Reportage: Op stap met Moses Isegawa

Terug naar jackfruit en matooke

Na tien jaar vrijwillige ballingschap keerde de Oegandees-Nederlandse schrijver Moses Isegawa terug naar Afrika. De Groene reisde mee naar zijn geboorteland, dat de verloren zoon als een held binnenhaalde.

Entebbe — «Moses Isegawa» staat er met blokletters in viltstift op het kartonnetje geschreven. De chauffeur van uitgeverij MacMillan Uganda Limited omklemt het stuk papier en drukt het iedere passagier die uit het vliegtuig van Kenya Airways via de douane de aankomsthal binnenkomt onder de neus. Voor als nog is er niemand die zich aangesproken voelt. De passagiers die langzaam door de hou ten klapdeurtjes Oeganda binnendruppelen, vinden hun eigen weg. Druk is het niet, deze broeierige zaterdagochtend in juli. Op de anders zo hectische snelweg van de hoofdstad naar het vliegveld was het uitgestorven. Slechts mensen die voor passagiers van de vlucht uit Kenia naar Entebbe Airport moesten.

Weer druppelt een handjevol reizigers de donkerbruine aankomsthal binnen. Nu ook de schrijver, strak in het donkerblauwe pak, rode baseballpet op het hoofd. «Uganda, here I come», schertst hij op de parkeerplaats van het vliegveld. De chauffeur leidt de schrijver naar een kleine pick-up en sjort de enorme Sam so ni te-koffer met dikke touwen vast in de laadbak.

Het vliegveld verlatend passeren we de restanten van de Air France die in 1976 door Palestijnen gekaapt werd. Israelische commando’s bestormden het toestel om de overwegend joodse passagiers te bevrijden. Het was de eerste grote afgang voor het Oeganda van president Idi Amin. Het toestel werd nooit opgeruimd. Moses Isegawa, die in zijn vorig jaar verschenen tweede boek Slangenkuil het leven onder Amin beschrijft, neemt de machine aandachtig in zich op. Misschien dat hij er ooit nog wat mee kan.

Voordat hij afreisde naar Oeganda had hij wat nonchalant gedaan. Het kon hem eigenlijk allemaal niet zoveel schelen. «Ik heb dit boek toch ook in New York gepresenteerd? En in Spanje? Geen verschil. Je houdt een praatje, doet wat interviews, je signeert… niets aan», hield hij zijn vrienden in Neder land voor. En ook al bezoekt hij zijn vaderland voor het eerst sinds hij in 1990 naar Europa trok, hij wilde slechts een weekje langsgaan. Dit bezoek was louter zakelijk bedoeld. De uitgever wilde dat Isegawa zijn in 1998 al in Nederland verschenen Abessijnse kronieken kwam promoten. En dat deed hij.

Maar langs de oevers van het Victoriameer, onderweg van Entebbe naar Kampala, wordt het langzaam anders. Er zijn aanzienlijk meer auto’s op de weg dan tien jaar geleden, constateert hij opeens. En de weg zelf, die is er stukken beter op geworden. Maar verder is alles nog vertrouwd. De typische vierkante huisjes, de kleine handeltjes. En vooral de bananenbomen. Overal de groene zwiepende bomen die de grondstof voor Oeganda’s nationale gerecht matooke leveren. Misschien dat het toch best bijzonder is, wanneer je na zo’n lange tijd weer eens terug bent in het land waar je geboren werd, waar je opgroeide en waar je nu als «schrijver in vrijwillige ballingschap» al tien jaar over schrijft. Misschien, zegt Moses Isegawa, moest hij de volgende dag toch maar niet in zijn hotel naar de Wimbledon-finale gaan kijken. Misschien moest hij maar wél wat familie gaan bezoeken.

De chauffeur heeft er opeens aardig de sokken in. We rijden over een pas opgeleverd prachtig stuk vierbaansweg — de enige vierbaansweg van het arme Oost-Afrikaanse land. Het was de bedoeling dat Bill Clinton bij zijn bezoek in 1998 over deze weg naar de hoofdstad gereden zou worden, maar de constructiemaatschappij heeft de boel indertijd niet helemaal op tijd klaar gekregen. Nu maken de honderden publieke taxibusjes er dankbaar gebruik van. Op weg naar de taxistandplaats, een «bruisende, niervormige kom», zoals Isegawa het beschreef. «De geur van oud vulkanisch vuur die uit de kom opsteeg, het waas van zonnegloed dat erboven hing, en de wirwar van voertuigen en geesten uit heden en verleden, maakten dit plein tot een smeltkroes van verstofte dromen, ondermijnde ambities, vergoten bloed en gehavend mensenvlees, en tot een van de indrukwekkendste plekken in de stad», vond Moegezi, de verteller van de Abessijnse kronieken. Maar Moegezi is Moses Isegawa niet. En de succesvolle schrijver is het vervoer in de volle taxibusjes inmiddels ontgroeid, vindt hij. Zoals hij het ook niet zo zag zitten om bij vrienden of familie te gaan logeren. Hij wilde zijn vrijheid niet kwijt en gewoon elke dag vanuit een hotel kunnen beslissen welke kant hij op ging. «Niet wakker worden van het gejengel van kleine kinderen, gewoon uitslapen wanneer je dat wil.»

We checken dus in bij het Grand Imperial, een van de sjiekste hotels van Kampala. Het is het hotel waar twee dagen later de Britse editie van Isegawa’s boek officieel aan de Oegandese pers gepresenteerd zal worden. Het is het hotel van waaruit Moses Isegawa in één week Oeganda terug wil zien.

Natuurlijk, hij moest terug van de uitgever. Maar het kon ook nu pas: je gaat immers alleen terug als je iets gepresteerd hebt, en Moses Isegawa heeft iets gepresteerd. Het boek waarvoor hij naar Nederland vertrok, is uitgegeven en een groot succes geworden. Niet alleen in Nederland, nu ook in het buitenland. Van Finland tot Spanje, van de VS tot Duitsland — overal gooit het in vele talen omgezette boek hoge ogen. Isegawa: «Ik was 26 jaar, kende het land als mijn broekzak en verruilde het voor Europa. Om te schrijven. Reden om terug te gaan had ik de afgelopen tien jaar niet. Ik wilde me concentreren op wat ik in Nederland moest doen. Een paar jaar later bekijk je het analytisch en zeg je: ik wilde afstand nemen. Wat betekent dat je naar een omgeving wilde waar je kon werken, de verschillende draden bij elkaar brengen en tot iets moois vlechten. Ik vertrok op het moment dat ik me realiseerde dat ik in Oeganda niet kon schrijven. Dan ga je naar Nederland en dan zie je wat er gebeurt: opeens lukt het wel met kleine verhaaltjes en voorstudies voor het boek.»

Was het met het schrijven niet gelukt, dan had hij altijd nog de cursus boekhouden achter de hand die hij begin jaren negentig volgde. Maar ook als boekhouder was hij niet eerder naar Oeganda teruggegaan dan wanneer hij een baan had gehad, een leven in het wes ten zou hebben opgebouwd. «Als je eerder teruggaat heb je een onduidelijke relatie met Oeganda. Wat doe je in Nederland? Niets. Ze zullen je thuis in Oeganda vragen waarom je niet definitief terugkomt. Want wat heb je voor band met Nederland? Je moet iets opgebouwd hebben, je moet weten waar je verantwoordelijkheden liggen.»

Terug in Oeganda is hij. En de presentatie van de Abyssinian Chronicles door de Oegandese tak van de machtige Britse uitgever MacMillan lijkt een groots spektakel te worden. De promotieafdeling van de uitgeverij heeft de afgelopen weken de spanning langzaam opgevoerd. Eerst verschenen de interviews met Isegawa, een week geleden publiceerden de twee grote lokale kranten, The New Vision en The Monitor, paginagrote recensies. Nu is er de officiële boekpresentatie.

Het is maandagmiddag. In de conferentiezaal van het Grand Imperial Hotel ordent de sales manager van de uitgeverij de knipsels die hij over zijn «Afro-Dutch writer» verzameld heeft. Op elke pilaar van het zaaltje bevestigt een medewerkster ondertussen posters met enorme portretfoto’s van de auteur, afgewisseld met overdrukken van het kunstzinnig grijze omslag van de Engelse editie. In Oeganda is vrij positief op het boek gereageerd, zegt de gespannen sales manager. Hij pakt de recensie van The New Vision erbij. «Abessijnse kronieken is een boek dat je simpelweg moet lezen», begint de lofzang. Het is «een krachtig boek dat je niet snel weglegt als je eenmaal met lezen bent begonnen». Maar dan aan het eind van het stuk: «Echter, de taal is té expliciet voor een Afrikaans publiek waar seksuele zaken en geslachtsdelen normaal gesproken schuilgaan achter spreekwoorden en dierennamen. De schrijver gebruikt het F-word te gemakkelijk. Disgusting.»
Moses Isegawa heeft de recensie niet gelezen. Zoiets interesseert hem niet. «Als je recensies in The New York Times en Time Magazine hebt gehad, dan ga je toch niet kijken wat zo’n krantje in Oeganda ervan vindt? Ze vinden het disgusting? Dat is een compliment! Afrikaanse talen zijn heel eufemistisch. Je kunt de hele dag over seks praten zonder penissen en vagina’s te benoemen. Je gebruikt heel dubbelzinnige spreekwoorden en uitdrukkingen die aan de ene kant zeer seksueel geladen zijn, maar aan de andere kant doodnormaal. Dat is wat Afrikaanse talen zo rijk maakt. Volwassenen en kinderen kunnen een en dezelfde uitdrukking gewoon op straat gebruiken of in de kerk, maar dan betekent-ie twee totaal verschillende dingen. Dat heb ik aan de kant geschoven. Al die kleine taboes, fuck them — laten we zien wat gebeurt als we alles gewoon benoemen. Ik heb bewondering voor de eufemismen en dubbelzinnigheden van het Afrikaans, maar ík wilde het gewoon bang, bang doen.»

Niet alleen journalisten, ook literatuurwetenschappers en andere Oegandese hotshots stromen de zaal binnen. En familie en vrienden. Familie en vrienden van Moses Isegawa. Of eigenlijk vooral van Sey Wava, want zo kennen zíj hem. Isegawa is een pseudoniem: segawa betekent in het Luganda «de jongens». De i ervoor is slechts om het de westerse lezers wat makkelijker te maken bij de uitspraak. «Een Amerikaans tijdschrift vroeg me hem te interviewen», vertelt de invloedrijke Oegandese professor Mahmood Mamdani op de presentatie. «Ik zag die naam en dacht: is dat een Japanner? Maar het bleek gewoon een Oegandees met een wel heel merkwaardig pseudoniem.»

De professor heeft het boek dus al gelezen. En hij was onder de indruk. Net als priester Emmanuel Kasajja, die Moses al in de jaren op het seminarie aanmoedigde te gaan schrijven. «Waar blijft het boek?» vroeg hij toen steeds wanneer hij Moses sprak. Nu is het er. En de priester vindt het prachtig. Disgusting? «Ik zal er wel problemen met de kerk mee krijgen, maar ik vond er niets walgelijks aan. Het is gewoon literatuur, goede literatuur.»

De sales manager heet de aanwezigen welkom en vraagt wie het voortouw wil nemen bij het zingen van het volkslied. In Oeganda geen officiële bijeenkomsten zonder officiële opsmuk. De directeur van de uitgeverij heet na de plichtplegingen in het bijzonder de minister van Onderwijs welkom. De vrouw uit de regering-Museveni zal het eerste exemplaar ontvangen. In zijn toespraak kan de directeur het niet laten te melden dat hij ook al het boek Sowing the Mustard Seed van Oegan da’s president Yoweri Museveni publiceerde. «Dat boek geeft een uitstekend beeld van de moedige strijd die in Oeganda gevoerd is. Het is daarom logisch dat wij nu het boek van Moses Isegawa uitgeven», zegt de man tegen de glunderende minister. De minister gaat alleen maar meer glunderen als Moses Isegawa aan het woord komt. «Toen ik hier naartoe moest, was ik een beetje bang», zegt hij in zijn toespraak. «Ik moest denken aan de Amin-jaren met al de soldaten. Maar het blijkt allemaal reuze mee te vallen, het is hier zelfs best leuk!» En het lijkt goed te gaan met het land, zegt hij. «Op elke hoek van de straat zie je een school. Dat was tien jaar geleden wel anders.»

De minister gaat voor in een staande ovatie en weet zich na de ontvangst van het eerste exemplaar nog slechts in superlatieven uit te drukken. «Hoe moet het verder als je eerste boek al zo goed is? Eerst hebben we in Oeganda het referendum over de toekomst van de democratie gehad (eind juni; de regering-Museveni won overweldigend — pv) en nu hebben we Moses Isegawa.» De directeur van de uitgeverij sluit de ceremonie af en vraagt de minister na zoveel enthousiasme bij al haar contacten voortaan een goed woordje voor zijn bedrijf te doen.

Met veel bier wordt de bijeenkomst afgesloten. De priester drinkt vrolijk mee. Met Geoffrey Serwadda, een oude jeugdvriend van Moses Isegawa, neemt hij in de deuropening Moses’ schrijverschap door. Vroeger op het seminarie wilde hij al liever lezen en schrijven dan voetballen, weet Geoffrey. En je ziet ook zo duidelijk wat een inspiratie hij uit het werkelijke leven heeft gekregen. Serwadda: «Hij zegt dat tien procent waargebeurd is en negentig procent fictie. Ik geloof er niks van. Er zitten veel meer dingen uit de werkelijkheid in.» De priester: «Op de pagina waar ik mijn entree maak, klopt in ieder geval alles. Alles is gebeurd zoals het nu in het boek staat. En ik mag van geluk spreken, want ik ben een van de weinige mensen die er goed vanaf komt.»

Dat blijkt voor Susan N. Kiguli, literatuurdocent aan Makerere University en bestuurslid van de Uganda Female Writers Asso cia tion een gevoelig punt. Op een ingelaste bijeenkomst van haar club in de Kampalese Alliance Française wordt de schrijver aan de tand gevoeld over zijn vrouwvriendelijkheid. En zijn menslievendheid in het algemeen. «Moses Isegawa is belangrijk voor de geschiedenis van Oeganda», betoogt Kiguli enthousiast. Toch heeft ze ernstige bezwaren. «Als je het boek weglegt besef je pas wat een smerigheid er allemaal in staat. Is er één goed persoon in het boek? Iemand die vriendelijk beschreven wordt? Ja, er is er één: Moegezi, de hoofdpersoon. Maar wat doet die aan het eind van het boek? Hij verlaat Oeganda en vestigt zich in Nederland. De hele wereld leest over ons land. Moet het dan zo negatief eindigen?»

Moses reageert gepikeerd. «U moet het boek toch werkelijk nog een keer lezen. Pas dan praten we weer. Als je een serieus boek wilt maken, dan moet je gewoon op kunnen schrijven wat je wil. Wat je zelf mooi of belangrijk vindt. Dan hoef je toch niet aan het imago van Oeganda te denken?»

Steun komt uit onverwachte hoek. In het publiek staat John Nagenda op. Hij is behalve schrijver, als woordvoerder van de president van Oeganda in zekere zin verantwoordelijk voor het beeld van zijn land. Maar dat lijkt hij vanavond even te vergeten. «Maar mevrouw toch», buldert hij door het tamelijk volle zaaltje. «Deze man is toch waarachtig geen documentalist? Het is een kunstenaar die alle vrijheid zou moeten hebben om aan zijn kunstwerk te sleutelen.»

Kiguli: «Ik erger me gewoon ideologisch aan een aantal zaken. Waarom noemt Isegawa de kinderen de Schijters? Dat kan toch niet?»

Nagenda: «U vraagt zich bij het maken van vruchtensap toch ook niet af wat de ideologie van het sap is? Als u door Kampala loopt, dan vraagt u zich toch ook niet af wat de ideologie van het lopen is?»

Tegen Nagenda is niemand opgewassen, dat weet iedereen in de bescheiden Oegandese literaire wereld. Female writer Kiguli schikt zich in haar rol van zondebok.

Moses Isegawa is presidentieel goedgekeurd.

En John Nagenda triomfeert.

Abessijnse kronieken is heus geen verkapte autobiografie, beklemtoont Moses Isegawa nog maar eens terwijl we enkele dagen na de presentatie in het hotel wachten op een auto die ons naar familie in Entebbe zal brengen. Moegezi groeit dan wel net als Moses in de jaren van de dictatuur onder Milton Obote en Idi Amin op bij zijn grootouders op het platteland, en zijn opa is net als Moses’ opa chief van een aantal dorpjes — tóch is het allemaal anders. Moegezi verhuist in het boek op zeker moment naar zijn ouders in Kampala. Alle interviewers namen dat over en lieten ook Moses Isegawa naar Kampala verhuizen. Het was Masaka, zeventig kilometer westwaarts. Isegawa: «Op een of andere manier gaat het steeds fout. Dat gebeurt bijna altijd als je een roman met een ik-persoon schrijft. Journalisten denken dan zelf wel aan het boek te kunnen zien wat werkelijk gebeurd is en wat fictie is. Zo gaan de verzinsels de wereld in. Heel belangrijke dingen corrigeer ik wel, maar veel mensen nemen niet de moeite het nog eens te vragen.»

En zo namen ook de Oegandese kranten van de boekflap over dat Isegawa in Amsterdam woont en dat hij zijn boek in het Nederlands schreef. Geweldig, oordeelde The New Vision, dat een Oegandees nu eens niet in het Engels, de taal van de voormalige kolonisator, schrijft. Maar hoewel Isegawa snel Nederlands leerde, gaf hij er wel degelijk de voorkeur aan in het Engels te schrijven; de eerste druk van Abessijnse kronieken verscheen evenwel in het Nederlands.

Het lijkt hem wel te bevallen, al die mistigheid. Herstellen doet hij de fouten in ieder geval niet. Voor Nederlandse kranten liet hij zich enthousiast fotograferen in de Bijlmer, al heeft hij daar in tegenstelling tot Moegezi nooit gewoond. Sinds 1990 bewoont hij een flat in Beverwijk, illegaal is hij nooit geweest. Isegawa: «Zelfs als ik schrijf over het dorp waar ik opgroeide, zou ik niet alles zoals het werkelijk gebeurd is op papier zetten. Het lijkt op het maken van een foto: je wilt een mooi plaatje, bijna een schilderij. Je maakt niet zomaar een opname. Tussen mijn personages en de mensen in het dorp zijn grote verschillen. De boom in het dorpje bestaat wel, maar de manier waarop mensen met elkaar omgaan is veelal verzonnen. Mijn eigen opa was dan wel chief, maar niet precies zo een als de opa van Moegezi in het boek. Dat is literatuur, maar dan vertel ik weinig nieuws.»

In Kawempe, even boven Kampala, werd hij geboren. In 1963. Althans, dat is wat op diezelfde boekflap geschreven staat. «Officieel ben ik daar geboren, ja. Het staat in mijn paspoort. Maar heel veel mensen hebben hier geen geboortebewijs. Ze zijn geboren, hebben het gemeld bij de chief of wat dan ook. De documenten zijn totaal verdwenen. Als je in Nederland een paspoort nodig hebt, dan wil men die informatie toch hebben. Dan heb je een probleem. Stel, je bent driehonderd kilometer van Kampala geboren en je moet die papieren daar gaan halen. Het kan zomaar gebeuren dat niemand je daar nog kent. Bete kent dat dan dat je daar niet bent geboren? En papieren zijn er niet. Er zijn door de jaren heen zoveel oorlogen geweest. Dit soort documenten is wel het laatste waaraan mensen denken als er geschoten wordt. Ze blijven achter en worden vernield.

Dan vragen Nederlanders: was je getrouwd in Oeganda? Als je ja zegt, willen ze een trouwboekje zien. Maar hoe kom je aan die papieren? Als je in Oeganda naast je vrouw loopt en je zegt dat je met haar getrouwd bent, dan gelooft iedereen dat. Afrikanen, ze hebben een moeilijke relatie met papieren. In Europa zijn de mensen verzot op geschreven feiten. Waarom? Omdat Europa al zoveel duizend jaar schrijft. In Oeganda wordt dit soort zaken pas sinds een jaar of honderd opgeschreven. Maar mondjesmaat nog, het blijft een orale gemeenschap. Waar ik geboren ben? In Kawempe heb ik heel lang gewoond. Daar ben ik geboren.»

Hij schreef al enige jaren columns voor het derdewereldblad Bijeen. Een redacteur van dat blad gaf hem de mogelijkheid op een toeristenvisum naar Nederland te komen. Is hij dan een vluchteling? «Niet voor de Nederlandse wetgeving. Maar ik ben uit Oeganda weggegaan om iets voor mezelf te doen; ik ben in zekere zin gevlucht omdat ik me daar niet kon ontplooien. Een asielprocedure heb ik nooit hoeven doorlopen, maar in diepere betekenis ben ik vluchteling. Ik ben ‘vrijwillig balling’: ik heb zelf besloten om elders te gaan wonen en werken.»

Alle vluchtelingen zijn economische vluchtelingen, vindt Moses Isegawa. «Economie en politiek staan heel dicht bij elkaar. In Nederland zegt iedereen: I don’t give a fuck about Kok and the PvdA. Maar you give a fuck als morgen de economie zo slecht is dat je wordt ontslagen of het geld opeens nog maar de helft waard is. Als de economie zo zwak is als in Afrika, dan heeft dat weer alles te maken met de politiek. Voor mij zijn economische vluchtelingen en politieke vluchtelingen hetzelfde. En ze moeten allebei ontvangen worden, anders heb je een probleem met de logica. Ik blijf doorgaan met dit betoog tot de dag dat de Europeanen zeggen: grenzen open, alle Oegandezen kunnen komen, hier werken en terug wanneer ze dat willen. In die situatie heb je niet het verschil tussen economische en politieke vluchtelingen. Iedereen is politiek vluchteling en tegelijkertijd economisch vluchteling. Ík ging weg om te schrijven, om geld te verdienen, om er beter op te worden: economisch vluchteling dus, zegt men in Europa.»

Met de auto van vriend Geoffrey wilde Moses Isegawa naar de piepkleine dierentuin van Entebbe. Hij wilde op de terugweg ook een tante bezoeken — dat komt op de tweede plaats. Maar het stortregent, zoals het alleen in de tropen kan stortregenen. «Condoms are good» kopt de krant die we, om de tijd te doden, in het hotel lezen boven het hoofdredactionele commentaar. Moses knikt instemmend. Want de hoeren zijn ook goed. «Goed, goedkoop en niet onnodig professioneel, zoals in Nederland. Nee, daar ben ik best tevreden over. Ook nieuw trouwens, in Kampala. Vroeger zag je ze helemaal niet, op Nile Avenue hier voor de deur bij het hotel wemelt het nu van de meisjes. En jong dat ze zijn!»

Het wordt iets droger en behalve vriend Geoffrey sluit ook Moses’ jongere broer Alex zich bij het gezelschap aan. Toeterend en met zijn lichten knipperend baant Geoffrey zich een weg door het licht chaotische verkeer in de straten van Kampala. Alex beklaagt zich er op de achterbank ondertussen over dat zijn broer maar steeds een ander programma heeft. Wil hij nu wel of niet familie bezoeken? Wil hij nu wel of niet de stad uit? Elke dag denkt hij er weer anders over. Zonder iemand daar van tevoren over in te lichten zijn ze op zondag samen met een taxi naar het ouderlijk huis gereden. Moses was bang dat ze wat ontstemd zouden reageren, omdat hij meer dan tien jaar lang niets van zich had laten horen, zegt Alex. Daarom was hij waarschijnlijk ook niet meteen geneigd naar ze toe te gaan. «Maar dat kun je niet maken, heb ik hem gezegd. Als ze horen dat je mij wél gezien hebt op je bezoek aan Oeganda, dan word ík de paria van de familie. Ze zullen het me zeer kwalijk nemen.»

En dus gingen ze zondag op pad, vertelt Alex. Het bleek allemaal mee te vallen, ook al waren er de nodige misverstanden. Het werd bijvoorbeeld niet zo op prijs gesteld dat Moses een jonger zusje niet meteen herkende dat hij jaren geleden slechts een enkele keer had gezien. Maar de verhouding van Moses Isegawa met zijn moeder is heus niet zo slecht als die van Moegezi met Hangslot uit het boek — ook al werd dat in verscheidene interviews wel gesuggereerd. «Natuurlijk, het is moeilijk als je drie weken per jaar thuiskomt terwijl je de rest van de tijd tussen je leeftijdgenoten op kostschool of op het seminarie zit», zegt Moses. «Moet je opeens allemaal gemeenschappelijke dingen doen die je helemaal niet gewend bent: water halen, eten maken. Op het seminarie was je er slechts voor jezelf. Je richtte je op school, op je studie. Het enige gemeenschappelijke dat je deed was samen naar de kerk gaan en samen eten. Kom je thuis, moet je opeens weer helemaal in een groep leven. Word je net zo behandeld als de andere kinderen. Soms zit je pas om tien uur te eten. Het is niet makkelijk wennen aan dat vormeloze leven als je de militaire precisie van het seminarie gewend bent.»

Na een bliksembezoek aan een dierentuin, waar het hoge struikgewas het zicht op de ongetwijfeld aanwezige wilde beesten ontnam, en na een korte ontmoeting met Moses’ tante, die op de markt kookbananen aan de man brengt, slaat Geoffrey rechtsaf om via steeds smallere en modderige weggetjes glibberend op zoek te gaan naar een van de seminaries. Moses: «Het was een heerlijke tijd bij de priesters. Natuurlijk, de priesters waren de baas, maar als je je best deed had je geen problemen. Ik was slim en wist wat ik moest doen. Het was leuk, je was onafhankelijk.»

Kippen en geiten stuiven alle kanten op als Geoffrey besluit dat ook de nauwe doorgang tussen een haag van bananenbomen voor autoweg kan doorgaan. De bomen camoufleren het huis van een voormalige leraar van Moses. Maar hij is niet thuis, helaas. Slippend zoeken we de mooie verharde weg naar Kampala weer op. Dat is voor het oog in tien jaar het meest veranderd: de infrastructuur. De wegen zijn zoveel beter, zegt Moses. «In de straten in Kampala zaten altijd vreselijke kuilen. Telefoonaansluiting en waterleiding waren er niet of het was heel slecht. De politiek was een rotzooitje, maar de rest nog erger. Nu bemerk je een bepaald soort stabiliteit.»

Als je dieper gaat, blijkt de hele samenleving veranderd. «Tien jaar geleden was iedereen geïnteresseerd in politiek. Museveni was toen net een paar jaar aan de macht en niemand wist wat er gebeuren zou. Kom je terug, is dezelfde man er nog — uniek voor Oegandese begrippen. Iets eerder had je elke paar jaar een nieuwe regering, nieuwe soldaten, een nieuw systeem. Politiek was een kwestie van leven of dood. Voor de mensen is dat nu bijna theoretisch geworden. Pas als het weer echt slecht gaat met de economie en de mensen daar persoonlijk door worden getroffen, keert de interesse in de politiek weer terug. De mensen praten nu nog slechts over de wisselkoers van de Oegandese shilling tegenover de Amerikaanse dollar.»

De honderden auto’s van ontwikkelingsorganisaties die volgens Isegawa tien jaar geleden troeteldonorland Oeganda nog onveilig maakten, zijn nu uit het straatbeeld verdwenen. Maar om nu te zeggen dat Oeganda de huidige relatieve voorspoed aan de westerse ontwikkelingshulp te danken heeft, gaat te ver. «Als je de zaken logisch analyseert, dan klopt dat hele hulpsysteem niet», zegt hij. «Slechts voor de eigen belangen van Europa klopt het. West-Europa treedt alleen maar op als er druk wordt uitgeoefend. En het aandeel van het geld dat in Afrika blijft is maar heel klein. Afrika krijgt jaarlijks honderden miljoenen hulp voor scholen en ziekenhuizen, maar moet ook nog jaarlijks de schuld terugbetalen aan Europa, waar dat geld niet echt nodig is. Dat geld had weer voor ziekenhuizen gebruikt kunnen worden. Dat is het duivelse element van het kapitalistische systeem. In het Westen willen ze tegelijkertijd de bad guys én de good guys zijn. Wat er precies in Afrika gebeurt, interesseert ze niet, zolang ze maar geld verdienen. Maar dat idee is er niet. Net als met aids. Hoe is het mogelijk dat er in Oeganda zoveel mensen dood gaan? Waarom is er geen vaccin? In Europa zegt men: ach, het is Afrika, daar is het altijd al ellendig. Als het in Europa was gebeurd, was er allang een kuur geweest. Er is gewoon een gebrek aan logica voor Afrika.»

De Canadese pater Lageau wordt in Abessijnse kronieken beschreven als iemand die niet gewend is rijkdom te delen. Tussen de sappelende Oegandezen voelde de man in het geheel geen gêne zijn luxe boot of auto te gebruiken. Dat was voor de jonge seminarist Moses Isegawa een schok. «Afrikanen moeten rijkdom delen, ze groeien op in een groep. In het Westen is iedereen veel individualistischer. In Nederland kan je broer multimiljonair zijn terwijl je zelf op een uitkering zit. Je broer hoeft je heus niets te geven. Het westerse systeem is een systeem zonder limits. Je kunt multimiljonair worden en honderd miljoen hebben, maar je kunt ook miljardair worden. No limits. Iemand die opgroeit in een systeem waar geen grenzen zijn, voelt dat alles wat hij heeft van hem is.

In het Westen zijn meer mensen op zichzelf aangewezen. De prijs die je betaalt is eenzaamheid. Als je in het Westen zomaar even langskomt, vraagt iemand: what’s the matter, what’s wrong? Ze hebben auto’s, de treinen rijden — maar zomaar bij iemand langs, dat doe je niet. Veel te sociaal. Als je in Afrika een week niets van je hebt laten horen maakt men zich zorgen. Ik had verwacht dat Oeganda inmiddels ook wel verwesterd zou zijn, maar dat valt mee. Het is allemaal nog behoorlijk dorps en traditioneel.»

En dus houdt chauffeur Geoffrey enkele dagen later op een tochtje halt bij de markt van Bombo. We zijn op weg naar Kikunganya, het dorp waar Moses bij zijn opa en oma opgroeide en dat model stond voor het eerste deel van zijn boek. Opa is vorig jaar overleden, maar bij oma en de andere achtergebleven familie kun je niet met lege handen aankomen. Dat weet Moses, hoe verwesterd hij ook is.

Op de markt wijst broer Alex hem de weg naar vier kilo vlees, uien en de onvermijdelijke bananen. Het is nog zo’n tien minuten rijden over de lange rechte weg richting Luwero. Aan de kant van de weg staat een verroeste tank, als stille getuige van de bloedige jaren tachtig, toen de troepen van dictator Obote op de vlucht voor het guerrillaleger van Museveni hier in de Luwero-driehoek huishielden. Ook de tank werd nooit opgeruimd.

We verlaten de weg en via Mpande Hill hobbelen we Kikunganya binnen. Weer bleek de auto van Geoffrey tot meer in staat dan een westerling zich had kunnen voorstellen. Moses groet de familie en kijkt rond in een soort showkamer. Het huis is wat veranderd, constateert Moses, maar in de donkere ruimte met helblauwe muren hangen nog veel zwart-witte familiefoto’s die hem nog zeer wel voor de geest stonden. Met zijn westerse camera reproduceert hij ze.

Achter het huis, daar is de boom. «De beroemde broodboom uit het boek», zegt Moses die het met het strenge onderscheid tussen feit en fictie opeens wat minder nauw neemt. Moegezi bezag vanuit deze boom de buitenwereld. Hiervandaan creëerde hij zijn eigen versie van de werkelijkheid, hier zette hij de wereld naar zijn hand — op een manier waarin de manipulatieve romanfiguur nog het dichtst aan zijn schepper raakt. Onder de boom ligt een aantal graven, ook dat van Moses’ opa — de chief, die vorig jaar overleed. «Yosef Muwanha 1908-1999» staat er op het metalen kruis. Met de mannen van het dorp poseert Moses bij het graf van zijn opa. De mannen sjouwen de proviand uit de auto en geven voor onderweg een jackfruit mee, de vrucht van de broodboom. Nu weet Moses weer waarom hij in Oeganda terug is. Voor jackfruit en matooke — de gekookte banaan. Eigenlijk is dat het enige wat hij echt mist in Europa, zegt hij.

Over Kampala schreef Isegawa: «De architecten die deze stad en dit land met zulke afzichtelijke misbaksels hadden opgescheept moesten wel buitengewoon gedementeerd zijn geweest, en bovendien flink hebben geleden aan de ernstigste vorm van geestelijke malaria en tropische verdoving.»

Het is twee weken later en we zijn in Beverwijk. Na nog een korte tournee door Zuid-Afrika is Moses Isegawa terug in Nederland, terug in zijn bescheiden tweekamerflatje in de nieuwbouwwijk van het stadje in Noord-Holland dat in niks doet denken aan Kampala — hoe gedementeerd de architecten van Noord-Holland ook geweest zijn. De grond ligt bezaaid met het resultaat van twee jaar succesvol schrijverschap: de van de royalties van zijn boeken juist aangeschafte audio- en videoapparatuur, de vele buitenlandse vertalingen, de recensies uit de internationale bladen, de uitnodigingen voor lezingen, debatten, gastcolumns…

Het is hem alles meegevallen, daar in Oeganda. Maar blij toe weer in Nederland te zijn. Wellicht dat hij volgend jaar weer voor een tijdje teruggaat. Om te eten, om bij zijn vrienden te zijn.

Met iedereen is hij vergeleken. Wie alle recensies over Moses’ boeken leest, komt tot een totaal van ruim dertig schrijvers. Van Marquez tot Rushdie, van Shakespeare tot Jan Cremer. Zelfs schrijvers van wie Isegawa zelf nooit iets heeft gelezen. Een veelgebezigde vergelijking blijft die met de Nigeriaans-Britse schrijver Ben Okri.

Isegawa: «Okri gaat ieder jaar een maand terug naar Afrika. Misschien moest ik dat ook maar doen.»