Essay: Albert Camus De vriendschap met Jean-Paul Sartre

Terug naar het onbezorgde leven

Na een vriendschap van tien jaar raakte Albert Camus onherstelbaar gebrouilleerd met Jean-Paul Sartre. Camus vond totalitaire regimes een gruwel en bepleitte ‘het einde van de ideologieën’. Maar Sartre verheerlijkte het sovjetregime.

Medium essay camus

Albert Camus en Jean-Paul Sartre ontmoetten elkaar in juni 1943, tijdens een opvoering van Sartre’s toneelstuk De vliegen. Ze kenden elkaars werk. Camus had een enthousiast artikel geschreven over Sartre’s roman Walging (1938). Hij vond dat de schrijver daarin de absurditeit van het menselijk bestaan weergaloos had verwoord. Sartre had de loftrompet gestoken over De vreemdeling en De mythe van Sisyphus van Camus (1942) waarin, vond hij, de vervreemding van de moderne mens buitengewoon knap was weergegeven. Er ontstond een vriendschap die bijna tien jaar duurde.

Albert Camus werkte voor Combat, het verzetsblad waarvan hij eind 1943 hoofdredacteur werd. Hij bood Sartre aan om artikelen te schrijven over de op handen zijnde bevrijding. Sartre accepteerde dat aanbod gretig en schreef een aantal prachtige reportages die, naar later is gebleken, door Simone de Beauvoir zijn geschreven.

Sartre wilde dolgraag deelnemen aan het verzet. Hij deed een onhandige poging tot het opzetten van een verzetsgroep, maar die mislukte. Hij was niet geschikt voor verzetswerk of, zoals een verzetsman opmerkte: ‘Hoe kun je ook onderduiken als je zo'n kop hebt en zo'n scheefstaand oog.’

Na de oorlog werden Sartre en Camus woordvoerders van het bevrijde Frankrijk. Camus bouwde Combat uit tot het meest invloedrijke linkse dagblad. Sartre richtte Les Temps Modernes op, het tijdschrift dat lange tijd als het geweten van links Frankrijk werd beschouwd.

De eerste moeilijkheden dateren uit de periode vlak na de bevrijding. Sartre introduceerde het begrip 'engagement’. Hij illustreerde dat in de romanreeks De wegen der vrijheid (drie dikke delen, waarvan er twee in 1945 verschenen) en toneelstukken als Vuile handen (1948), waarin hij helden opvoerde die stelling nemen tegen onderdrukkende regimes. Camus stond model voor deze geëngageerde held in oorlogstijd, maar Sartre noemde hem niet en vestigde alle aandacht op zichzelf, tot ergernis van Camus.
In november 1946 publiceerde Les Temps Modernes een artikel van Maurice Merleau-Ponty dat een jaar later als boek werd uitgegeven onder de titel Humanisme et terreur. Camus beschuldigde Merleau ervan de schijnprocessen te rechtvaardigen die in die jaren in Moskou werden gevoerd. Merleau verdedigde zich, Sartre sprong hem bij. Camus was woedend op Sartre. De ruzie werd nooit helemaal bijgelegd.

Wat was het probleem? Merleau, een van de medeoprichters van Les Temps Modernes, bracht in zijn artikel het gebruik van geweld ter sprake. Geweld kan worden gerechtvaardigd, zei hij, als het wordt ingezet ter wille van een betere samenleving. Merleau noemde dit 'vooruitstrevend geweld’. Het mocht worden gebruikt door systemen 'waarin het geweld zijn eigen opheffing nastreeft en zich ten doel stelt zichzelf te overstijgen in plaats van zich te bestendigen’. Je gelooft je ogen niet als je het leest, maar het staat er echt en het is des te treuriger als je weet dat met deze 'systemen’ het Stalin-regime wordt bedoeld.

Camus stelde zich tegen deze onzin teweer met een reeks artikelen in Combat. Hij waarschuwde voor de staatsterreur van totalitaire regimes, of die nu van fascistische of communistische signatuur waren - dat was volgens Camus lood om oud ijzer - en hij pleitte, volgens mij als eerste, voor 'het einde van de ideologieën’.

Onderwijl werkte hij aan een essaybundel waarin hij stelling nam tegenover Les Temps Modernes, dat zich steeds welwillender opstelde tegenover het communisme en het sovjetregime. L'homme révolté (De mens in opstand) verscheen in de zomer van 1951.
Wat bedoelt Camus met opstand? Hij maakt dat duidelijk door opstand tegenover revolutie te stellen. Revolutie berust op het geloof dat maatschappelijke omwentelingen een ontwikkeling in de geschiedenis op gang brengen waarvan het uiteindelijke resultaat de klassenloze maatschappij (of een andere ideale samenleving) is. Revolutie berust met andere woorden op het vertrouwen dat de geschiedenis een richting en een doel heeft, twee woorden die in het Frans samenvallen in het enkele woordje 'sens’.
De polemiek tussen Camus en Sartre richt zich nu op de vraag of de geschiedenis een 'sens’ heeft. Camus ontkent dat in alle toonaarden. De vreemdeling en De mythe van Sisyphus zijn geschreven vanuit de overtuiging dat het leven 'absurd’ is, dat wil zeggen richting en betekenis mist.
In De mens in opstand beschuldigt Camus totalitaire regimes ervan de mythe in stand te houden dat we op weg zijn naar het beloofde land. Deze mythe is ons aangepraat door een lange traditie die met het christendom begon en werd voortgezet door Kant, Hegel en Marx, met als enig verschil dat deze drie het beloofde land niet langer in de hemel projecteren zoals het christendom, maar op aarde. Voor de rest komen ze overeen, zowel wat betreft de overschatting van het einddoel van de geschiedenis als de geringschatting van het heden waarin we leven. Deze geringschatting wordt sinds Hegel aangeduid met het begrip 'negativiteit’. Negativiteit betekent dat de mens in het heden ontberingen moet doorstaan ter wille van een toekomst die gloort achter de horizon.

Totalitaire regimes brengen miljoenen mensen om het leven met het argument dat het doel (het duizendjarig rijk of de klassenloze maatschappij) de middelen heiligt. Camus verzet zich daar met hand en tand tegen. 'Ze zeggen dat het doel de middelen heiligt. Maar wie heiligt het doel?’

Tegenover de revolutie stelt Camus de opstand. Opstand is heel wat anders dan revolutie. Opstand is het verzet van de mens tegen zijn 'condition humaine’, tegen de zinloze ziekte, ellende, oorlog en dood, kortom tegen de absurditeit van het bestaan. Camus gelooft dat de mens gemaakt is voor geluk, voor een leven in harmonie met de natuur en met zijn medemens. Volgens hem verkeerde de mens oorspronkelijk in een paradijselijke staat, maar is hij daaruit verbannen door een 'val in de geschiedenis’. Veel scènes in het werk van Camus spelen zich af aan het strand in een sfeer van zon, zee en onbezorgde vriendschap. In deze gelukkige herinneringen aan zijn jeugd in Algerije projecteert Camus de paradijselijke oerstaat van de mens. De opstand is gericht tegen de verwording van dit ideaal en een poging ons bewust te worden van onze oorspronkelijke en natuurlijke staat. >

De mens in opstand werd in eerste instantie door Les Temps Modernes genegeerd. Men wist eenvoudig niet wat men met het boek aan moest. Uiteindelijk schreef Francis Jeanson (een briljante leerling van Sartre) een kritiek waarin hij Camus verweet de politieke realiteit te negeren voor een schimmig ideaal. Camus, die gehoopt had op een debat waarin Sartre hem met serieuze argumenten zou bestrijden, voelde zich gekwetst dat hij niet te woord werd gestaan door Sartre zelf, maar door een van zijn onderknuppels. Hij schreef een brief op hoge poten aan 'de directeur van Les Temps Modernes’. Sartre publiceerde deze brief, samen met een antwoord van hemzelf en een dupliek van Jeanson. In zijn twintig bladzijden tellende stuk veegde Sartre de vloer aan met Camus. De mens in opstand was filosofisch niet onderbouwd, zei hij; het was een ratjetoe van commentaren op auteurs waarvan Camus alleen uit de tweede hand, in de vorm van samenvattingen, kennis had genomen. Camus eigende zich ten onrechte de rol toe van vertegenwoordiger van het proletariaat. Hij gebruikte een aanmatigende, wollige en ondoorzichtige stijl; de moraal die hij als alternatief aandroeg was een padvindersmoraal.

Sartre had op alle punten gelijk, maar op één punt bleef hij Camus het antwoord schuldig en dat was het hoofdpunt. Sartre gaat niet in op de vraag of de geschiedenis een 'sens’ heeft. Leidt de geschiedenis naar een doel? Heiligt dat doel het gebruik van geweld? Van geweld op grote schaal zoals in de Siberische strafkampen? Op deze vragen gaat Sartre niet in.

Achteraf gezien zegt dit zwijgen het meest. Vlak na de botsing met Camus en het verbreken van hun vriendschap maakte Sartre een zwenking naar links. In 1952 verklaarde hij zich solidair met de Franse Communistische Partij en met het sovjetregime. Naar aanleiding van een reis naar de Sovjet-Unie in 1954 verklaarde hij: 'Ik ben daar mensen van een nieuw soort tegengekomen. De enige banden die ik me met hen kan voorstellen zijn vriendschapsbanden. In de USSR heerst volstrekte vrijheid van meningsuiting. Het belang van het individu en dat van de gemeenschap vallen er samen.’ Sartre’s houding was beschamend. Niet alleen vergoelijkte hij de Stalin-dictatuur, hij handelde ook in strijd met zijn eigen filosofische standpunten.

In Het zijn en het niet had Sartre een wereldbeeld uiteengezet waarin de intermenselijke relaties het karakter hebben van een strijd op leven en dood: de 'ander’ is mijn aartsvijand. Sartre werkte deze filosofie uit in Critique de la raison dialectique (1960), een in taai vakjargon geschreven vervolg op Het zijn en het niet. Hij paste zijn pessimistische mensvisie nu toe op samenlevingen die volgens hem een reactie zijn op een oersituatie waarin iedereen het met elkaar aan de stok heeft en die het kenmerk heeft van een 'oorlog van allen tegen allen’.
Samenlevingen kunnen volgens Sartre alleen ontstaan als er iemand van buiten wordt aangesteld aan wie de leiding wordt overgedragen zodat de leider het zooitje ongeregeld kan omsmeden tot samenleving. Samenlevingen zijn namelijk niet in staat om uit zichzelf de sprong te maken van het 'ik ben’ van de 'moleculaire wanorde’ (Sartre’s woorden) naar het 'wij zijn’ van de broederschap. Alleen een buitenstaander kan dat en hij wordt de onbetwiste heerser, omdat hij het is die de samenleving organiseert en belichaamt.

Sartre’s redenering lijkt sprekend op die van Lenin. De communistische partij organiseert volgens Lenin het proletariaat. Het is de partij die de ongeorganiseerde menigte arbeiders omsmeedt tot een sociale klasse. Zonder partij zijn de arbeiders een vormloze en onderling verdeelde massa. Sartre doet daar nog een schepje bovenop. Niet alleen bestaat de klasse dankzij de partij; de partij op haar beurt bestaat dankzij de dictator die geen verantwoording schuldig is aan de partij, net zo min als de partij verantwoording schuldig is aan het proletariaat. Sartre’s Critique rechtvaardigt dus niet alleen de alleenheerschappij van de partij, maar ook van dictators als Stalin.

Nu had Sartre in Het zijn en het niet betoogd dat menselijk handelen (praxis) tot niets leidt en tot niets kan leiden. De mens is weliswaar voortdurend in de weer, maar al die drukte dient alleen om te vermijden dat het volle gewicht van de zinloosheid op hem valt zodra hij stilstaat. Daarom doet de mens willekeurig wat. Zijn praxis lijkt nog het meest op de spelletjes waarmee hij de tijd doodt en verstrooiing zoekt voor de leegte die hem aangaapt. Camus beweert precies hetzelfde als hij het heeft over de absurditeit van het bestaan en de houding die je daartegenover moet aannemen. Ze zijn het eens over de fundamentele doelloosheid van het leven. Dat was de reden waarom ze elkaar in 1943 herkenden en waardeerden.

Sartre blijft zijn hele leven bij dit standpunt, ook in Critique de la raison dialectique. Het is de grondslag van zijn denken. Dat leidt tot een eigenaardige conclusie. Sartre hecht geen enkel geloof aan het doel en de betekenis van de geschiedenis. Diep in zijn hart gelooft hij geen steek van de klassenloze maatschappij of iets wat daarop lijkt. Daarmee komt zijn verdediging van het progressieve geweld in een vreemd licht te staan. Want als je niet gelooft in een betere toekomst, hoe kun je dan het geweld rechtvaardigen dat gebruikt wordt om deze toekomst naderbij te brengen?
Sartre spreekt in de jaren vijftig en zestig met twee tongen. In zijn journalistieke stukken en interviews presenteert hij zich als fellow traveller: een loyale medestander van de Sovjet-Unie. In zijn filosofische werk verbergt zich de scepticus die niets gelooft van de mooie beloftes van totalitaire regimes. Wat overblijft van de Critique de la raison dialectique als je die ontdoet van het geloof in een betere toekomst is een cynische apologie voor dictatoriaal geweld, niet alleen van Stalin in de jaren vijftig, maar in feite van elk totalitair regime, het fascistische incluis. Camus had dus groot gelijk om Sartre te herinneren aan zijn opvatting over de absurditeit van het bestaan en de doelloosheid van de geschiedenis, want deze opvatting slaat de bodem onder Sartre’s politieke stellingname vandaan.

Sartre lijkt zijn idee van 'de oorlog van allen tegen allen’ en zijn schets van een gemeenschap die alleen dankzij een dictatoriale heerser bijeen wordt gehouden te ontlenen aan Thomas Hobbes, die in Leviathan (1651) precies hetzelfde had betoogd. Camus lijkt zijn idee van de natuurlijke goedheid van de mens, van zijn oorspronkelijke harmonie met de natuur, zijn spontane gemeenschapszin en het verlies van zijn oorspronkelijke onschuld onder invloed van de geschiedenis te ontlenen aan Jean-Jacques Rousseau. Noch de pessimistische visie van Sartre, noch de optimistische van Camus stemt overeen met de werkelijkheid.

Camus kreeg in 1957 de Nobelprijs, maar dat was een schrale troost voor de breuk met Sartre en de schade die hij daarvan ondervond. In de loop van de jaren vijftig schreef hij nog één klein boekje, De val, maar dat beschouw ik wel als zijn mooiste en meest intrigerende werk. De titel is een toespeling op de zondeval waarvan de beide hoofdpersonen het slachtoffer worden. Ze zijn beland in Amsterdam, dat door zijn concentrische grachten en zijn mistige kille atmosfeer herinnert aan de hel zoals Dante die had voorgesteld. Een 'boetvaardige rechter’ onderwerpt daar zijn gast aan een ondervraging die iets wegheeft van een laatste oordeel. Zo nu en dan roept hij het beeld op van zonovergoten Griekse eilanden, die herinneren aan het verloren paradijs.

Albert Camus kwam in 1960 om het leven door een auto-ongeluk. Sartre overleefde hem twintig jaar. Ze hebben elkaar na 1951 nooit weergezien. Sartre bleef het sovjetregime trouw, zelfs na de Hongaarse opstand in 1956. Pas in 1968 kwam hij tot inkeer naar aanleiding van de mei-opstanden in Parijs. Nu ja, tot inkeer. Hij keerde zich af van de Communistische Partij, maar vluchtte verder naar links en sloot zich aan bij de maoïsten. Tot aan zijn dood in 1980 joeg Sartre zichzelf naar steeds linksere standpunten. Hij was een revolutionair zonder idealen, een rebel without a cause.


Beeld: Rue Des Archives/ AGiP / Getty Images