Raqqa krabbelt op

Terug naar kleur

Lang was Raqqa een grijze spookstad zonder inwoners. Langzaamaan herstellen de stad en zijn mensen zich. ‘We leven in een experiment.’

Raqqa, 5 juni. De eerste dag van het Suikerfeest. Nadat IS was verslagen, was negentig procent van de stad verwoest. Nu zijn de eerste straten weer begaanbaar

Er drijft een rozegebloemd plastic bord in het waterbassin onder de bomen op de noordelijke oever van de Eufraat. Op de rand staan glaasjes met verse thee. Vijf kapotte plastic stoelen eromheen. In een van de bomen is een gele tuinslang om een tak gewikkeld. Er zijn gaatjes in geprikt zodat er een zacht, lauwig regentje over de theedrinkers neerdaalt. Welkom in het paradijs van fotograaf Aboud Hamam.

Hij komt hier elke dag. De schaduw en de regen maken de zomerhitte draaglijk. De stad is vanaf hier niet zichtbaar, maar zijn mensen wel. Er rijden auto’s en vrachtwagens over de gerepareerde brug en jongens springen er vanaf, de sterke stroming van de rivier in. Op de zuidelijke kiezeloever staan enkele auto’s geparkeerd. In het water langs de kant drijven vrouwen met hun kleurige kleren aan en spetteren jongens en meisjes in ondergoed. De mannen staan erbij te roken, hooguit tot hun knieën in het water.

Aboud Hamam, die onder andere aan persbureau Reuters levert, is de afgelopen jaren in de stad gebleven, zelfs toen Raqqa fungeerde als ‘hoofdstad’ van het kalifaat van IS. Hij zegt: ‘De meeste van mijn collega’s hebben de stad en het land verlaten. Ze zijn in Europa of de VS, waar precies weet ik van de meesten niet eens. Ik blijf. Ik wil het verhaal van de stad vertellen.’ Hij heeft het gered, denkt hij, omdat hij zich aan geen enkele groep die de stad in bezit nam conformeerde. Het betekende dat hij maanden achtereen helemaal niet kon werken – en áls hij werkte, verkocht en publiceerde hij onder de schuilnaam Nur Firat. Firat, dat is ‘Eufraat’ in het Arabisch.

Raqqa is geen stad die geleidelijk begint. Tijdens het uurtje rijden vanuit Ain Issa, onze uitvalsbasis ten noorden van Raqqa, ben je omgeven door graanvelden en dan ineens ben je omsloten door de stad. Die plotselinge stad is grijs. Tenminste, dat is de eerste indruk. Grijs is de kleur van destructie. Raqqa ligt nog altijd grotendeels in puin, bijna twee jaar na de slag om het laatste grote bolwerk van IS. Wat kleur had – gordijnen, meubels, tapijten – ligt onder blokken neergestort beton en is bedekt met een dikke laag gruis. Daken hangen als lappen naar beneden langs gebouwen die zijn gereduceerd tot delen muur, kale verdiepingen en roestig staaldraad. De meeste straten zijn begaanbaar. Kleine steegjes, woon- of winkelstraten, brede lanen; maar wie moet hier zijn? Appartementencomplex na appartementencomplex, winkel na winkel, kantoor na kantoor kapot.

Aboud Hamam was stil, de dag dat hij terugkeerde naar de stad waar hij werd geboren. Hij had een paar maanden zijn toevlucht gezocht in het nabijgelegen Idlib – nog onder controle van de oppositie en nu zwaar onder vuur van Russische bommenwerpers – want tijdens de slag om Raqqa was het niet de bedoeling dat er burgers in de stad bleven. ‘Het leek wel alsof het niet echt was’, zegt hij over de toestand waarin hij zijn stad aantrof. ‘De volgende dag heb ik alleen maar gehuild.’ Hij probeert het te beschrijven: ‘De vernietiging, mijn stad, onze jeugd, onze herinneringen.’

De stad was nauwelijks toegankelijk in de eerste weken nadat IS eruit gevochten en gebombardeerd was. Vrijwel alle straten lagen vol puin en het wegdek zat vol gaten van kogel- en mortierinslagen. Nog altijd gaat rijden door de stad langzaam. Sommige wegen zijn maar aan één kant begaanbaar waardoor het verkeer elkaar stapvoets op een te smalle strook moet passeren.

Alleen het centrum knalt van de kleuren. Onder IS was Raqqa een zwart-witte stad met wat grijsschakeringen daartussen. Zelfs uithangborden van winkels moesten zwart-wit zijn. De nieuwe uithangborden schreeuwen het uit in roze, rood, oranje, groen, blauw. Handelaren lijken opzettelijk hun kleurigste waar op de stoep uit te stallen en aan hun gevels te hangen. Vooral lappen stof voor vrouwenkleding vallen op. Een winkelier wijst op het rek met zwarte stoffen achter in zijn winkel en zegt: ‘De meeste mensen willen dat niet meer dus ik hang de kleuren nu buiten. En zie je de wand daar?’ De planken aan de wand staan vol met haarverf, ontharingscrème, parfum. ‘Dat mag ik ook weer verkopen.’

Wie langer blijft, een dag of tien, lukt het om een laag toe te voegen aan het surrealisme van de vernietiging in combinatie met roze fietsjes, paarse skippyballen, gele, blauwe en rode stoffen en manshoge plastic ijsjes die bij het bijbehorende kraampje bolletjes in de gekste kleuren beloven. Je gaat de geluiden volgen. Een snel klappend geluid bereikt de straat. Het komt uit een restaurantje aan het plein met de nu gerestaureerde klokkentoren waar vers geslachte schapen achter een vitrine hangen. Binnen staat een man met biceps als staalkabels met een enorm mes stukken vlees tot gehakt te hakken. Hij heeft er duidelijk lol in, kneedt het gehakt daarna om spiesen die zijn collega op de grill legt. We gaan zitten, bestellen er rijst, salade en hummus bij en likken onze vingers erbij af. Het restaurantje, dat twee verdiepingen blijkt te hebben, zit vol.

Het Naimplein is het plein dat onder IS berucht werd omdat op de hekken met punten vers afgehakte hoofden werden gespiest. Het midden van het plein is al opgeknapt – wat water, bankjes, stenen bogen, jonge boompjes. Aan de rand staan grote kleurige letters te glimmen: ‘I love Raqqa’. Ertegenover klinkt een zwaar drilgeluid en waaien dikke stofwolken op in de zon. Er wordt gewerkt in een appartementencomplex dat de bombardementen niet overleefde.

Als fotograaf Aboud Hamam door de stad loopt, ziet hij een experiment. ‘In het begin was het angstaanjagend om rond te zwerven. Raqqa was een spookstad zonder inwoners. In de loop van de maanden ben ik me een soort hoeder van de stad gaan voelen. Ik ken elke straat, zie elke verandering. Ik merk iedere terugkeerder op.’

Er is veel werk verzet en hij noemt dat een ‘grote prestatie’, ook al was anderhalf jaar geleden negentig procent van de stad kapot en nu nog altijd tachtig. Maar hij voelt ook wantrouwen. Hamam: ‘Veel inwoners woonden hier voor de slag om de stad niet. Het zijn mensen die uit andere delen van Syrië zijn gevlucht. De nieuwe en oude inwoners vertrouwen elkaar niet zomaar. Terwijl het vertrouwen en de spontaniteit tussen Raqqanaren altijd groot was. De identiteit van de stad is veranderd. We leven in een experiment.’

Abdalla Aryan, het co-hoofd (de meeste leidinggevende posities worden bekleed door een duo van een man en een vrouw) van het bureau dat over Raqqa’s reconstructie gaat, heeft het niet over wat zijn ogen zien als hij de stad beschrijft. De fysieke herbouw zal linksom of rechtsom wel lukken. Belangrijker is dat de stad een fundament krijgt. Niet een fundament van beton, bedoelt hij, maar een fundament van zekerheid. Dat is wat de huidige inwoners ontberen. Aryan brengt al vroeg in het gesprek zijn dochter ter sprake, die vijftien jaar is. Hij zegt: ‘Een arts heeft een depressie bij haar vastgesteld. De druk van de onzekerheid snoert zich strak om je hoofd en geeft zo’n druk op de hersenen dat het niet te dragen is. Zo omschrijf ik Raqqa.’

Dat de fysieke wederopbouw zo langzaam gaat, komt mede door gebrek aan budget. Internationale donors betalen wel voor de herbouw of renovatie van openbare gebouwen – wat de reden is dat die klokkentoren er weer staat, het Naimplein er strak uitziet, het plaatselijk museum wordt opgeknapt, er in verwoeste buurten soms alweer een smetteloze moskee staat en er scholen beschikbaar komen. Particulieren krijgen geen hulp. En een groter probleem: de meeste eigenaren zijn er niet. Ze zijn in Europa of op weg erheen verdronken. Ze zijn in Turkije, Jordanië of Libanon en weten misschien of misschien niet of hun huis weer bewoonbaar kan worden gemaakt of durven een terugkeer niet aan omdat de toekomst van stad en land onzeker zijn.

Duizenden zitten er ook nog in het vluchtelingenkamp bij Ain Issa, een uurtje ten noorden van de stad. Khaled Safi, bijvoorbeeld, 42 jaar oud en vader van twee dochters en twee zoons, die in een flinke tent een winkeltje runt met tweedehands kleding die via hulporganisaties is aangevoerd. Alles voor weinig. Hij verdient er genoeg mee om van te bestaan. Terug naar de stad? Safi: ‘Ik huurde er een huis en zou dat nu weer moeten doen. Waar haal ik het geld vandaan om dat te betalen? Hier zijn voorzieningen, elektriciteit, twee scholen, gezondheidszorg. Misschien blijf ik nog wel jaren in dit kamp. Misschien wel altijd.’

Dit soort getuigenissen maakt Abdalla Aryan van het reconstructiebureau boos. Zet mensen twee jaar in een afhankelijke positie en krijg ze er dan nog maar eens uit. Terwijl de stad zijn bewoners nodig heeft. Dat bedoelt hij met dat fundament: ‘Een nieuwe stad ontwikkelen kan niet zonder de bewoners te ontwikkelen. Waarom zijn Syrische steden nu kapot? Omdat de menselijkheid verloren is gegaan tijdens decennia van dictatuur. Die fout moeten we niet opnieuw maken. We moeten zorgen voor onze mensen, we moeten ze vertellen dat de toekomst beter zal zijn. Zodat ze vertrouwen krijgen en hun bijdrage willen leveren. Met die taak kunnen we nauwelijks beginnen.’

Zestig procent van de mensen die voor de oorlog in Raqqa woonden is inmiddels terug
‘We gaan terug omdat alleen de mensen de stad zijn leven kunnen ­teruggeven. Zonder mensen sterft de stad’

Niet dat er geen mensen in de stad zijn. Inmiddels is het inwonertal weer opgelopen tot driehonderdduizend, waar het er voor de oorlog ruim een half miljoen waren. Er is een team dat alle huizen in de stad heeft genummerd. De commune die een buurt bestiert (elke buurt heeft er een) houdt bij welk huis weer bewoond raakt en met hoeveel mensen. Daardoor weten ze dat er nu 52.462 families in Raqqa wonen van zo’n vijf, zes personen gemiddeld. 5354 van die families zijn ontheemden uit andere delen van Syrië en 28 families zijn vluchtelingen uit Irak.

Geen slechte score na ruim anderhalf jaar, maar voor de wederopbouw is meer nodig, en vooral ook zo veel mogelijk oorspronkelijke Raqqanaren die hun huizen komen herstellen of herbouwen. Abdulsalam Hamsorik, het hoofd van het Bureau voor Sociale Zaken, maakt de vluchtelingenorgansiatie van de VN, de unhcr, scherpe verwijten. Die ontmoedigt mensen terug te keren, omdat Raqqa nog onveilig zou zijn door onontplofte munitie en door IS achtergelaten boobytraps die van huizen moordenaars maken. Hamsorik: ‘Zolang er één mijn ligt, zolang er één geïmproviseerde bom rondslingert, kunnen mensen niet terug, dat is de redenering van de unhcr. Een rampzalig criterium. Wie gaat de stad dan schoonmaken? Mensen van buiten?’

Terugkeerders kunnen een team inschakelen om hun huis boobytrap- en explosievenvrij te maken. Punt is dat mensen dat vaak niet doen. Een familie in het Ain Issa-kamp die aan het inpakken is omdat ze de volgende dag naar huis terugkeren, zegt aan de buren te hebben gevraagd of er mensen in hun huis zijn geweest. Dochter Hanan Mahmoud: ‘De buren zeggen van wel en er is niets ontploft.’ Met andere woorden: de kust is veilig. Ze vertelt over een andere familie in de buurt die weken na terugkeer achter op de keukenkastjes een zwart blik aantrof. Een explosief, vermoedden ze. Hanan: ‘Ze riepen de buren erbij. Die wisten het een en ander over boobytraps en hebben het ding onklaar gemaakt.’ Het huis van de familie Mahmoud is door drie eerder teruggekeerde zoons gerepareerd en de schoondochters hebben gepoetst. Hanan, poëtisch: ‘We gaan terug omdat alleen de mensen de stad zijn leven kunnen teruggeven. Zonder mensen sterft hij.’

Voor Abdulsalam Hamsorik is het zelfs onderdeel van de strijd tegen IS. Hij zegt: ‘Als er niet genoeg mensen terugkeren, wint IS. De strijd is nog niet voorbij.’ Hij verliet de stad zelf toen IS de boel net had overgenomen. Als Koerd liep hij meer risico in de problemen te komen. Hij woont sindsdien in Kobani, vier uur rijden verderop, en rijdt een paar keer per week heen en weer. ‘Er zaten hoge IS-commandanten in mijn huis. Het is helemaal verwoest. Dat is oké. Ik meen het. Het zou egoïstisch zijn te hopen dat je eigen huis nog overeind staat als zoveel huizen zijn verwoest. Mijn familie leeft, ik heb geluk gehad.’

Het is vergelijkbaar met wat Um Ahmad zegt, de moeder van het gezin in het kamp dat naar huis zal terugkeren: ‘Gelukkig was ons huis maar deels kapot.’ Iedereen telt zijn zegeningen en prijst God.

De publieke voorzieningen in Raqqa grenzen aan abominabel. Niet allemaal natuurlijk: er komt water uit de kraan, het vuil wordt opgehaald, er wordt gewerkt aan de infrastructuur. Maar niemand van de stedelingen heeft elektriciteit. Sommige buurten of particulieren hebben noodaggregaten, maar dat kan lang niet iedereen betalen. De ronkende apparaten, die de toch al hete lucht flink vervuilen, leveren bovendien zwakke stroom. De airco doet het er niet op. Een ventilator wel maar die zwiept bij ruim veertig graden Celsius zinloos hete lucht in het rond. Ook koelkasten functioneren niet. Wie het kan betalen, koopt elke ochtend een enorm blok ijs om in de koeler te leggen. Kost een dollar. In een zijstraat van de Nurstraat, ooit de hoofdader van een welgestelde wijk, zijn een paar appartementen in een half kapot gebouw bewoond. Een van de vrouwen die opendoet, vertelt dat ze vijftig dollar huur per maand betaalt. Haar man probeert met de verkoop van snoep en koekjes bij het Ain Issa-vluchtelingenkamp genoeg te verdienen om haar en hun vier kinderen te onderhouden. Hij verdient zo’n tachtig dollar per maand en is alleen vrijdags thuis. Een ijsblok? Ze schudt haar hoofd. Het gezin komt oorspronkelijk niet uit Raqqa, maar uit de regio Deir ez-Zor, zoals veel ontheemden hier. Ze hebben nog een huis en zouden er zo weer in kunnen, maar het ligt in door het regime gecontroleerd gebied en daarom durven ze niet terug. Ze zijn soennitisch en vrezen sjiitische milities. De kinderen gaan nu niet naar school.

Hussam Jassem, die werkt voor een plaatselijke ngo die openbare voorzieningen aan de praat probeert te krijgen, vat de elektriciteitsproblemen samen. Elektriciteitscentrale 4 kan 65 procent van de stad van stroom voorzien. Maar centrale 4 liep in de slag om Raqqa veel schade op, tot een uitslaande brand aan toe. Vervangende onderdelen kunnen onder internationale afspraken alleen worden aangevoerd met toestemming van de centrale autoriteiten en die toestemming geeft Damascus niet. Het is immers niet de bedoeling dat het leven in de door de Syrische Democratische Strijdkrachtengecontroleerde gebieden al te comfortabel wordt.

Toch schittert er in nummer 4 een wandje met witte kastjes die elektrotechnisch ingenieur Abu Majid ‘cellen’ noemt. Net een week geleden geïnstalleerd. Hij werkt al dertig jaar voor het staatselektriciteitsbedrijf en ontvangt nog maandelijks een bescheiden loon. Zodra hij op de een of andere manier onderdelen te pakken heeft gekregen, maakt hij er trots een foto van om te delen op zijn Facebook-pagina. De aanvoerroute die ze nu gevonden hebben, om Damascus heen? Duitse onderdelen, die in Turkije in elkaar worden gezet, worden geheel legaal geleverd aan een ngo in het Midden-Oosten met een vestiging in de Koerdische regio in Irak. Van daaruit worden ze via de pontonbrug die de grens tussen Iraaks en Syrisch Koerdistan vormt, naar Raqqa getransporteerd.

Als hij op de markt loopt, houden mensen hem aan. Hoe lang nog Abu Majid, voor er weer elektriciteit is? Dit jaar niet, denkt hij, maar in 2020 wel. Pikken mensen dat, zo lang zonder stroom? Komen er geen protesten? Zullen mensen zich niet makkelijker weer aangetrokken voelen tot extremisme als de puinhopen groot blijven en belangrijke voorzieningen afwezig? Hussam Jassem wuift dat weg: ‘Weet je wanneer mensen in opstand komen? Als de elektriciteit het niet doet vanwege corruptie. Dat is hier niet aan de hand. Mensen weten heel goed dat we doen wat we kunnen.’

De grenzen daarvan worden mede bepaald door de politieke situatie in de stad, die weer direct verband houdt met hoe de militaire situatie zich ontwikkelt. Kort samengevat: in het voorjaar van 2017 begonnen de Syrische Democratische Strijdkrachten (sdf) de strijd om IS de stad weer uit te krijgen, ondersteund door Amerikaanse bombardementen. De oprichting van de sdf, in 2015, was een verzoek van het Amerikaanse leger. Tot dan toe hadden ze de Volksbeschermingseenheden (ypg) en de Vrouwenbeschermingseenheden (ypj) gesteund in de strijd tegen IS, maar dat stuitte op veel weerstand van Turkije. De ypg en ypj zijn namelijk zusterorganisaties van de pkk, de groep die sinds 1984 gewapend strijd levert tegen de Turkse staat en tegenwoordig autonomie voor de Koerden binnen Turkije als doel heeft. Het doel van de ypg/ypj in Syrië is vergelijkbaar: vergaande democratisering van Syrië en erkenning van Koerdische autonomie. De oprichting van de sdf, een samenwerkingsverband tussen de ypg/ypj en een aantal Arabische en christelijke milities, moest Turkije’s weerstand wegnemen.

Dat deed het niet. Alles wat riekt naar de pkk of waar de ypg/ypj deel van uitmaakt, is volgens Turkije terrorisme. Meest urgente klus volgens Ankara: de ypg/ypj en sdf verdrijven uit het grensgebied met Turkije. Naar verluidt gaan de indirecte onderhandelingen, uitgevoerd door de Amerikaanse Syrië-gezant James Jeffrey, die heen en weer reist tussen Turkije en sdf-gebied, nu over een driehoek die zo’n vijftig kilometer ten oosten van de Eufraat begint, bij Kobani, tot aan Tell Abyad zo’n zeventig kilometer oostelijker en Ain Issa, 45 kilometer ten zuiden van Tell Abyad.

De sdf hebben in een interview met een Turkse journalist gezegd dat ze eventueel best ruimte willen maken voor een internationale troepenmacht langs de grens, maar zich met hand en tand zullen verzetten tegen Turkse overname van het gebied. Geen haar op hun hoofd die erover piekert het gebied uit te leveren aan president Erdogan, zeker niet sinds Turkije begin vorig jaar de Koerdische enclave Afrin in het noordwesten van Syrië binnenviel, met alle ernstige mensenrechtenschendingen van dien.

Raqqa, 5 juni. De kleuren komen langzaam terug in het straatbeeld nadat IS alleen zwart en wit toestond

Het systeem dat de nieuwe autoriteiten in Raqqa opzetten en dat is gebaseerd op lokale autonomie, heet ‘democratisch confederalisme’. Het kan, vinden ze, een blauwprint zijn voor de toekomst van Syrië. In die toekomst is geen plaats meer voor de dictatuur die het land al decennia verstikt en hebben de verschillende bevolkingsgroepen het recht zichzelf te besturen, tot op buurtniveau aan toe. Voor elke etnische en religieuze identiteit zal plek zijn, voor elke taal voldoende ruimte en erkenning.

Het systeem werd geïntroduceerd in de Koerdische gebieden vanaf 2012, toen Assads troepen zich terugtrokken om aan fronten elders in het land te vechten. Inmiddels functioneert het of wordt het opgezet in ruwweg een derde van het grondgebied van Syrië. Internationale erkenning is er echter niet. De troepen die deze gebieden militair verdedigen, de sdf, en de politieke entiteit die hen vertegenwoordigt, mogen, voornamelijk onder druk van Turkije, bij geen enkele bespreking over de toekomst van Syrië aanschuiven. Abdalla Aryan van het reconstructiebureau zegt – en hij is niet de enige in de stad: ‘Wat we nodig hebben, is niet alleen erkenning als militaire partners maar ook erkenning van ons civiele bestuur.’

De lokale Democratische Raad van Raqqa bouwt desondanks stoïcijns door aan het democratisch raamwerk dat de stad een toekomstbestendig fundament moet geven. De sfeer in het nieuwe en rudimentair ingerichte gebouw van de Raad is gemoedelijk. Hier kunnen burgers terecht voor de meest uiteenlopende kwesties, van hervestiging in de stad tot informatie over scholen en gezondheidszorg en van informatie op het gebied van vrouwenrechten tot economie.

‘Zag je geen families zwemmen in de rivier? Is het niet druk op de markt? Als het hier onveilig was, zou jij hier dan zijn?’

In een van de kantoren zit een sjeik. Zijn naam is Fares al-Horan al-Mihed en hij leidt zowel de Mihed-stam als de verzoeningscommissie van de Democratische Raad van Raqqa. Verschillende stammen werken samen in de commissie, die zowel oude als nieuwe conflicten oplost op basis van oude tribale wetten. Dat wekt bevreemding. De ideologie van het democratisch experiment staat bekend om haar vooruitstrevendheid en zelfs om verzet tegen patriarchale structuren zoals tribale systemen.

Er is veel te doen om de verhouding tussen de sdf en hun Arabische strijdmakkers en vooral over de bondgenootschappen die de sdf en het bestuur sloten met Arabische stammen. De sdf en de stammen hadden elkaar nodig om de gezamenlijke vijand, IS, de stad uit te schoppen, maar sindsdien zou de liefde zijn bekoeld. De gedachtegang: de Koerdische en Arabische autonomie onder militaire protectie van de sdf is geen lang leven meer beschoren, want vroeger of later neemt president Assad de macht weer over óf komt Turkije binnen denderen. De sjeiks zouden hun bakens vast verzetten, verguld als ze toch al niet waren met de vooruitstrevendheid van de sdf. De sdf proberen de sjeiks nu dus te paaien, onder andere met posities.

Sjeik Al-Horan al-Mihed schudt zijn hoofd en glimlacht. Juist in dit systeem, zegt hij, hebben tribale tradities een plek. Niet per definitie, maar in Raqqa wel omdat ze hier een onvervreemdbaar onderdeel van de samenleving zijn en het bestuur van de nieuwe administratie daaraan recht wil doen. Volgens hem faciliteren de nieuwe autoriteiten de stammen in feite in hun natuurlijke functioneren.

Hij legt uit: ‘Tijdens de decennia onder het Ba’ath-regime werden stammen tegen elkaar uitgespeeld en werd er binnen de stammen gestookt, bijvoorbeeld door sommige mensen posities te geven in Damascus en andere juist niet. Tijdens IS was onze rol uitgespeeld. Nu bemoeit het bestuur zich zo min mogelijk met ons.’ Met ‘paaien met posities’ heeft dat niets te maken, zegt hij. Het huidige bestuur is erop gericht de stammen juist samen te brengen, zodat ze als eenheid sterk staan tegen bijvoorbeeld nieuwe verdeel- en heerspogingen van het regime of gestook van eventuele andere buitenstaanders. Doel is de autonomie uit te bouwen en te beschermen. De nieuwe spelregels voor de samenleving zijn daarbij overigens wel duidelijk en worden geleidelijk ingevoerd. Om maar eens iets te noemen: de minimumleeftijd om te trouwen is achttien en de tijd dat mannen met meer dan één vrouw konden trouwen, loopt ten einde.

Veel van de conflicten die de verzoeningscommissie nu op haar bordje krijgt, zijn verweven met de opeenvolgende regimes in de stad. Zoals de kwestie die vanochtend op de rol staat: een dispuut over landbouwgrond. De eisende partij is een man die zijn land tijdens de jaren dat IS de macht had, niet heeft bewerkt. Hij voelde zich er onveilig door intimidaties en angst voor explosieven. Een buurman zag zijn kans schoon en bewerkte een deel van het land. Die claimt nu dat hij er de eigenaar van is. De buurman zit op het puntje van de leren bank. Zijn opponent, die met een familielid is gekomen, ernaast. Buurman heeft bewijs en overhandigt een van de vier commissieleden een formulier.

Er zijn getuigen. Ze leggen een eed af en verklaren dat ze vóór IS jaren op het betreffende land hebben gewerkt en nooit voor de buurman maar altijd voor de eisende partij. Buurman verheft zijn stem. ‘Ze liegen!’ Sjeik Al-Horan al-Mihad staat op van zijn bureau. Bedaard maar ferm zegt hij dat het geen pas geeft deze sacrale setting zo te schofferen. De getuigen hebben een eed afgelegd en spreken dus de waarheid.

Het tafereel mag dan associaties oproepen met De rijdende rechter, hier speelt zich iets af met een dieper gewortelde betekenis. Hier spreekt niet slechts de wet. Die is trouwens duidelijk: de buurman geeft toe dat hij voor het formulier is afgereisd naar regeringsgebied en daar heeft betaald voor een eigendomsbewijs. Het document zag er al verdacht spiksplinternieuw uit. Maar er wordt niet meteen met de hamer geklapt. De commissie geeft het een week, dan wordt er officieel beslist. In de tussentijd kan iedereen afkoelen en zich bij de feiten neerleggen. En dan is het conflict ook echt de wereld uit. Dát is het gezag dat de tribale traditie heeft. De stam moet als eenheid verder en de verschillende stammen hebben nog een lange gezamenlijke toekomst voor zich. Sluimerende conflicten kunnen ze daar niet bij gebruiken.

Er zit altijd minstens één vrouw in het vierkoppige team dat zich over een zaak buigt. Alle betrokkenen en alle vier de teamleden moeten met de uitkomst van een verzoening instemmen en ervoor tekenen. Op de vraag of dat nieuw is, dat er altijd minstens één vrouw betrokken is, glimlacht de sjeik opnieuw: ‘Vrouwen hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in het tribale recht.’ Als voorbeeld haalt hij huwelijkse zaken aan, die nu overigens weer veel spelen. IS dwong jonge vrouwen soms met zijn strijders te ‘trouwen’, ook als die vrouwen al getrouwd waren. De wet is duidelijk over het gedwongen tweede huwelijk: ongeldig. Maar de oorspronkelijke echtelieden kunnen ook niet zomaar weer samen verder alsof er al die jaren niets is gebeurd. En wat is de positie van de man die de vrouw dwong te trouwen? Het moet geen bloedbad worden. ‘In zulke gevallen’, zegt de sjeik, ‘is de wijsheid van een vrouw vaak onontbeerlijk. Dat is altijd zo geweest, en niet alleen in familiezaken. Je zou kunnen zeggen dat de rol van vrouwen juist in ere wordt hersteld.’

Luister naar De Groene

In De Groene Amsterdammer Podcast interviewt Kees van den Bosch Fréderike Geerdink over haar verblijf in Raqqa en de mensen die ze er ontmoette. Onze podcast is elke vrijdagochtend gratis beschikbaar via groene.nl/podcasts en via de andere bekende podcastkanalen

Hoe langer je in de stad bent, hoe vrijer en ontspannener je je voelt. Toch ligt extremisme nog op de loer. IS heeft geen territorium meer maar verslagen is de groep allerminst. Zogenoemde sleeper cells zijn overal actief, zowel in Irak als in Syrië en dus ook in Raqqa. Het is een van de redenen dat we ’s nachts alleen met speciale toestemming van de sdf in de stad mogen blijven. Als we dat twee nachten doen en ’s avonds de straat op willen om te kijken hoe levendig het is en of we ergens, noem eens iets, een ijsje kunnen krijgen, worden we tegengehouden. De volgende dag legt Ammar (‘Nee, geen achternaam’), plaatsvervangend hoofd van de veiligheidspolitie, uit waarom: ‘Het praat zich snel rond dat er een buitenlander in de stad is. Als sleeper cells iets willen, doen ze dat ’s avonds en dan ben jij zeker een doelwit. Dat risico gaan we niet lopen.’

Het is ook de reden dat we verplicht in een door de sdf aangewezen hotel verblijven. Fotograaf Aboud Hamam had ons graag onderdak verschaft, maar het mag niet. Hamam baalt daarvan want hij snakt naar wat ouderwets leven in zijn huis. De regels zijn aangescherpt na een akkefietje met een Franse fotograaf die ineens verdwenen leek. Iedereen in rep en roer, veiligheidsdiensten en politie op zoek, tot de Fransoos de volgende ochtend werd aangetroffen op de markt, waar hij doodleuk foto’s stond te maken. Hij had op een bank bij mensen thuis geslapen en wist niet dat er alarmbellen waren afgegaan. Onverantwoord. Wie weet op wiens bank je crasht en wat je gastheren met je van plan zijn?

Er zijn ook niet veel mensen buiten ’s avonds, zegt Ammar. De straten zijn pikdonker. Twee, drie straten zijn verlicht door de energie die in zonnecellen aan lantaarnpalen wordt opgeslagen, maar dat is dat. Het voelt onveilig.

Maar het ís niet onveilig, haast Ammar zich te zeggen. De sdf en de veiligheidspolitie hebben de situatie onder controle. Het schieten dat we ’s avonds in de stad horen, is vreugdevuur bij bruiloften, verzekert hij. ‘Dat hebben we net na de bevrijding een tijdje verboden, maar weer toegestaan omdat het hier bij ceremonies hoort.’ Op een twijfelende blik reageert hij met: ‘Zag je geen families zwemmen in de rivier? Is het niet druk op de markt? Als het hier onveilig was, zou jij hier dan zijn?’

Het is waar, de stad leeft, maar bomvrij is Raqqa niet. Begin juni nog, op het Naimplein, was een sdf-post doelwit. Vijf sdf-soldaten en vijf burgers kwamen om. Een maand eerder: acht doden, deels burgers, bij een dubbele aanslag. Ammar: ‘Dat wil niet zeggen dat IS sterk is. Het is tot op zekere hoogte een probleem, ook omdat het mensen belemmert terug te keren naar hun huizen.’

Bommen halen de media; volle markten, wegwerkzaamheden en verzoeningsceremoniën niet. Fotograaf Aboud Hamam doet wel nieuwsfotografie, maar zijn specialisatie is documentaire. Laatst ging er een geluidsbom af: veel lawaai, weinig wol. Hij heeft er niets mee gedaan want hij wil niet bijdragen aan het doel van de bomleggers; namelijk onrust, onzekerheid en angst zaaien.

Maar, zegt hij er nadrukkelijk bij, hij heeft zich ook nu niet geconformeerd aan de autoriteiten en volgt dus niemands instructies. Dat is nou juist zijn kracht. Hij is zelfs een week vastgehouden door de veiligheidspolitie, nét nadat IS eruit geschopt was. Het wekte argwaan dat hij in een half-kapot appartement zat met een camera en satellietapparatuur. Toen ze zijn achtergrond hadden uitgezocht, werd hij weer vrijgelaten en nu kan hij zijn gang gaan.

De naam Nur Firat gebruikt hij niet meer. Ook zijn andere schuilnaam, Abu Nur Libiyi, is verleden tijd. Om die naam grinnikt hij, en hij legt uit: ‘Dat was tijdens IS, toen ik wat mensen had wijsgemaakt dat ik uit Libië kwam.’ Om Nur Firat grinnikt hij niet. Hij mist hem: ‘Nur Firat is succesvol geweest. Hij zal altijd een deel van mij zijn.’


Dit artikel is tot stand gekomen met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten, fondsbjp.nl