Charles C. Mann, 1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika

Teruggevonden beschaving

Medium cover4opmaat

Zonder mazelen en griep hadden de Spanjaarden en Portugezen de Azteken en Maya’s nooit kunnen verslaan. Indianen bleken sterker, ontwikkelder en machtiger dan ooit gedacht. Charles C. Mann overtuigt indianen-kenner Dik van der Meulen.
Charles C. Mann

1491. New Revelations of the Americas

Before Columbus

Alfred A. Knopf

Charles C. Mann

1491. De ontdekking van precolumbiaans

Amerika

Uit het Engels vertaald door Rob de Ridder

Nieuw Amsterdam/Manteau, 623 blz., e 34,95

De Selva Lacandona, het laatste restje tropisch regenwoud van Mexico, is in maart minder warm dan je zou verwachten. De nachten zijn er zelfs koud, ook in een slaapzak die voor bergbeklimmers is ontworpen. Een kwestie van luchtvochtigheid; wie in een lauw zwembad ligt, krijgt het op den duur ook koud. Toch zijn mijn kleren en die van mijn reisgezelschap overdag doordrenkt van zweet, dankzij dezelfde luchtvochtigheid, en doordat we ons moeten voortbewegen op een wijze die het midden houdt tussen looppas en hinkstapsprong. Wie langzamer loopt, komt onherroepelijk vast te zitten in een kilometerslange moddergeul, de enige doorgaande weg in het woud. Maar er zijn ergere dingen dan de blubber: de honderden teken die zich van alle takken en twijgen op ons laten vallen en zich niet door kleren laten tegenhouden. De mieren, rood of zwart, alom aanwezig en altijd in de aanval. Een naamloos vliegje dat zijn eitjes in de huid van elk willekeurig zoogdier legt, de mens niet uitgezonderd. En natuurlijk de muggen, die elke adempauze tot een ondraaglijke tijdspassering maken. De schoonheid van het woud gaat goeddeels aan ons voorbij, ook omdat slangen ons pad onveilig maken. Iedereen is op zijn hoede voor de levensgevaarlijke lanspuntslang (bothrops asper). Desondanks stappen we bijna op een andere gifslang, de atropoides nummifer, waarvoor geen Nederlandse benaming bestaat. De Maya’s die ons de weg wijzen hebben nergens last van, maar wij zijn na twee dagmarsen met bulten en zweren overdekt, en alles jeukt.

Wie zou het in zijn hoofd halen in zo’n omgeving tempels en paleizen te bouwen? Toch is dat gebeurd, zo’n vijftienhonderd jaar geleden, en de bewijzen zijn overal in het woud zichtbaar: rechts van het pad een paar traptreden in het ondoordringbare struikgewas, links een omgewoelde heuvel die ooit een piramide moet zijn geweest. En ten slotte, op een plek die buiten het bereik van onze muildieren ligt, een compleet en goed bewaard gebleven tempelcomplex. De stad is rond het jaar 800 verlaten en wordt sindsdien bewoond door apen en papegaaien. Een harpij scheert over de bomen, in de verte horen we het schorre hoesten van een jaguar. In het Lacandón-woud bevinden zich vermoedelijk nog tientallen oude Maya-steden waarnaar nog geen archeoloog heeft omgekeken. Vergeten door iedereen, behalve door de Maya’s uit de omgeving van het woud.

Maar eens was dit een van de dichtst bevolkte gebieden ter wereld. De bevolkingsdichtheid van het Amerikaanse continent vóór Columbus is ook het centrale thema van het prachtige en belangrijke 1491. De ontdekking van precolumbiaans Amerika, een bestseller in de Verenigde Staten. Ter gelegenheid van de Nederlandse vertaling was de auteur, wetenschapsjournalist Charles C. Mann, op bezoek in Nederland en België. De aanleiding voor zijn boek was, vertelde hij, de totale onwetendheid van zijn landgenoten over een wezenlijk deel van hun eigen geschiedenis. «Op school leerde ik heel veel over de Grieken en Romeinen, maar over de indianenculturen vertelden ze ons niets. Terwijl die volkeren niet alleen naast ons leven, maar ook een kolossale invloed op ons hebben gehad.» Manns belangstelling voor de oorspronkelijke Amerikanen werd gewekt toen hij begin jaren tachtig een bezoek bracht aan de beroemde ruïnes van Chichén Itzá op het Mexicaanse schiereiland Yucatán. Tien jaar later kreeg hij een tijdschrift onder ogen dat gewijd was aan de ontdekking van Amerika. «Hoe zag de Nieuwe Wereld ten tijde van Columbus eruit?» vroeg iemand zich daarin af. Die vraag bleef Mann bezighouden, en omdat niemand er een antwoord op gaf, besloot hij dat zelf maar te doen.

Het is moeilijk te zeggen of hij in zijn opzet is geslaagd – het lijkt wel of hij alle perioden van de indiaanse geschiedenis in kaart heeft gebracht, behalve nu juist 1491, dat jaar voor Columbus – maar dat maakt zijn boek niet minder de moeite waard. Op basis van uitvoerig bronnenonderzoek en gesprekken met archeologen, antropologen en geschiedkundigen heeft Mann een geschiedenis van de indiaanse volkeren geschreven, waarin hij een aantal verstrekkende conclusies formuleert. Desondanks is zijn toon relativerend en verbloemt hij de vele onzekerheden niet.

Een bijzonder lastig geval blijft bijvoorbeeld het begin van de menselijke bewoning van het Amerikaanse continent. Tientallen jaren is gedacht dat er rond 11.000 v.Chr. een water- en ijsvrije corridor was tussen Azië en Noord-Amerika, waarlangs Siberische migranten op hun gemak over de Beringstraat naar Alaska konden wandelen. Een aantrekkelijke veronderstelling, want dit verklaarde de uiterlijke en genetische overeenkomsten tussen Siberiërs en indianen. Ook kon er een ander raadsel mee worden opgelost: het plotselinge uitsterven in diezelfde tijd van veel grote zoogdieren in Amerika. De theorie wordt nog altijd op scholen onderwezen, maar uit recent onderzoek blijkt dat er waarschijnlijk nooit zo’n gemakkelijk begaanbare route heeft bestaan. Het waterpeil van de oceanen was tijdens de laatste ijstijd weliswaar minder hoog, maar het pakijs in de Beringstraat was een even grote hindernis als het water in vroegere en latere tijden. Bovendien stapelen de aanwijzingen zich op dat het Amerikaanse continent al veel eerder was bewoond.

Daarmee ligt ook die andere kwestie weer open: het verdwijnen, in korte tijd, van de Amerikaanse mastodonten, neushoorns, sabeltandtijgers, «roofstruisvogels» en reuzengordeldieren. Op de vraag of het niet waarschijnlijk is dat de mens daar tóch de hand in had, reageert Mann terughoudend: «Misschien wel, maar er zijn in die tijd veel meer dieren uitgestorven. Niet alleen aantrekkelijke, eetbare of juist gevaarlijke beesten, maar ook allerlei muizen en andere knaagdieren, waarvan je je nauwelijks kunt voorstellen dat erop gejaagd werd. Het kan te maken hebben met een verstoord ecologisch evenwicht, maar we weten er op dit moment niet voldoende van.»

Wat de oorzaak ook was, de gevolgen waren ingrijpend, want in diezelfde tijd stierven ook drie paardenrassen en twee kameelachtigen uit, samen met nog een paar soorten die voor domesticatie in aanmerking hadden kunnen komen. En daarmee werd al in een vroeg stadium de basis gelegd voor het grote verschil tussen de «oude» en de «nieuwe» wereld: de aanwezigheid van veeteelt. De indiaanse volkeren kenden maar een beperkt aantal «tamme» dieren, zoals de hond en, in de Andes, de lama.

Het stond de ontwikkeling van beschavingen niet in de weg. Als het boek van Mann één ding duidelijk maakt, dan is het wel dat de overgrote meerderheid van de oorspronkelijke volkeren van Noord- en Zuid-Amerika, anders dan vaak wordt gedacht, al in een vroege fase is overgestapt van jagen en verzamelen op landbouw. Als gevolg daarvan – maar niet alleen daardoor – ontstonden overal stedelijke culturen. De tempels en paleizen van de Maya’s, Azteken en Inca’s waren geen uitzondering maar regel. Ook zou het werelddeel voor de komst van Columbus door meer dan honderd miljoen inwoners zijn bewoond.

Het is een van de grote wereldraadsels: hoe is het mogelijk dat op diverse plekken op aarde onafhankelijk van elkaar beschavingen zijn ontstaan? Een vraag waarop ook Mann geen antwoord kan geven. Wel wijst hij op de hoge ouderdom van enkele steden langs de kust van Peru. Rond 3500 v.Chr., in de tijd dat in het huidige Irak de eerste steden ontstonden, werden ook langs de Stille Oceaan de eerste stenen bouwwerken opgericht. «Misschien waren ze net iets minder oud dan de steden in Mesopotamië», voegt Mann daar in het gesprek aan toe, «maar daar staat tegenover dat ze veel groter waren. In omvang werden de Peruaanse tempels pas overtroffen door de Egyptische piramiden, maar die zijn bijna duizend jaar later gebouwd. Het is overigens niet ondenkbaar dat er in Zuid-Amerika nog oudere steden zijn geweest. Er wordt nu een stad opgegraven die misschien wel zevenduizend jaar oud is. Dat zou dan met voorsprong de oudste stad ter wereld zijn.» De basis van die vroege Peruaanse cultuur zou nogal uitzonderlijk zijn geweest: textiel en visvangst. Aardewerk is er niet gevonden. Voor de Peruaanse kust zorgt en zorgde een golfstroom voor een enorme soortenrijkdom aan vis.

En dat alles dus zonder veeteelt. Toch zou de afwezigheid daarvan de oorspronkelijke volkeren in Noord- en Zuid-Amerika uiteindelijk fataal worden. Onverbrekelijk verbonden met (pluim)veestapels zijn immers – we zien het nu weer met de vogelgriep – epidemische ziektes. De indianen kenden die niet, met uitzondering misschien van syfilis, hoewel ook die kwaal mogelijk in Europa of Azië is ontstaan. De Europeanen namen pokken, mazelen en griep mee naar Amerika. De gevolgen waren desastreus: men schat dat 95 procent van de indianen in de zestiende eeuw aan de Europees-Aziatische ziekten is overleden. Zonder de epidemieën hadden de Spanjaarden de Azteken en de Inca’s niet kunnen verslaan; zonder de epidemieën had Noord-Amerika er nu volstrekt anders uitgezien. Het latere beeld van een woest en leeg continent, hier en daar bewoond door primitieve indianenstammen, kon alleen ontstaan doordat hun eigen ziekten de Europese kolonisten vooruit waren gegaan. Toen zij de onbekende landen begonnen te verkennen, waren de miljoenen die daar hadden gewoond opgelost in het niets. Het land zag eruit alsof het altijd wildernis was geweest.

Een catastrofe. Niet alleen voor de indianen, al is de dood van miljoenen mensen en de bijna totale vernietiging van hun dorpen en steden ongeëvenaard, maar ook voor de rest van de mensheid; volgens Charles Mann kwam de ondergang op een moment dat allerlei volkeren zowel cultureel als technologisch een belangrijke ontwikkeling doormaakten. Als voorbeeld noemt Mann de kunst van het schrijven. Na de Maya’s, die al bijna tweeduizend jaar over een volwaardig hiërogliefenschrift beschikten, begonnen ook de Azteken een schrift te ontwikkelen. Onafhankelijk daarvan ontstond in de Andes een curieus driedimensionaal knopenschrift, het Khipu, met een ongekende zeggingskracht.

Niet al deze bevindingen zijn nieuw, maar het is, zover ik weet, voor het eerst in lange tijd dat er zo’n overzicht is verschenen van de oorspronkelijke Amerikaanse volkeren. In de Verenigde Staten is het boek inmiddels aan zijn vijftiende druk toe. Terecht, want het is tijd dat de Amerikanen hun schatplichtigheid aan hun voorgangers inzien. En niet alleen zij. Mann laat zien dat de invloed van de indianen verder gaat dan de internationale keuken – door gewassen als maïs, aardappelen, bonen, tomaten, paprika’s, cacao – en Hollywood-films. Volgens hem zijn hun inzichten bepalend geweest voor de geschriften van Hume, Locke, Rousseau en Voltaire.

En ook vandaag zouden we veel kunnen leren van de oorspronkelijke Amerikanen. Mann verzet zich tegen idealisering, maar hij is er wel van overtuigd dat ze een levenswijze hadden ontwikkeld om van de natuur gebruik te maken zonder deze uit te putten. Ze gingen niet zachtzinnig met hun wouden om, zoals de Nieuw-Amsterdammer Adriaen van der Hoeck merkte, toen hij op een nacht over de rivier de Hudson voer: «Overal en aan alle kanten zijn vlammen te zien… een heerlijk gezicht om van een afstand naar te kijken.» Maar zowel in Noord- als Zuid-Amerika zorgden de indianen ervoor dat niet álle bos werd platgebrand. Mann neemt stelling tegen natuurbeschermers die het gebruik van de resterende wildernis volledig willen verbieden. «De natuurlijke wereld is zonder aanraking van de mens incompleet», schrijft hij. Maar voor de rigide bomenhakkers van nu heeft hij nog minder waardering. Gebruik maken van een bos is iets anders dan het vernietigen.

Voor het Lacandón-woud in Zuidwest-Mexico zou deze boodschap wel eens te laat kunnen komen. In de jaren vijftig had het de omvang van half Nederland, tegenwoordig is het niet veel groter meer dan de Veluwe en het wordt elke dag kleiner. Het is niet waarschijnlijk dat het savannelandschap dat ervoor in de plaats komt ooit nog voor herbebossing geschikt zal zijn. Maar de Maya-cultuur eromheen is allerminst verdwenen.

En daarmee komen we op een onderwerp dat in 1491 niet veel aandacht krijgt (natuurlijk ook omdat het boek vooral het verleden als onderwerp heeft): ze zijn er nog, de indianen, ondanks de catastrofe van 1492, en hun cultuur is evenmin ten onder gegaan. In sommige landen, zoals Bolivia en Guatemala, zijn ze in de meerderheid. Hun politieke en culturele betekenis neemt onmiskenbaar toe. Bovendien worden er dagelijks ontdekkingen gedaan die nieuw licht werpen op de oude beschavingen. Zo is men sinds een jaar of dertig weliswaar in staat het Maya-schrift te lezen, maar de precieze interpretatie van de teksten verandert met de dag. Op de vraag of Mann zijn boek misschien te vroeg heeft geschreven, antwoordt hij: «De wetenschap zit er ongetwijfeld nog vaak naast, maar we komen wel steeds dichter bij de waarheid. Vroeger dachten de Europeanen dat de indianen van de joden afstamden en het resultaat waren van de diaspora. Later meende men dat de Maya’s vreedzame volkeren waren, zonder oorlog of mensenoffers. Dat was ook fout, maar alweer minder fout dan de eerste veronderstelling. We zijn inmiddels weer dichter bij de waarheid gekomen, maar we zijn er nog lang niet.»

Zo is het, maar wat geeft het? 1491 is een meesterlijke reconstructie van een wereld die eeuwenlang verloren is geweest.

Dik van der Meulen won met zijn Multatuli-biografie de Ako Literatuurprijs. Daarna schreef hij, samen met Marta Durán de Huerta, het boek Oude en nieuwe Maya’s (SUN), dat afgelopen jaar verscheen