De vervolging van gemengd-gehuwde joden in Nederland

Teruggefloten door Hitler

Gemengde huwelijken werden in het Derde Rijk gevrijwaard van anti-joodse maatregelen. In Nederland waren de gemengd-gehuwde joden er slechter aan toe. Ze werden vervolgd, gesteriliseerd en gedeporteerd, totdat vanuit Berlijn het consigne kwam dat men hier niet op de zaken moest vooruitlopen. De postume dissertatie van Coen Stuldreher werpt een schril licht op die Nederlandse ijver.

Zelden zal een proefschrift zo gecompliceerd tot stand zijn gekomen als het postuum verschenen levenswerk van Coen Stuldreher: De legale rest: Gemengd gehuwde Joden onder de Duitse bezetting. Stuldreher had zijn moeilijk leesbare manuscript op zeventien bandjes ingesproken, die werden uitgetikt en daarna redactioneel bewerkt. Op zijn ziekbed ontving hij zijn doctorsbul uit handen van professor Hans Blom, veertien dagen voor zijn dood op 18 januari 2007. De promotiecommissie had nog tijdens de kerstdagen pijlsnel toestemming verleend; een openbare verdediging was niet meer mogelijk. Nu is het boek er en het is sensationeel: het geeft een ontluisterend beeld van de jacht op gemengd-gehuwde joden in Nederland tijdens de oorlog. De Nederlandse instanties waren in hun maatregelen zó overijverig dat ze door Hitler zelf moesten worden teruggefloten. Overijverig noemde Coen Stuldreher het vervolgingsbeleid door de Duitse instanties in Nederland ten aanzien van gemengd-gehuwde joden. Labbekakkerig is het woord dat hij meermalen gebruikte als het ging om de houding van Nederlanders en Nederlandse overheidsinstellingen. Die woorden zijn natuurlijk niet te vinden in zijn proefschrift. Hij gebruikte ze wel anderhalf jaar geleden tegenover mij, toen ik hem sprak over zijn onderzoek. Terecht. Honderden gemengd-gehuwde joden hadden niet op transport gehoeven. Duizenden hadden niet zo erg in angst hoeven zitten.

Stuldreher heeft aan zijn boek geen uitvoerige conclusies verbonden. In een veel te kort nawoord schrijft hij eigenlijk maar één zin: ‘De Joodse gemengd gehuwde partners en hun gezinnen zijn allerminst gespaard gebleven voor het Duits anti-Joodse beleid in bezet Nederland op grond van hun huwelijkspositie, zoals dat wel in zekere zin, door hun zogenaamde “geprivilegieerde” huwelijk, het geval is geweest in het Duitse Rijk.’ In die ene zin staat het allemaal. In Nederland waren de gemengd-gehuwde joden er slechter aan toe dan in Duitsland zelf. Ze werden vervolgd, gesteriliseerd en gedeporteerd, totdat vanuit Berlijn het consigne kwam dat men hier niet op de zaken moest vooruitlopen.

In nazi-Duitsland heeft men altijd geworsteld met de vraag waar de grens tussen joden en niet-joden moest worden getrokken. Ingewikkelde subcategorieën en combinaties van afstamming, huwelijk en kerkgenootschap waren het gevolg. Hitler wilde niet zo ver gaan dat Mischlinge tot vol-joden werden verklaard, en dus gedeporteerd zouden worden, en evenmin overgaan tot het steriliseren van met niet-joden gehuwde joden. In Duitsland werden deze gemengde huwelijken ‘geprivilegieerd’ genoemd en de gemengd-gehuwde joden werden niet vervolgd. In Nederland moesten ze echter een ster dragen en waren ze vogelvrij. Sterilisatie van gemengd-gehuwden is in Duitsland wel overwogen, maar alleen in Nederland – tijdelijk – daadwerkelijk toegepast.

Mijn volstrekte lekensuggestie dat Hitler misschien bang was zelf gedeeltelijk van joodse bloede te zijn, schoof Stuldreher terzijde, maar hij benadrukte dat Hitler wel bang is geweest voor de reacties in niet-joodse families op het wegvoeren van joodse huwelijkspartners. In Berlijn hebben de niet-joodse echtgenotes daar een beroemde en succesvolle demonstratie tegen gehouden. In Nederland hadden Nederlandse secretarissen-generaal en zelfs de Joodse Raad veel meer kunnen doen om gemengd gehuwde joden te beschermen, maar daar waren ze, in de woorden van Stuldreher, te labbekakkerig voor.

Zoals de gehele jodenvervolging hier veel geolieder en daardoor massaler is voltrokken dan elders, zo is ook de vervolging van gemengd-gehuwden hier aanvankelijk veel te vlotjes gegaan, totdat dit op bevel van Berlijn werd teruggedraaid. De sterilisaties werden gestaakt, mensen werden uit Westerbork vrijgelaten, niet vanwege specifieke omstandigheden of speciale bescherming, maar, gewoon, omdat ze volgens de Duitse regels (nog) helemaal niet voor vervolging in aanmerking kwamen. Het is een speciaal voorbeeld van wat Philo Bregstein ‘de Nederlandse paradox’ heeft genoemd. In het land van de Februaristaking verliep de vernietiging van de joden gemakkelijker, geordender en daardoor succesvoller dan waar ook in West-Europa. De kinderen en kleinkinderen van de gemengde huwelijken zitten nog altijd met de gevolgen hiervan.

Over het lot van de gemengd-gehuwde joden in Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog is tot nu toe maar weinig geschreven. Dat is aan de ene kant begrijpelijk, omdat hun lot vaak veel minder zwaar was dan dat van andere joden, en alleen in het ergste geval hetzelfde. Aan de andere kant zijn veel mensen met een joodse achtergrond in Nederland nu juist afstammelingen uit deze gemengde huwelijken. Er moeten bij deze mensen veel vragen leven over wat er in de oorlog is gebeurd, vragen waar tot nu toe geen antwoord op kon worden gegeven. Veel gemengd-gehuwden die de oorlog hebben overleefd, hebben nooit goed kunnen begrijpen waarom zij de dans konden ontspringen, terwijl andere gemengd-gehuwden wél werden gedeporteerd en vermoord.

Ze hebben natuurlijk ook verschrikkelijk in angst gezeten. Terecht, want bij de minste overtreding konden ze alsnog als ‘strafgeval’ op transport worden gestuurd. Dat gebeurde al snel. Het is begrijpelijk dat ze probeerden joodse familieleden te helpen. Ze waren – in de woorden van Coen Stuldreher – de eerste ‘vluchtheuvel’ in de onderduik. Maar werden ze betrapt, dan moesten ze dat zwaar bekopen. Ze werden dan alsnog met joden gelijkgesteld, want er was immers gebleken dat ze voor hun joodse kant hadden gekozen. Om maar niet te spreken van het schuldgevoel en de schaamte wanneer ze, uit angst, hun joodse familie niet hebben geholpen.

Loucky Content, die onderzoek heeft gedaan naar de verhalen van gemengd-gehuwden, heeft hier zes jaar geleden over geschreven in het Auschwitz Bulletin. Zij is zelf in 1943 geboren. Haar joodse vader en niet-joodse moeder waren in oktober 1940 getrouwd, dus nog ruim voordat begin 1942 alle gemengde huwelijken werden verboden. Content beschrijft de angst, de onzekerheid, de verwarring, de onduidelijkheid in hun gezin. In september 1942 moesten gemengd-gehuwden zich aanmelden. Was het verstandig dat te doen of juist niet? Was het als jood beter om te scheiden om de niet-joodse partner en eventuele kinderen niet in gevaar te brengen? Of kon je op het woord van de Duitsers vertrouwen dat je als je je aanmeldde een Sperr (vrijstelling – red.) zou krijgen?

Content vertelt dat er in haar ouderlijk gezin na de oorlog over dit alles werd gezwegen. Haar vader was al gestorven toen ze een oude schoenendoos met papieren vond, waaronder een sterilisatieoproep voor haar vader en zelfs een kwitantie voor de operatiekosten. Toch is hij nooit gesteriliseerd, want ze heeft later een broertje gekregen. In dit geval kon haar moeder haar uitleggen dat haar vader indertijd te ziek was om ‘geholpen’ te worden: te ziek van angst. Hij kreeg uitstel. Later hoefde het niet meer.

Over al dit soort vragen en ongerijmdheden, absurditeiten zelfs, die in andere omstandigheden komisch zouden zijn, geeft het boek van Coen Stuldreher uitsluitsel. Maar het doet dat niet gemakkelijk. Het is een dik boek geworden, met minutieuze uiteenzettingen en uitvoerige Duitstalige citaten uit wetteksten, notulen en brieven. Het is vooral een bronnenpublicatie geworden in de vorm van een uitgebreid, doorlopend verhaal. Stuldreher heeft honderden concrete gevallen bestudeerd in het kader van zijn jarenlange werk voor de raadskamers van Stichting 1940-1945, de Wet Uitkering Vervolgslachtoffers (wuv) en de Pensioen- en Uitkeringsraad (pur). Maar hij heeft ervan afgezien deze concrete zaken te beschrijven, ze zouden ook te privacygevoelig zijn. Evenmin doet hij aan oral history: hij heeft niemand geïnterviewd. Hij noemde zichzelf tegenover mij ‘een echte Akten-Historiker’, iemand die alleen van schriftelijke bronnen uitgaat. Oral history-achtige dingen liet hij graag aan journalisten als Loucky Content over.

Coen Stuldreher was inderdaad zijn hele leven een archievenkluiver. Maar hij was ook een vat vol tegenstrijdigheden. Hij was een eenvoudig mens, die echter zeer van de goede dingen des levens wist te genieten. Hij was een zeer serieuze onderzoeker, maar met altijd een licht ironische spot achter zijn brillenglazen. Hij was een bescheiden man, die echter nu en dan lichte en zwaardere provocaties niet uit de weg ging. Hij voelde zich de leerling van Oorlogsdocumentatie-directeur Loe de Jong en vooral van professor Presser, wiens trouwe assistent hij was bij het schrijven van diens standaardwerk Ondergang over de vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom. Op de fiets sleepte hij de documenten voor hem aan. Presser noemt hem in de inleiding van zijn boek ‘onze onvervangbare en onvermoeibare famulus’, een erudiete verwijzing naar de ijverige, trouwe, alwetende en enigszins kleurloze Wagner, de leerling en dienstknecht van Goethe’s Faust, wat Stuldreher weer verleidt tot een fraai citaat uit Goethe’s toneelstuk als opdracht bij zijn boek: ‘Mit Eifer hab’ich mich der Studien beflissen,/ Zwar weiss ich viel, doch möcht ich alles wissen.’ Ab. Vooral de toevoeging van dat Ab is helemaal in Stuldrehers zelfspottende stijl, vooral als je bedenkt dat hij toen al wist dat hij in het allerlaatste stadium van zijn leven was.

Coen Stuldreher heeft ook de uitdrukking ‘de legale rest’ van Presser geleend, maar hij legde me uit dat hij de term heel anders gebruikte en dat daarin een subtiele kritiek op Presser school. Zoals zijn hele boek niet alleen een aanvulling is op het werk van De Jong en Presser, maar ook een herziening aan de hand van omvangrijke bronnenverzamelingen die zij niet hebben kunnen raadplegen.

Dat kon heel dramatische vormen aannemen. Presser was, bijvoorbeeld, nogal te spreken over dr. H.G. Calmeyer van het General-kommissariat für Verwaltung und Justiz, die beslissingen kon nemen ten aanzien van de afstamming van mensen die hun joodse afkomst aanvochten. Enige mensen hebben daardoor inderdaad voorlopige vrijstelling gekregen van deportatie, waardoor hun leven is gered. Op grond hiervan heeft Calmeyer een Yad Vashem-onderscheiding gekregen en hij geldt in zijn geboortestad Osnabrück als een ware verzetsheld tegen de nazi’s, een bureaucratische Schindler. Stuldreher werd in 1996 uitgenodigd om in Osnabrück een lezing te houden en schokte de daar aanwezige Calmeyer-vereerders door uit te leggen dat deze bepaald geen verzetsheld was, maar een ambtenaar die zich zeer precies aan de Duitse rassenwetten hield, dat hij geen tienduizenden joden had gered, maar hoogstens dertig en dat hij bovendien veel meer mensen de afgrond in had geduwd door ze van halfjood tot voljood te promoveren. Stuldreher kon zijn lezing nauwelijks afmaken en werd voortaan in Osnabrück als een onwetenschappelijke en onbelangrijke beambte van Oorlogsdocumentatie beschouwd, die het waagde het op te nemen tegen de grote Presser en de nog grotere De Jong.

In zijn boek wijdt Stuldreher een heel hoofdstuk aan Calmeyer en concludeert dat deze ‘niet goed, maar ook niet slecht’ was: ‘Hij heeft niet anders gehandeld dan zoals het een goede, legalistische Duitse ambtenaar betaamde.’ Hij wist uitstekend de weg in de anti-joodse wetgeving en de daarop gebaseerde jurisprudentie. Degenen die een beroep op hem deden wisten niet wat ze daarmee met en tegen elkaar aanrichtten, en dat mochten ze ook niet weten. De motivering van Calmeyers beslissingen bleef ook voor hun juridische adviseurs geheim: ‘Calmeyers goede imago berustte op feit én fictie tegelijk, op vertrouwen én valse hoop, op gerucht én bericht, en versterkte de indruk dat hij oprechte hulp en redding had geboden.’

Stuldreher deed dingen, zoals studeren en promoveren, vaak langzaam en vertraagd. Hij is in 1926 geboren te Losser, diep in Twente. Hij was van katholieken huize en verbleef na het behalen van zijn gymnasiumdiploma zelfs korte tijd als novice in een karmelietenklooster. Maar dat bleek een vergissing. Hij keerde terug naar Oldenzaal en hing daar, zoals hij het zelf uitdrukte, tien jaar ‘de plattelandsintellectueel’ uit. Ook in die hoedanigheid wist hij de goegemeente te schokken. In drie artikelen in de Twentsche Courant legde hij uit dat de plaatselijk vereerde heilige Sint-Plechelmus nooit in Oldenzaal in Twente kan hebben gepreekt, omdat hij daar in het begin van de achtste eeuw helemaal niet ter plekke heeft kunnen zijn.

Die artikelen waren zo opgevallen dat de Rijksarchivaris ze nog kende en hem aanbeval bij het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie, waar Loe de Jong hem in 1955 aannam als archiefmedewerker. Hij hoorde typisch bij het oude Riod, het gesloten instituut aan de Herengracht, waar je als leek maar heel moeilijk binnen kon komen, omdat het geheel ten dienste stond van het werk van Presser, Sijes en natuurlijk vooral van Loe de Jong. Stuldreher heeft er 36 jaar gewerkt, tot zijn pensioen. Hij trouwde, kreeg drie kinderen en studeerde intussen geschiedenis, eerst een schriftelijke cursus bij de paters augustijnen, later voor zijn middelbare acte (hoewel hij gruwde bij de gedachte ooit les te moeten geven) en ten slotte aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in januari 1968 bij Presser afstudeerde.

Wanneer hij aan zijn onderzoek naar de gemengde huwelijken begonnen was, kon hij me niet goed zeggen. Het is net of hij er altijd al mee bezig was geweest, maar het zal wel hebben samengehangen met het vele werk dat hij deed voor de raadskamers van de instanties die beslisten over oorlogspensioenen en uitkeringen aan vervolgingsslachtoffers. Het overgrote deel van het werk aan zijn boek heeft hij echter pas gedaan na zijn pensionering bij het Niod in 1998.

Hans Blom wees er tijdens de uitvaartplechtigheid fijntjes op dat Stuldrehers werkwijze tot omvangrijke manuscripten leidde, die door de citaten in het bestuurlijk Duits niet zo soepel leesbaar zijn. Hij maakte het zijn lezers en zichzelf niet gemakkelijk. Steeds waren er weer nieuwe bronnen die moesten aangeboord, een werkwijze die neigde ‘tot eindeloosheid’. Het mag een wonder heten dat het boek toch nog af is gekomen. Het is geen vrolijke of gemakkelijke, maar wel heel nuttige literatuur.

Coen Stuldreher, De legale rest: Gemengd gehuwde Joden onder de Duitse bezetting; Boom, 443 blz., € 35,-