Wordt Libië de nieuwe uitvalsbasis voor IS?

Terug naar Sirte

In oktober vorig jaar werd fotograaf Jeroen Oerlemans in de Libische stad Sirte doodgeschoten door een sluipschutter van IS. Een jaar later keert Joanie de Rijke terug naar het voormalige IS-bastion dat inmiddels is bevrijd. Wat heeft de strijd opgeleverd?

Medium beeldunie 00143044
Foto van Jeroen Oerlemans, 2 oktober 2016, aan de frontlijn in Sirte waar hevige gevechten plaatsvinden tussen Libische rebellen en Islamitische Staat © Jeroen Oerlemans / de Beeldunie

Het leven is terug in Sirte. Reden we vorig jaar nog in een beklemmende stilte door spookwijken op weg naar de frontlijn, nu zijn de straten weer vol mensen, geuren en kleuren. Knalrode en groene vrouwenjurken hangen aan de ramen van de winkels, bij de eetkraampjes geurt het naar verse koffie en gebraden vlees en overal klinkt het geluid van ongeduldig toeterende auto’s. Een schril contrast met de rijen aan puin geschoten woningen en doorzeefde autowrakken; sombere restanten van een oorlog die bijna acht maanden woedde.

Begin 2015 werd de geboortestad van Muammar Kadhafi door Islamitische Staat ingenomen, samen met 250 kilometer kustlijn. De inwoners van Sirte lieten het gebeuren zonder veel verzet. De meesten waren nog altijd pro-Kadhafi en verwelkomden iedereen die het wilde opnemen tegen de rebellen van de revolutie in 2011. Maar de ware aard van IS kwam snel boven, de aanvankelijke sympathie van de jihadisten sloeg om in hetzelfde schrikbewind dat ze in andere veroverde steden hanteerden.

In mei 2016 zette een coalitie van Libische milities en gevechtstroepen, gelinkt aan de internationaal erkende regering van Tripoli, een grootschalig offensief in tegen de terreurbeweging. De eerste maanden was de internationale pers alomtegenwoordig, maar na de zomer raakte de strijd in de vergetelheid. De aandacht ging naar Syrië, Irak en de vluchtelingenstroom in Europa.

Toch keerden Jeroen Oerlemans en ik terug [voor de reportage ‘De truc is: blijf weg van muren’, red.], eind september. Sirte mocht dan uit de belangstelling zijn, dat betekende niet dat er geen reportages te maken vielen. We gingen op stap met de ontmijners die dagelijks tientallen boobytraps en bommen in de bevrijde wijken opruimden, en we luisterden naar de gruwelijke ervaringen van vrijwilligers over het opgraven van haastig begraven of achtergelaten lijken.

De dag voor Jeroen zou vertrekken, zondag 2 oktober, reden we voor de vierde keer die week de lange kustweg af naar Sirte. Er zou zwaar gevochten worden vandaag, de paar aanwezige buitenlandse journalisten en fotografen waren allemaal onderweg naar de frontlijn. Die bevond zich op verschillende plekken in de twee resterende wijken waar IS nog de controle had. De stad was voor tachtig procent bevrijd en de strijd werd met de dag grimmiger.

Een paar uur later verlieten we Sirte. In vliegende vaart. Ik zat op de plek in de auto waar Jeroen altijd plaatsnam. Vooraan naast de chauffeur. Deze keer geen vlammende zonsondergang boven de woestijn. Alleen de vuilwitte ambulance voor ons, op weg naar het mortuarium.

Nu sta ik opnieuw in de Libische havenstad. Ik wil weten of die vervloekte oorlog ook maar enige zin heeft gehad. Of de vrede duurzaam is of een luchtbel die ieder moment uiteen kan spatten. Want de geluiden dat IS nog steeds in kleine groepen aanwezig is, zo’n veertig kilometer ten zuiden en oosten van de stad, klinken steeds hardnekkiger. In een chaotisch land met twee rivaliserende machtsblokken – in het westen de regering van premier Sarraj, in het oosten de krijgsheer kolonel Haftar – en een gigantische woestijn als achtertuin is dat niet geruststellend. Al maakt Khalifa Haftar in het oosten korte metten met de wildgroei van extremistische groeperingen, Libië is en blijft een aantrekkelijk land voor militante organisaties. Zeker nu het kalifaat in Syrië en Irak is ingestort, is Libië een nieuwe bestemming voor gevluchte IS-strijders geworden. Regelmatig bombarderen Amerikaanse gevechtsvliegtuigen stellingen van IS ten zuidoosten van Sirte in het uitgestrekte woestijngebied. Een signaal dat de VS het serieus nemen.

Commandant Abdelhamid Armali, in dienst van het ministerie van Defensie in Tripoli, vergezelt ons met drie militairen naar area 1, de wijk waar Jeroen vorig jaar om het leven kwam. We parkeren aan de voormalige frontlijn. Ik wil de plek terugzien om het daarna achter me te kunnen laten.

Alles blijkt er nog precies hetzelfde uit te zien. Stukgeslagen ramen, ingestorte daken, gaten in de weg. De verwoesting is overal. Het plein waar we destijds met tientallen Libische rebellen beschutting zochten tegen de sluipschutters van IS ligt er verweesd bij. De leegte gaapt ons aan. Geen ‘Allahoe akbar’ roepende rebellen meer, geen geur van angstzweet, geen knetterende geweersalvo’s. Niets. Alleen woekerend onkruid. Op de plek waar Jeroen werd neergeschoten steken armetierige bruingroene sprieten uit de grond. Daarachter een muur met talloze kogelgaten. De stilte weegt als lood.

Commandant Armali staat er verlegen bij met zijn drie mannen. ‘Er is die middag nog iemand omgekomen op deze plek’, klinkt het na een paar minuten. ‘Een van mijn mannen stierf door een bomauto die IS op ons af stuurde. Een ander verloor zijn benen. Ikzelf raakte ook gewond. Maar dat is niets, ik ben er nog.’

‘Er is geen geld voor de opbouw. De regering in Tripoli belooft dat wel maar we hebben nog niets gezien’

Twee dagen later verjoeg zijn eenheid de sluwe IS-snipers aan de overkant. ‘We hebben ze allemaal gepakt. Ik denk niet dat er één levend uit is gekomen.’

Bij de civiele raad van Sirte hoor ik dat zeventig procent van de bewoners inmiddels is teruggekeerd. De huizen van de overige dertig procent zijn dusdanig verwoest dat de eigenaren elders moeten verblijven. Area 1 is het zwaarst getroffen. ‘Er is geen geld voor de opbouw’, zucht Mohtar Al Mahadani, leider van de raad. ‘De regering in Tripoli belooft dat wel maar we hebben nog niets gezien. Dus werken we zelf aan het herstel van de stad, en dat lukt aardig. Sommigen leven in één opgelapte kamer, de rest van het huis is onbewoond. Maar beter zo dan in een andere stad wachten tot Tripoli ooit met geld over de brug komt.’

Wat is er gebeurd met de families die IS steunden? vraag ik. ‘Een aantal familieleden van IS-strijders is teruggekeerd na de bevrijding. We willen dat liever niet, maar als ze niets strafbaars hebben gedaan, kunnen we ze niet weigeren. Sowieso wordt iedere familie die terugkeert door ons verhoord. Daarna moet het gezin een verklaring ondertekenen, anders komen ze de stad niet binnen. In het attest moeten tien buren van het gezin verklaren dat ze de familie vertrouwen. Voorts moet iedere burger van Sirte een overeenkomst ondertekenen waarin staat dat hij IS op geen enkele manier zal steunen, niet zal bellen en geen informatie zal geven. En als hij zelf informatie over IS heeft, is hij verplicht dat door te geven aan de civiele raad. Wie het contract schendt, wordt gearresteerd.’

Al waart IS rond in de woestijn buiten de stad, toch voelen de meeste bewoners zich redelijk veilig, klinkt het op straat. ‘Ik ben veel te blij dat ik weer kan roken, bellen en muziek maken’, zegt Moneer Amuda, eigenaar van een trouwjurkenwinkel. ‘Als ik me zorgen moet maken dat ik die vrijheden straks weer verlies, word ik doodongelukkig. Wat we nu vooral doen, is genieten. Een sigaret smaakt nog altijd fantastisch na ruim een jaar rookverbod.’ Breed lachend haalt hij een verkreukeld pakje te voorschijn en steekt er een op: ‘Geen terrorist die me dit nog afpakt.’

De stad wordt bewaakt door twee brigades waarin zowel bewoners als militairen actief zijn. De veiligheid aan de randen van Sirte nemen de mannen van operatie Al Bunyan al Marsus, zoals het offensief vorig jaar werd genoemd, voor hun rekening. Allemaal vrij solide, ware het niet dat er een sluimerende machtsstrijd bezig is tussen de Misrata-troepen en de militairen in dienst van Tripoli. Beide willen liefst de volledige controle over de stad en zijn bijgevolg meer bezig met elkaar onder de duim te houden dan met de strijd tegen IS.

In een statig buitenhuis aan de zuidkant van Sirte verblijft kolonel Ali Arfida. Hij leidde de militaire operatie tegen IS en zwaait nog steeds de scepter over de mannen die de veiligheid van Sirte moeten waarborgen. ‘Kleine IS-eenheden van tien tot 25 man installeren ’s nachts controleposten op de toegangswegen naar Sirte’, legt hij uit. ‘Iedere auto die passeert is de klos. Ze overvallen ook controleposten van ons, of kleine, afgelegen dorpen. Allemaal om te laten zien dat ze er nog zijn. Intussen hebben wij er onze handen vol aan. Maar we zijn redelijk tevreden over de samenwerking met de VS. Als we ze bellen, komen ze. Hun bombardementen blijken een probaat afschrikmiddel. Al blijft het een voortdurende strijd.’

Libië is bijna twee miljoen vierkante kilometer groot, met een bevolking van ruim zes miljoen inwoners. In de dunbevolkte delen van het land, enorm woestijngebied, is nauwelijks controle. ‘Ideaal voor ontsnapte IS-strijders’, zegt kolonel Arfida. ‘Ze zien eruit als doorsnee Libiërs, mengen zich onder de bevolking, gaan naar de winkel, enzovoort. Zolang ze zich gedeisd houden legt geen mens ze een strobreed in de weg. Dat geeft hun tijd om zich te hergroeperen en opnieuw onverwacht toe te slaan. Kleinschalig weliswaar, maar we moeten constant op onze hoede zijn. De IS-militanten posten nog steeds afschuwelijke filmpjes waarin ze zwaaien met afgehakte hoofden van bewakers bij controleposten. Je zou er maar zitten en midden in de nacht overvallen worden door een bende idioten die als beesten tekeergaan.’

Analisten in Libië schatten dat minstens enkele honderden militanten zich schuilhouden in de gigantische woestijn. Islamitische Staat heeft constant nieuwe krachten nodig en rekruteert Afrikaanse migranten, onderweg naar een beter leven. De vaak ongeschoolde, straatarme mannen nemen het aanbod van een goed betaalde job bij de beweging maar al te graag aan. Waarna ze worden aangemoedigd om anderen in hun thuisland op te bellen en ze naar IS te lokken met de belofte van geld, een auto en ‘zoveel vrouwen als je maar wilt’.

‘Het grootste gevaar voor Libië vormen de Nigerianen, gesteund door de terreurbeweging Boko Haram’, weet kolonel Arfida. ‘We hebben ook informatie over uit Irak en Syrië gevluchte IS-strijders die bijeenkomen in Nigeria en via Niger en Tsjaad de zuidgrens met Libië oversteken. Die grens ligt in de woestijn en is grotendeels open.’

Zijn mannen zijn nodig, benadrukt Arfida. ‘We patrouilleren dagelijks. Veertig kilometer verderop naar het oosten begint het niemandsland tussen ons en de troepen van Khalifa Haftar. Een stuk land van vijftig kilometer lengte. Wij gaan het gebied soms binnen, net als Haftars mannen, en we zien IS er regelmatig rondstruinen. Ze rennen gewoonlijk snel weg, maar als we dichtbij zijn, schieten we.’

‘De operatie tegen IS heeft ons 771 doden gekost. Als we stoppen, zijn al die doden voor niets gestorven’

Door de aanhoudende onstabiele politieke situatie in Libië raakt de ingestorte economie van het land niet uit het slop. Gevolg is dat de regering in Tripoli nog altijd met achterstallige betalingen kampt en geen geld heeft om de nationale veiligheid te versterken. Politie en militairen worden niet of nauwelijks betaald. De belangrijkste bron van inkomsten in Libië komt van de productie van olie en aardgas. Maar de staatskas zit met ernstige tekorten omdat de overheid zich nog altijd baseert op de oude olieprijzen, toen een vat olie honderd dollar kostte en Libië zo’n 1,3 miljoen vaten per dag produceerde. De val van de olieprijzen in 2009 en de politieke problemen na de revolutie in 2011 vormen de grootste oorzaken van de afname van de productiecapaciteit. Gevolg is dat de totale olieomzet met de helft is verminderd vergeleken met de situatie van voor 2009.

‘Als het in een ontwikkeld westers land slecht gaat met de economie, dan wordt er in de uitgaven gesnoeid. In Libië dus niet’, zegt Zami Zaptia. Hij volgt de Libische economie al jaren en schrijft erover voor de krant Libya Herald. ‘Om de situatie te begrijpen, moet je teruggaan naar de tijd van Kadhafi. Het regime hield de bevolking bewust afhankelijk om politieke controle te behouden. In ruil kregen de mensen gratis zorg, gratis huisvesting, elektriciteit en onderwijs. Ook deelden ze mee in de winst van de genationaliseerde olie-industrie. Libië werd daardoor als een van de rijkste landen van Afrika beschouwd. Maar de bevolking was het niet gewend om ook maar enig initiatief te nemen. Alles werd voor hen verzorgd en geregeld. Dat wreekt zich nu.’

Sinds 2011 blijkt de regering – zowel in het westen als in het oosten – niet in staat serieuze besparingsmaatregelen door te voeren. Het resultaat is een acute economische crisis. ‘Dat heeft weer tot gevolg dat de bevolking haar vertrouwen in de overheid grotendeels is verloren en weigert haar geld nog naar de bank te brengen’, zegt Zaptia. ‘Volgens experts gaat het omgerekend om miljoenen euro aan cash die thuis worden bewaard. Er circuleert dus weinig geld in de Libische banken waardoor ook weinig cash kan worden uitgegeven. In Tripoli staat de bevolking dagelijks in rijen voor de banken in de hoop een paar tientallen euro’s te kunnen afhalen.’

Om de olieproductie weer definitief op peil te krijgen is grondig onderhoud van de bestaande olievelden nodig. Maar het ontbreekt Libië aan gekwalificeerde mensen. ‘Vroeger zat de top van de Europese en Amerikaanse olie-industrie in Libië’, gaat Zaptia verder. ‘Die bedrijven hadden de juiste mensen in dienst om de olieproductie voor honderd procent te doen draaien. Niet dat de Libische ingenieurs het slecht doen, integendeel. Maar om meer olie te produceren en dieper te kunnen pompen, is een hoogtechnologisch systeem nodig en daar hebben we de juiste mensen niet voor in huis.’

De belabberde veiligheidssituatie houdt internationale oliemaatschappijen tegen om gekwalificeerd personeel naar Libië te sturen. ‘De kans op ontvoering is niet gering’, zegt Zaptia. ‘Redenen te over voor de overheid in Tripoli om van de veiligheid een dringende prioriteit te maken. Maar de ironie wil dat de vele milities sinds de val van Kadhafi nog steeds op de loonlijst van de overheid staan. Ze worden betaald door de centrale bank in Tripoli. De overheid blijkt niet sterk genoeg om daartegenin te gaan. Ze zou de macht van de milities moeten inperken door ze financieel aan te pakken. Maar daarvoor is spierballengedrag nodig. Want de milities hebben de wapens. De overheid zal ze met dezelfde middelen moeten bestrijden, er is geen andere optie, vrees ik.’

Intussen is de bevolking het spuugzat om wekelijks uren in de rij voor de bank te staan of maanden te moeten wachten op een salaris. Onder de algemene gelatenheid borrelen diepe frustraties en ontevredenheid. Ook kolonel Arfida van de veiligheidstroepen in Sirte is gefrustreerd, al doet hij er nogal laconiek over: ‘De laatste keer dat ik werd betaald was in mei 2016. Maar het gaat niet alleen om financiële middelen, het ontbreekt ons ook aan degelijk materiaal. We hebben nachtkijkers nodig, radio’s, autobanden, noem maar op. Ik zal eerlijk zijn: we schamen ons om toe te moeten geven dat de regering niets voor ons doet. Daarom voelen we geen enkele verplichting om hier te blijven. We bepalen dat zelf. Waarom we doorgaan? Als we vertrekken, zal Libië overgeleverd worden aan extremisme. Dat kunnen we niet toelaten.’

Ook de vele vrijwilligers die deel uitmaken van de coalitie willen niet weg. ‘Dokters, studenten, autoverkopers. Ze blijven uit vrije wil’, zegt de kolonel. ‘De operatie tegen IS heeft ons 771 doden gekost en meer dan 3500 gewonden. Als we stoppen, zijn al die doden voor niets gestorven.’

De groep militairen waar ik aan het eind van de middag mee op patrouille ga, vertelt hetzelfde. Iedereen heeft wel iemand verloren in de oorlog vorig jaar. Een broer, beste vriend, buurjongen. Door een kogel of bomauto. ‘Het gaat ons niet om geld. Wel om die 771 doden. Stel dat we Sirte aan zijn lot overlaten. Dan begint alles opnieuw. De regering kan ons niets schelen. Onze chef zei op een dag dat hij naar de overheid was gegaan. Maar hij kreeg geen geld. Hij kon ons niets betalen, zei hij. Wie weg wilde, mocht gaan. Wilde je blijven, dan was dat je eigen vrije keuze. De meesten bleven. We luisteren naar onze overste, niet naar de regering.’

De zon staat al laag als de patrouille vertrekt. We gaan de woestijn in, veertig kilometer naar het zuiden. Gewapend met machinegeweren op hun pick-ups komt het konvooi op gang. De stoffige weg strekt zich voor ons uit, kilometers ver. Alsof we op weg zijn naar het grote niets. Dik anderhalf uur later zijn we terug aan de rand van Sirte. De enige individuen die onderweg achterdocht opriepen, waren twee baardige mannen naast een verroeste auto. Lekke band, zeiden ze nijdig. ‘Niet iedereen in Sirte is ons goed gezind’, hoor ik van de militairen. ‘Een aantal bewoners neemt het ons en de VS zeer kwalijk dat hun huizen zijn verwoest.’

We nemen afscheid. Voor ik vertrek, vragen de mannen of ik vind dat ze idioot zijn om te blijven terwijl ze geen cent betaald krijgen en zich een groot deel van de dag rotvervelen. ‘Nee’, antwoord ik naar waarheid. De zin of onzin van een oorlog is nooit eenduidig. Zoals de motieven van deze mannen dat ook niet zijn. Machtswellust, verdriet om de doden, patriottisme, het loopt vaak allemaal door elkaar. Maar zolang IS uit Sirte geweerd blijft, is er in elk geval iets bereikt.

En zo rijden we opnieuw de lange kustweg af, op weg naar Misrata. De zon is verdwenen. Ik zit op de plaats vooraan, naast de chauffeur. Het voelt nog steeds onwennig.


Van 16 december tot 4 maart is er een grote tentoonstelling van het werk van Jeroen Oerlemans in de Kunsthal te Rotterdam