Op zoek naar Charles Taylor

Terug naar Liberia

In 1993 versloeg Jacqueline Maris voor de BBC een bloedbad in Liberia, aangericht door regeringssoldaten. Zeven jaar later keerde ze terug, op zoek naar Charles Taylor. De voormalige rebellenleider regeert nu zelf met harde hand.

Het beeld van de mooie ogen is me zeven jaar bijgebleven. Toen de Nigeriaanse militair de deken terugsloeg, zag ik haar hersenen in het oranje zand. Ik zag de baby in de omslag doek van zijn moeder; de vader die zijn zoontje met zijn lichaam had willen beschermen. Het tafereel waarvan ik twaalf uur na de massamoord op bijna vijfhonderd Liberiaanse vluchtelingen getuige was, ging de geschiedenis in als de Harbelmassacre. Het gebeurde in de nacht van 5 op 6 juni 1993. Nu heerst er vrede in Liberia en is de voor malige rebellenleider Charles Taylor president.
Minister van Informatie Joe Murbah is een man met macht. Dit betekent dat hij bulderend achter zijn bureau zit, de hele dag CNN kijkt en over een secretaris beschikt die bezoekers tegenhoudt. In de jaren tachtig was de huidige minister fel anti-Taylor. Hij tekende politieke cartoons waarop dictator Samuel Doe de rebellenleider onder zijn legerlaars verpulverde. Vlak na het uitbreken van de oorlog in 1989 werd Murbah door Taylors mannen gevangengenomen. Hij redde zijn leven door over te lopen. Eerder deze week bracht ik de minister een brief voor de president en een flesje whisky voor hemzelf in de hoop een en ander te bespoedigen. Want Murbah is mijn schakel naar Taylor.
Het hokje van Murbahs secretaris is leeg. Een stroom van gelach en gesprekken waait over de afscheidingen van hardboard. De deur van de ministerskamer, die wel echte muren heeft, gaat open en een blanke man haast zich langs ons. Even later keert hij terug met een tweede man en verdwijnt weer in Murbahs kamer. Persbegeleider Joe Davies sist: «cnn.» Na enkele minuten wachten steekt Davies zijn hoofd naar binnen. Geschreeuw klinkt; de deur knalt dicht en een sleutel wordt omgedraaid. «Big money-business going on», mompelt Davies.
Taylors verhouding met het Westen heeft een dieptepunt bereikt. Amerika beschuldigt de president van diamantsmokkel en illegale wapenhandel waarmee hij de rebellen in Sierra Leone zou steunen. Groot-Brittannië dat sterke banden heeft met (de diamanthandel in) Sierra Leone, zette de Europese Unie onder druk om tot sancties over te gaan. Groot-Brittannië wil ook dat Liberia wordt geschrapt van de IMF-lijst van landen die in aanmerking komen voor kwijtschelding van internationale schulden. Taylors antwoord is de aanval. De regeringskrant The Patriot waarvan Davies hoofdredacteur is, toont een foto van een ernstig kijkende president die «diep nadenkt over de problemen van het land». Volgens de krant is er sprake van «buitenlandse agressie». Amerika en Groot-Brittannië zouden de recente onlusten in het noorden bij de grens van Guinee financieren. Ook duiken er samenzweringsverhalen op dat «de Amerikanen» twee miljoen dollar betaalden om Taylor te vermoorden.
Joe Davies denkt dat «the old man» me — ondanks de anti-westerse stemming — wel wil zien. Mijn verslag voor de BBC over het bloedbad in Harbel was gunstig geweest voor Taylor, die toentertijd meteen als schuldige werd gebrandmerkt. VN-onderzoek wees achteraf uit dat niet Taylors mannen maar een onderdeel van het officiële leger de vluchtelingen had afgeslacht.


Mijn vrienden van toen — Mike Dennis en Kolebar Hinneh — kunnen me geen onderdak verlenen. Mike die al tien jaar werkloos is, woont met vier kinderen op twee kamertjes. Zijn vrouw haalt af en toe kokosolie uit het binnenland die ze op de markt verkoopt. Als ze weer op reis gaat, wil Mike mee om goud te zoeken in de jungle. Hij heeft alleen nog een schep en een zeef nodig. Kolebar heeft inmiddels de zorg voor elf kinderen die allemaal in de ruimte achter zijn winkeltje slapen. Hij kreeg er sinds het begin van de oorlog twee gezinnen van vermoorde familieleden bij. Afgelopen december schreef hij dat er «too many guns in the wrong hands» zijn. Hij eindigde zijn brief met de cynische geruststelling dat blanke mensen minder risico lopen dan de Liberianen zelf.
Ik logeer bij Bendu Tulay die leeft op dollars van voor de oorlog. Overal in Bendu Tulays slaapkamer staan koffers en tassen met tientallen jurken, kilo’s make-up en juwelen. Acht jaar geleden was ze hoogzwanger toen de rebellen schietend de straat inkwamen. Toen ze terugkeerde, vond ze een leeggeplunderd huis zonder dak. Vier jaar later moest ze weer vluchten tijdens de beslissende slag om Monrovia, die werd gevoerd tussen Taylors mannen en de West-Afrikaanse vredesmacht Ecomog. Drie weken lang was ze haar kinderen kwijt. «Nog één kogel en ik ben voorgoed vertrokken.»
Sinds de toestand «normaal» is, heeft Bendu een goede baan bij het ministerie van Gezondheid & Sociale Zaken. De salaris betaling loopt echter een half jaar achter. Haar man Nathan was ooit ingenieur bij het Waterbedrijf, maar werd ontslagen omdat hij zich politiek niet wilde binden.
Hun huiskamer is een komen en gaan van — kritische — intellectuelen. Ze klagen dat er geen boeken meer zijn in Liberia. Tienduizenden boeken zijn tijdens de oorlog verbrand of in de natuur achtergelaten; een uitgeverij is er nog niet. De enige boekwinkel van Monrovia verkoopt beduimelde exemplaren van Amerikaanse driestuiverromans.


De burgeroorlog, die van 1989 tot 1996 duurde en honderdduizenden levens kostte, verwoestte het land. Van de tweeëneenhalf miljoen inwoners die Liberia telde, is een groot deel naar de buurlanden gevlucht en nog niet teruggekeerd. Al acht jaar leeft Monrovia zonder elektriciteit; in het grootste deel van de stad is de waterleiding kapot. Bendu Tulay heeft een speciale bediende die de hele dag met water sjouwt. Toen haar dochtertje een keer onder een echte douche stond, dacht ze dat het regende. Een oude koelbox dient als ijskast. De generator van de benzinepomp aan de grote weg gaat elke avond onverbiddelijk uit. Meestal midden in een speech van Taylor of een Bond-film.
Een nieuwe gast arriveert in de huiskamer van de Tulays. Het is de broer van de voormalige krijgsheer Alijah Kromah die nu in het parlement zit. Taylor heeft een arresta tie bevel tegen Kromah uitgevaardigd omdat hij een van de aanstichters van de onlusten in het noorden van Liberia zou zijn. Volgens de presidentiële persdienst is er op het lijk van een tegenstander een papier met namen van sympathisanten aangetroffen. Naast Kromah staat ook Taylors eigen nicht Ellen Johnson Sirleaf — voormalig Afrikaans directeur bij de UNDP, de ontwikkelingsorganisatie van de VN, en gewaardeerd oppositielid — op de lijst. Ze bezocht een congres in het buitenland toen het nieuws bekend werd. Als ze voet op Liberiaanse grond zet, zal ze worden gearresteerd.
Het gerucht gaat dat Taylor in Lofa een uitvalsbasis creëerde voor rebellen uit buurland Sierra Leone, maar niemand kan iets bewijzen. Het is niet eens zeker of er wel echt een oorlog gaande is. Taylors troepen grendelden het gebied begin juli vorig jaar af. Volgens Artsen zonder Grenzen zijn er geen vluchtelingen gesignaleerd. Wel komen er wekelijks gewonde soldaten in Monrovia aan. Dat sommigen Creools, de taal van Sierra Leone, spreken is publiek geheim. Net als het feit dat commandant Musquito, een beruchte rebel uit Sierra Leone, een veilig onderkomen vond in Monrovia.
De Tulay-huiskamer gonst van dergelijke verhalen. Alijah Kromahs broer schakelt over op het Mandi, de taal van de moslims in het noorden. Zijn stem klinkt dreigend. Bij het afscheid strekt hij zijn arm langs zijn lichaam en gaat stram in de houding staan. Volgens Nathan Tulay is de Kromah-clan gereed om weer de «bush in te gaan».


Joe Davies werd als aanhanger van het eerste uur direct na het begin van de oorlog opgehaald om ver weg in de bush Taylors perscontacten te regelen. Zijn taak was het begeleiden van buitenlandse journalisten vanuit buurland Ivoorkust naar het guerrillafront. Op de correspondent van de Financial Times na die scrambled eggs wilde in de jungle, prees iedereen de openheid van de rebellenleider. Bijna dagelijks was Taylor voor de BBC-radio te horen met verhalen over recht en onrecht. Wie hem zag raakte — net als Davies — in zijn ban.
Bij de verkiezingen in 1997 stemde driekwart van de Liberianen op Charles Taylor. Men hoopte dat hij het land uit het dal zou trekken. Het lijkt er echter op dat hij zich sindsdien alleen maar sterker heeft verschanst binnen zijn vestingen. Rondom zijn huizen wemelt het van mannen in pakken die op geparkeerde jeeps, bankjes en buitentrappen naar het dak rondhangen. Sommigen dragen openlijk automatische geweren. Als Charles Taylor ergens heengaat, sluiten zijn veiligheidsdiensten de stad af. Vorige maand nog zag een nieuwe dienst het levenslicht, de zwaarbewapende Anti Terrorist Unit. Van de afgesproken hervorming van het leger waarbij Taylors troepen moeten samengaan met de officiële strijdkrachten van Liberia, het afl, is nog niets terechtgekomen.


Bij het toegangshek tot het presidentieel paleis staan twee gewapende mannen. Davies, die dagelijks vanuit het ministerie van Informatie naar het presidentieel paleis gaat, moet de achterklep van zijn auto openen. Een man met zonnebril bestudeert Davies’ personeelskaart. Pas na een telefoontje gaat de poort open. «Stommelingen, ongeletterde varkens», zegt Davies. «Ze waren alleen goed in de bush, je gaf ze een geweer en ze overleefden.»
De president is halsoverkop naar het militaire vliegveld vertrokken waar gewonde soldaten uit het noorden zijn gearriveerd, meldt Taylors persoonlijk secretaris Reginald Good ridge. Maar, zo zegt hij, zaterdag wil de president me ontvangen. Als ik Goodridge die zaterdagochtend op zijn mobiele telefoon bel, klinkt hij ontzet. De buitenlandse journalisten die ik eerder op het ministerie van Informatie zag zijn gearresteerd. Volgens Goodridge wilden ze met in scène gezette beelden — bijvoorbeeld van de president op weg naar zijn zogenaamde privé-diamantmijn — Liberia’s betrokkenheid bij de oorlog in Sierra Leone bewijzen. «The president is in a very bad mood, he doesn’t want to see any foreign journalist.»


De vrouw van onderminister van Gezondheid & Sociale Zaken Arthur Saye viert haar verjaardag. Zij is de zus van Taylor. In de tuin staan jeeps met opgespoten vlammen en veel chroom. Iedereen die iets betekent, heeft een jeep of krijgt er een van de president die een zwak voor dure auto’s heeft. Zijn dochters huwelijkscadeau bestond uit een four wheeldrive van tachtig duizend dollar. Regeringsauto’s dragen mees tal het nummerbord PRG, net als de auto’s die Taylors mannen in de rebellentijd gebruikten. Toen was het land in tweeën gedeeld. Er lag een Ecomog-cordon rondom Monrovia. Daarbuiten, in Greater Liberia zoals Taylor het noemde, heerste hijzelf. Alijah Kromah en Prince Johnson waren zijn enige concurrenten.
Taylors droom van zijn rebellenrijk Greater Liberia lijkt verwezenlijkt, nu hij ook de baas is in Monrovia. De rebellenradio werd staatsradio en er kwam staats-tv. De ex-strijders vormen leger en politie, en zijn beste bush-vrienden werden minister. Ook Saye zat jarenlang in Taylors bush-regering. Hij vertrouwt alleen zijn kameraden. «Tegen je vrouw zeg je andere dingen dan tegen je broers.» De prille democratie lijdt onder haat en wantrouwen. Logisch vindt Saye: «Bij jullie gingen de Duitsers na de oorlog naar huis; hier is de vijand gebleven.»


De bon-ton van Monrovia is aanwezig op het verjaardagsfeestje. De veranda zit vol mensen terwijl binnen de champagne knalt. Meisjes lopen af en aan met voedsel en drank. Veel mensen drinken frisdrank. Alleen de tonronde minister van Sport heeft een dikke sigaar op tafel liggen. Bendu Tulay draagt een oranje Afrikaans gewaad met daar onder een lapa, een Liberiaanse omslagdoek van witte zijde. Goud flikkert in haar oren. Bijna alle gasten zijn gehuld in majestueuze Afrikaanse creaties. Volgens Bendu hebben Liberianen zich sinds de oorlog van hun grote broer Amerika afgewend en hun Afrikaanse wortels (her)ontdekt.
Liberia werd in de negentiende eeuw gesticht als vrijstaat voor naar Afrika teruggestuurde ex-slaven uit Amerika. Nog steeds is er wrijving tussen de afstammelingen van deze Americo-Liberianen en de inheemse volken die pas in 1980, toen Samuel Doe een staatsgreep pleegde, macht kregen. Vandaar dat Charles Taylor een Afrikaanse tussennaam — Ghankay — heeft genomen en zichzelf Dakhpannah noemt, de eretitel voor een oude medicijnman.
Gastheer Saye bekritiseert zijn zwager liever niet, al beschouwt hij diens huidige anti-Amerikaanse houding als een «dwaling». Vanaf het begin van de «lastercampagne» tegen Liberia — dat van oudsher een doorvoerland is voor diamanten uit buur landen — heeft Taylor elke betrokkenheid bij illegale diamanthandel ontkend. Bewijs voor de beschuldiging is tot op heden niet boven tafel gekomen. Toch heeft Liberia Amerika nodig, denkt Saye: «Als Amerika ons serieus neemt, volgt de rest van de wereld vanzelf. Amerika is ieders big brother.»
Langs Broadstreet in het centrum van Monrovia staan borden met de tekst «be small — THINK BIG» en «Liberia is a nation of laws and not of men». Met deze slogans probeert Taylor de failliete Liberianen een hart onder de riem te steken. Op de staats-tv zingt een gospelzangeres onder luid vogelgekwinkeleer over het «zoete land van vrijheid». De kapotgeschoten stad is buiten beeld gelaten. Beelden van flatgebouwen en mooie bomen langs de oceaan glijden voorbij. Ondertussen wordt de stad geteisterd door ongedierte. Bendu Tulay spuit dagelijks tegen insecten. Het ministerie van Gezondheid & Sociale Zaken dat geld van Unicef krijgt, is begonnen met een stedelijke schoon maakactie. Hoge ambtenaren als Bendu en de minister zelf gaan de straat op. Bendu deelt een paar keer per week maaltijden uit aan een ploeg van tachtig mensen. Deze vrijwilligers brengen het vuil uit de shantytowns naar de hoofdstraten, waarvandaan het per truck naar het moeras bij Monrovia wordt gereden. Daar gedumpt vuil levert weer bouwland op voor nieuwe woonwijken, die nodig zijn omdat het inwonerstal van de stad door de oorlog is vertienvoudigd.
Ook in New Kru-town waar Mike Dennis en Kolebar Hinneh wonen is het vuil opgehaald. De waterleidingen zijn er met EU-geld gerepareerd, want in de dichtbevolkte shantytown was de kans op ziekte groot. Ondanks deze positieve ontwikkelingen durft Kolebar Hinneh niet aan de toekomst te denken. De optimist die in 1993 tussen de ruïnes van zijn kapotgeschoten huis cassave verbouwde, heeft de moed verloren. «Deze man blijft minstens twintig jaar aan de macht», zucht hij.
Dat er inderdaad wapens in verkeerde handen zijn, zoals hij me schreef, zie ik de laatste dag op weg naar het vliegveld. Uit een rode jeep stappen twee mannen. Een man in Armani-pak beveelt zijn metgezel om de chauffeur van een op de weg stilstaande vrachtauto uit de cabine te trekken. De zon flitst over een zilveren pistool. Het wapen in de hand van de Armani-man drukt tegen een zwarte slaap. De vrachtwagenchauffeur wordt op de grond gegooid; wij rijden snel door. In Liberia bemoeit men zich met zijn eigen zaken. Vorig jaar nog waagde een taxi het een geblindeerde jeep in te halen. De taxichauffeur werd met één schot afgeknald. De moordenaar — een volgens Kolebar «powerdrunk» geworden zwager van de president — zit gevangen. «Althans», voegt hij eraan toe, «dat zeggen ze.»