Twee antwoorden op Max Frisch

Terug naar Zanzibar

De gedachte dat de wereld begint en eindigt met jouw leven en van degenen die jij toevallig kent, wijst op een beperkte geest.

Ik heb altijd graag schrijvers gelezen die men pessimisten noemt of zelfs misantropen, omdat ze alle zwakheden van de mens zo feilloos weten bloot te leggen. Ik word er blij van als de kasteelheer, wijnboer, jurist, burgemeester tegen wil en dank, krijgsman, diplomaat en reiziger Montaigne in puntige zinnen demonstreert hoe beperkt ons oordeel is en hoe we onszelf altijd weer overschatten. Of als hij laat zien – anno 1585! – hoe onnozel het is om neer te zien op dieren die, nog afgezien van klaarblijkelijke intelligentie en gevoeligheid, toch veel dingen kunnen die wij niet kunnen. Ik geniet van de vileine aforismen van Chamfort: ‘Mensen knoeien met hun geest, hun geweten en hun verstand op dezelfde manier waarop ze hun maag bederven.’ Of van de meer eigentijdse, montere wanhoop van E.M. Cioran: ‘Door de mens toe te laten heeft de natuur meer dan een rekenfout gemaakt: zij heeft een aanslag op zichzelf gepleegd.’

Dit is een gedachtewereld die me ligt, die me aantrekt en zelfs plezier doet – omdat alles wat zo teleurstelt in de mensenwereld tenminste is gezien en fraai is verwoord. Het wordt nooit wat met de mens, ondanks alle technologische en wetenschappelijk ontwikkeling, ondanks al zijn vernuft. Ik sta sceptisch tegenover ‘de vooruitgang’. Steeds meer mensen die behoorlijk te eten hebben, dat is mooi, maar dus ook steeds meer mensen die lijden aan het leven en elkaar schade berokkenen. Is dat vooruitgang? In het dagelijks leven neig ik tot optimisme, zoals iedereen. Je kunt niet zonder oogkleppen. Maar zodra ik afstand neem en reflecteer op de daden van de homo sapiens, voel ik me het meest verwant met schrijvers en denkers die pessimistisch worden genoemd. Dit wil niet zeggen dat ik een lage dunk van mensen heb. We zijn zoals we zijn en draaien met z’n allen mee in het rad van goed en kwaad.

Na ons de zondvloed?

De Zwitserse schrijver Max Frisch (1911-1991) stelde in zijn dagboek essentiële vragen over liefde en hoop, leven en dood, de ‘schwierige Frage’. Aan schrijvers Oek de Jong en Bregje Hofstede legden we een van deze vragen voor: ‘Weet u zeker dat het voortbestaan van het menselijk ras, wanneer u en iedereen die u kent er niet meer is, u echt interesseert?’ Lees hier het antwoord van Bregje Hofstede.

Nu die lastige vraag van Max Frisch. Of je zeker weet dat het voortbestaan van het menselijk ras je ook nog zou interesseren als iedereen die je kent van de aardbodem is verdwenen.

Het lijkt mij om de een of andere reden een vraag uit een ander tijdperk. Dagboek 1966-1971 van Frisch wordt als bron vermeld. Inderdaad, een ander tijdperk. De eerste contouren van de milieucrisis waren al zichtbaar geworden. Er waren een paar olietankers gebroken, honderden kilometers kust waren met een laag ruwe olie bedekt, tienduizenden vogels waren om het leven gekomen. Voor mijzelf en veel anderen was dat destijds een grote schok. Maar een echte bedreiging van de wereldorde was er niet. We leefden onder de Pax Americana, ondanks de Koude Oorlog en oorlogen in Cambodja en Vietnam. De fundamentele veranderingen in die wereldorde door de digitale revolutie, klimaatverandering, smeltende poolkappen en zeespiegelstijging, migratiestromen, islamitisch terrorisme en de stormachtige opkomst van artificiële intelligentie – dat alles lag nog achter de horizon. De welvaart ging met sprongen omhoog, de liberale democratie leek de wereld te zullen veroveren. Frisch kon zijn lezers nog vrij onbezorgd plagen met zijn vraag of het voortbestaan van het menselijk ras hen werkelijk interesseerde. Ik denk dat geen enkele schrijver vandaag de dag, nu we ons daadwerkelijk zorgen maken over de toekomst van onze soort, deze vraag nog zo zou stellen.

Dan die vraag zelf.

De bedoeling lijkt mij dat je gaat twijfelen aan je antwoord als dat ‘ja’ is. Dat blijkt uit de manier waarop de vraag is geformuleerd. Hij begint met: ‘Weet u zeker…’ Frisch lijkt ervan uit te gaan dat je zijn vraag met ‘ja’ zult beantwoorden: natuurlijk interesseert mij dat, kom op zeg, wat denk je wel! Hij beschouwt ‘ja’ als het beschaafde antwoord, het gewenste en dus oppervlakkige antwoord. Hij wil door de bekende ‘dunne laag beschaving’ heen prikken. En als er nu helemaal niemand meer leeft van de mensen om wie je geeft, niemand van de mensen die je kent en die jouw wereld vormen, interesseert het voortbestaan van het menselijk ras je dan nog steeds? Kan het je werkelijk iets bommen wat er na jouw dood op aarde gebeurt? Waarom dan eigenlijk? Zijn dat niet alleen maar mooie gedachten? Is dat geen abstracte mensenliefde? Hier lijkt iets aan het licht te moeten komen: egoïsme en kortzichtigheid als kern van ons bestaan, onverschilligheid jegens mensen die we niet kennen.

Desondanks, en ondanks de horror die de mens steeds weer creëert, is mijn antwoord: ja. Ik ben ervan overtuigd dat dat meer is dan het beschaafde, politiek-correcte antwoord. Alleen al de gedachte van ‘na ons de zondvloed’ staat me niet aan, zij staat me zelfs enorm tegen. Het wijst op een zeer beperkte geest om er zo tegenaan te kijken. Dat de wereld begint en eindigt met jouw leven en van degenen die jij toevallig kent.

Mijn eindige bestaan lijkt me onderdeel van een veel groter bestaan. Ooit is in de warmte van savanne en oerbos het wezen ontstaan dat we mens zijn gaan noemen. Hij/zij heeft zich ontwikkeld, heeft het vuur en het schrift ontdekt, is dorpen en steden gaan bouwen, heeft de kunsten ontdekt, is diep doorgedrongen in zijn eigen geest en kijkt niet meer op van een uitstapje buiten de dampkring. De menselijke geest is zich al honderdduizenden jaren aan het ontplooien. Er is iets op gang gekomen dat we het beschavingsproces zijn gaan noemen, en dit moet doorgaan. Maar waarom moet dat doorgaan? Ondanks alle gewelddadigheid, ondanks alle catastrofes, ondanks al het psychisch leed. Waarom? Omdat het op gang is gekomen, is mijn eerste reactie, omdat het er nu eenmaal is. Maar dit is niet meer dan een instinctieve reactie. Ik wil overleven, ik wil dat mijn soortgenoten overleven en ik wil dat overleeft wat ik van allergrootste waarde vind. Maar als er één forse meteoriet inslaat, zal de aarde voor eeuwen in duisternis zijn gehuld, en dan is het afgelopen met dat alleen in onze ogen zo bijzondere proces van civilisatie. Niemand die erom maalt. Niemand die het zich herinnert.

Frisch denkt dat je zijn vraag met ‘ja’ zult beantwoorden: natuurlijk interesseert mij dat, kom op zeg, wat denk je wel!

Het voortbestaan van de natuur op aarde, in al zijn veelvormigheid en mysterieuze vernuft, gaat mij misschien nog meer ter harte dan het voortbestaan van de mens. Het grote geheel van al die planten- en diersoorten is me meer waard dan de mens, uiteindelijk maar één soort onder vele. Als de prijs voor ons voortbestaan bestaat uit een verwoeste en zwaar vervuilde natuur waarin talloze soorten zijn verdwenen, de zeeën zijn leeggevist en vergiftigd door lekkend radioactief afval, de oerwouden zijn verdwenen en zelfs de dampkring vol afval zit, dan gaat het menselijk ras me opeens toch minder ter harte. Dan moet het maar gestraft worden voor zijn kortzichtigheid, hebzucht en dwaasheid.

Maar kan ik dat menen? Is dit niet alleen maar woede om wat er gaande is? Zou ook ik, als het erop aankomt, niet alles doen om te overleven aan de kust van een dode en lege zee?

Opnieuw – kun je je werkelijk interesseren voor degenen die na jou komen, in een wereld waarvan je onherroepelijk bent vervreemd, omdat het niet meer jouw wereld is?

Kan het je werkelijk wat schelen: mensen die halve robots zijn geworden en veel menselijks hebben verloren. Interesseert het je werkelijk: een planeet waar veel van wat jij waardevol en aantrekkelijk vindt is verdwenen? Kun je je niet alleen maar voor het menselijk ras en zijn beschaving interesseren zolang je daar nog het nodige van jezelf en je eigen beschaving in kunt herkennen?

Ik denk aan een afgelegen vissersdorp op Zanzibar. Een verzameling hutten in de middaghitte, drogende visnetten, een afdak waar de vis is verkocht, en afvalhopen. Op het strand liggen de uitgeholde boomstammen waarin de mannen van het dorp de zee op gingen. Holle boomstammen – ik kan het haast niet geloven. Op het strand komt een graatmager meisje naar ons toe rennen. Het zand is zo heet dat het door onze schoenzolen heen voelbaar is. Maar zij loopt op blote voeten. Ze maakt zich los uit een groepje verlegen kinderen. Met opzij gestoken armen, alsof ze vliegtuigje speelt, komt ze naar ons toe rennen. Mijn geliefde staat te fotograferen, en dit meisje wil op de foto. Met haar breedste glimlach, wild en onstuimig, brengt ze zichzelf in beeld. Nadat ze is gefotografeerd, vraagt ze natuurlijk om geld. Het wordt haar verboden door een oudere vrouw bij een van de hutten, en ze rent weg, met een blik over haar schouder.

Het is jaren geleden. Ik heb dit meisje een paar minuten gezien, maar ik herinner me nog hoe ze naar ons toe kwam rennen: die wil om er te zijn, om gezien te worden, haar onstuimige energie. Hoeveel toekomst had zij in dat afgelegen vissersdorp? In elk geval had ze een heel leven voor zich, op een eiland dat zich snel aan het ontwikkelen was. Zelfs als ze in dat dorp is gebleven, jong is getrouwd, en alleen maar hard moet werken om in haar eerste levensbehoeften te voorzien, is er voor haar toch een heel leven.

Haar lot zou me kunnen interesseren, ook al heb ik haar maar even gezien. Nog meer interesseert me het lot van de jonge mensen die ik om me heen zie, ook al ken ik ze niet. Hoe zullen ze zich teweerstellen tegen alles wat er op hen afkomt? Ik ben ook simpelweg nieuwsgierig naar wat er komen gaat en wat er waar zal blijken te zijn van al die steeds verontrustender en steeds tegenstrijdiger berichten over onze habitat: de natuur. Tien, twintig jaar kun je misschien nog vooruitkijken en iets voorzien. Dan is de grens van je voorstellingsvermogen al bereikt – zo hard gaat het en zoveel verschuift er.

Zelfs vanaf daar, de grens van het voorstelbare, interesseert me het lot van onze beschaving.

Maar ook: wie dan leeft, wie dan zorgt.


Oek de Jong schreef onder andere Opwaaiende zomerjurken (1979), Hokwerda’s kind (2002) en Zwarte schuur (2019)