Terug naar Tsjechië

Karel Čapek in de jaren dertig © Jiří Opelík

Of er sprake is van toeval of een gecoördineerde actie is niet duidelijk, maar voor de lezer is het feest: vrijwel tegelijkertijd verschijnen er bij drie verschillende uitgeverijen drie vertalingen van de hier nog altijd tamelijk onbekende Tsjech Karel Čapek. Het gaat om een roman, Hordubal; om een met tekeningen en foto’s geïllustreerd kinderboek, Dasja oftewel het leven van een pup; en om een met grappige tekeningen van broer Josef geïllustreerd tuinboek, Het jaar van de tuinier. Waarbij ik me haast daaraan toe te voegen dat beide laatstgenoemde titels in de boekwinkel behalve op de planken voor kinderboeken en hobby’s een volwaardige plaats verdienen op die voor vertaalde literatuur, want voor Čapek (1890-1938) schijnen doelgroep, genre en onderwerp er niet toe te doen als het op stijl en vindingrijkheid aankomt.

Ik zei: drie vertalingen. Beter was geweest: drie nieuwe vertalingen. Want hoezeer deze boeken ook tintelen van eigentijdsheid, ze zijn in hun oorspronkelijke edities bijna negentig jaar oud en werden destijds, in de vroege jaren dertig, al eens vertaald of naverteld. Het gaat dus om een herontdekking, die begin deze eeuw werd ingezet met een vertaling van het tuinboek… uit het Frans. Misschien is dat meteen het beste bewijs voor het niveau van dit werk: ook de onvermijdelijke tijdgebondenheid van de realia – zoals een man die al vijftien dagen in een trein zit, ‘verdoofd door het gestamp van de locomotieven’ – doet geen moment afbreuk aan de literaire overtuigingskracht.

Die treinreiziger is Juraj Hordubal, in de naar hem genoemde roman. Hij komt eindelijk terug naar huis, naar zijn boerenwoning in Kriva, Tsjechië, naar zijn vrouw, kind en drie koeien. Acht jaar heeft hij zich in Amerika uitgesloofd als mijnwerker, maar aangezien hij analfabeet is, was hij voor het contact met het thuisfront aangewezen op de hulp van een landgenoot die de schrijfkunst wel machtig was en die ervoor zorgde dat hij elke maand het grootste deel van zijn schamele verdiensten naar huis kon overmaken. Toen die landgenoot bij een ongeluk om het leven kwam, was het daarmee gedaan en bracht hij zijn geld naar de bank, ‘meer dan drieduizend dollar, alstublieft, en die hebben ze van me gestolen’.

Čapeks werk tintelt van eigentijdsheid, al is het bijna negentig jaar oud

Intussen is het de lezer duidelijk. Hordubal is een goedzak van het ietwat naïeve, optimistische soort; ‘de hele train’ – mijmert hij – ‘zou te hoop lopen om de man te zien die ze in Amerika voor drieduizend dollar hebben bestolen; yessr, dat ben ik.’ In zijn fantasie ziet hij zijn thuiskomst hoe dan ook als een zegetocht. Hij heeft een koffer vol cadeaus en hij verkneukelt zich bij voorbaat om het geklingel van de koebellen en de begroeting van zijn vrouw en dochter. Maar blijdschap en ontroering worden algauw ondermijnd door twijfels en teleurstellingen. Zijn vrouw wil hem niet meer in bed, zijn dochter doet afwerend, zijn knecht speelt de baas en verbiedt hem met de paarden te praten, want ‘daar worden ze week van’.

Wat zich in zijn hoofd afspeelt aan lyrische inschattingen en euforische verwachtingen staat van meet af aan op gespannen voet met de aanzienlijk prozaïscher realiteit, maar hij is een aanpassingskunstenaar, het lijkt hem allemaal nauwelijks te deren. Ook als zijn einde nabij is en de zwaarmoedigheid dreigt toe te slaan, blijft hij de onverbeterlijke fantast die zich verliest in gelukzalige welwillendheid. Dat hij in die droefgeestige episoden niet verandert in een marionet op een kinderfeestje om wie alleen nog maar smakelijk kan worden gelachen, integendeel, dat hij de lezer, althans deze lezer, óók blijft ontroeren, zegt iets over het blijmoedige meesterschap van de auteur.

Einde van het verhaal? Nee, er volgen nog een ‘tweede’ en een ‘derde boek’. Čapek is een modernist die al kritisch vooruitloopt op het absolute relativisme van het postmodernisme: er is wel degelijk een waarheid, maar die is veranderlijk, meerstemmig en meertalig, aangezien het altijd, ook in Hordubal, om een beweeglijk mozaïek van verschillende mensen gaat.

Na de monologische woelingen in het hoofd van de arme Hordubal volgt ‘zijn ware en bitterste lot’ in het tweede boek: ‘Datgene wat hem na zijn dood ten deel valt.’ Is hij aan longontsteking overleden? Is hij vermoord? Allebei tegelijk? De ‘waarheidsvinding’ van de politie leidt tot chaotische taferelen waarin eindeloos geknoeid, gefabuleerd en gekletst wordt en waarin een escalatie van roddels tot conclusies leidt die de goeiige Hordubal veranderen in een vrekkige, wraaklustige domkop. In het derde boek buigt de rechter zich over de zaak en neemt de chaos nog verder toe, al leidt het proces uiteindelijk, met dank aan de compositorische scherpzinnigheid van de auteur, tot een helder oordeel.

Ik moest aan de alternatieve detectives van Leonardo Sciascia denken: conform de ijzeren regels van het genre wordt er naarstig onderzoek verricht naar de toedracht van een moord, dus wordt er ondervraagd en onderzocht, geredeneerd en gededuceerd, maar dat alles loopt zo hopeloos dood in talloze om- en dwaalwegen dat het boek toch vooral een parodie op het genre lijkt. Maar ook aan Joyce moest ik bij vlagen denken, Čapek is Joyce op zijn Tsjechisch, in technisch opzicht, om zijn humor, in zijn proteïsche visie op de mens en zijn humanistische perspectief op de wereld. ‘De mens is een menigte van werkelijke en mogelijke personen’, zegt Čapek, en het is goed zo, ‘we kunnen de veelheid [van de wereld] immers juist ervaren en begrijpen omdat we zelf zo’n veelheid zijn’. Zo is het. Karel Čapek vertolkt Europa’s hoop in bange dagen.