit, weten beiden dadelijk dat het menens wordt.
Hun eerste ontmoeting vindt plaats onder het geraamte van een brachiosaurus in het natuurhistorisch museum waar zij werkt. De dinosaurus heeft altijd die ene vraag losgemaakt: waaròm is hij uitgestorven? De vertelster vindt die vraag vreemd, want alles sterft ooit. Haar intrigeren eerder de sporen van dat prehistorische dier, precies zoals zij de sporen van haar verhouding met Franz onderzoekt. Het geraamte werpt zijn schaduw over het begin van hun liefde. Een prachtig dier, stellen ze vast. Ze zijn vervuld van de triomf bij elkaar te horen en zien hun eigen toekomst als skelet onbevreesd tegemoet.
Maar er is een andere doem die het paar bedreigt. De mens sterft als het z'n tijd is. Dramatische liefdes komen echter meestal voortijdig aan hun eind. Eros en Thanatos horen bij elkaar, kijk de literatuurgeschiedenis er maar op na. Een beetje geliefde deinst daardoor niet terug, maar bij leven afscheid nemen van de ander, dat nooit. Niet voor niets wordt Amazonenkoningin Penthesileia (‘De geliefde voor je winnen òf sterven’) aangehaald. Als Franz korte tijd op reis gaat met zijn wettige vrouw, breekt de hel los waar eerst hemel was.
De vertelster is geobsedeerd door Franz. Zijn naam valt tien keer op een pagina, alsof hij het enige is wat er toe doet. Het vorige leven van de vertelster - haar man, kind, wetenschappelijke ambities - is geweken en ook Franz’ achtergrond zal worden geofferd, vermoeden we, al is hij niet hysterisch, zoals zij. Zij is honderd procent in zijn ban en vertoont de daarbij behorende kenmerken, zoals zelfvervullende angst voor verlies en ziekelijke jaloezie. Ze post bij zijn huis, stelt zich voor wat hij met zijn vrouw doet, zoekt dit verachte wezen zelfs op. Je kunt beschaafd zeggen dat zij hunkert naar geluk, maar dat woord is te kalm voor wat er gaande is. Dit is passie onder hoogspanning.
Wanneer het verhaal wordt verteld, is niet helemaal duidelijk. Vergetelheid en vervorming kunnen voor iets positiefs staan, misschien wel voor redding. De vertelster zegt dat ze haar ogen bewust heeft verpest door jarenlang de bril van haar geliefde te dragen. Ze is geboren tussen twee bombardementen in de laatste Wereldoorlog, weten we. Haar liefde met Franz, weten we ook, begint kort na de val van de Berlijnse Muur. Zij woonde in Oost, hij in West. Het gaf hun liefde de smaak van bevrijding. Zij moet inmiddels zeker halverwege de vijftig zijn, en misschien zitten we al in de eenentwintigste eeuw. Zij weet zelf niet meer hoe oud ze is. Als het ritme in een leven wegvalt, verandert ook de factor tijd van aard.
De Muur fungeert het hele boek door onnadrukkelijk als symbool. Als er een tweede muur opduikt, die van Hadrianus in Noord-Engeland die Franz en zijn vrouw bezoeken, reageert de vertelster desolaat. Ze verdraagt niet dat hij weg is met een ander, maar haar verwart nog het meest dat die verre muur op de een of ander manier hoort bij de beschaving en de Berlijnse, hùn muur, bij de barbarij, bij de naweeën van de 'bendeheerschappij’, zoals ze het voormalige DDR-communisme typeert. Ze verzet zich tegen dergelijke signalen uit andere tijden en plekken, omdat ze de hare betrekkelijk maken. Wat ze doet ligt voor de hand: ze belt naar alle hotels langs de Hadrianusmuur om te achterhalen waar Franz zit, en als hij haar belt, vraagt ze na zijn verzekering dat hij niet met zijn vrouw slaapt, alleen schamper of hij tenminste niet wil liegen. Ze is haar vanzelfsprekendheid kwijt, en dan loopt het mis.
Na Franz’ verdwijning zal zij de rest van haar leven, hoe lang dat ook is, door de herinnering aan hem beheerst blijven. Zij is het animal post coïtum triste, het mensdier dat na de paring onherroepelijk wegglijdt in droefenis. Het kost haar geen moeite Franz terug te denken tussen de vleesetende planten op haar beddek, en in haar kast bewaart ze het zwarte laken met zijn laatste spermavlekken. De dood is het enige wat haar nog zal overkomen, maar haar grote liefde heeft ze tenminste gehad.
Dat de dood het hele boek door al aanwezig bleek te zijn, en dan niet alleen in figuurlijke zin, ontdekken we pas op de laatste bladzijde, waarna het voorgaande in een nieuw licht komt te staan. Over zo'n slot valt te twisten, maar ik vind het sterk, zoiets als het slot van Frida Vogels I, toen pardoes werd onthuld dat er een frigide vrouw aan het woord was geweest, waarna alles ineens op een àndere manier klopte.
MARONS vertelster is geologe, wat de schrijfster gelegenheid biedt terloops exacte weetjes in de monoloog te stoppen. Dat stoort geen seconde, integendeel. Het tilt de intimistische materie uit boven het al te persoonlijke of romantische en geeft er meer dimensie aan. De taal is overigens nooit mooiig maar juist analytisch op een manier die schrijnt, gezien de krimpende plaats voor de rede in het boek. Ook de verwijzingen naar de filosofie (Darwin, Freud) en literatuur (Kleist, de tragedies) zijn functioneel verwerkt.
De actuele politiek ontbreekt niet. Als je wilt kun je het vertelde zelfs politiek interpreteren en er de schrijfster, gezien haar welbekende vroegere Stasi-rol, op aankijken dat zij het verleden met haar pleidooi voor vergetelheid bagatelliseert. Maar Maron is om te beginnen niet gelijk te stellen aan de vertelster en ze heeft hoe dan ook recht op het verhaal dat zij kwijt wil. Ik zeg dit heel makkelijk omdat ik het zo'n geslaagd boek vind.
Er valt veel meer over Animal triste te zeggen. In het begin roept de thematiek associaties op met Duras, maar Maron is interessanter en nooit vals, al laat ze de sentimenten rijkelijk stromen. In haar vorige, al even sterke en subtiele roman, Stille Zeile Sechs, speelden de politiek en de voormalige DDR een grotere rol, zij het ook daar vooral als decor bij individuele passies. Het is te hopen dat deze voorganger eveneens wordt vertaald, en dan graag weer door Nelleke van Maaren, die Animal triste zo overtuigend aan ons heeft overgeleverd.
De jury, bestaande uit Rob van Erkelens, Barber van de Pol, Marc Reugebrink en Jacq Vogelaar, koos Animal triste van Monika Maron tot Groene-boek van de maand mei. De drie andere boeken die meedongen, waren:
William Gibson, Idoru (vertaald door Peter Cuijpers, uitg. Meulenhoff, 256 blz., 330,-, na 1 juli 334,90): De uitvinder van de cyberpunk zet zijn karakteristieke weg voort. De roman speelt zich af in een high-techsamenleving waarin de media de totale macht hebben. In een dictatuur van het amusement verliezen mensen geleidelijk hun menselijkheid. De hoofdpersoon overweegt dan ook een huwelijk met een 'idoru’, een in virtual reality gecreëerd wezen. Minder SF dan het lijkt.
Jan Baeke, Nooit zonder de paarden (uitg. De Bezige Bij, 44 blz., 332,50): In diffuse stadsbeelden duiken paarden op, bijvoorbeeld op een caféstoel, achter het raam waardoor wij kijken. Belichamen zij sterke drijfveren zoals agressie of vitaliteit? Suggestie bepaalt de kracht van de gedichten in deze debuutbundel.
Anne Michaels, Verborgen verleden (vertaling: May van Sligter, uitg. Anthos, 314 blz. 339,90): Een roman over de nageschiedenis van de jodenvernietiging: hoe levenslopen verbogen en afgebroken werden, hoe herinneringen naasten en nazaten kunnen teisteren. Michaels heeft daarvoor vruchtbare metaforen gevonden in de geologie en de metereologie.