Julia Blackburn schreef een meditatief boek © Peter Dench / Alamy Stock Photo

Ze maakte van de nood een deugd. De 74-jarige Britse schrijfster Julia Blackburn benutte de coronajaren niet alleen om haar boek Dromen van de Karoo op papier te zetten, maar gebruikte de angst, isolatie en machteloosheid die de pandemie veroorzaakte bovendien als canvas om extra context te geven aan haar verhaal over de uitgemoorde Zuid-Afrikaanse bosjesmannen.

Het relaas speelt zich af in Engeland en in de Zuid-Afrikaanse Kaap, waar het bosjesmannenvolk dat zich /Xam noemde zich tot het begin van de twintigste eeuw ophield. De /Xam waren jagers-verzamelaars die in kleine groepjes overleefden in een droog en onherbergzaam gebied ten noorden van Kaapstad, de Karoo. Water was schaars, de regenval onbetrouwbaar. Desondanks wisten de bosjesmannen zich er eeuwenlang te handhaven, overlevend volgens het principe dat het precaire ecologische evenwicht niet verstoord mocht worden.

Dat veranderde toen de Boeren, de afstammelingen van de Nederlandse en Duitse kolonisten die de Vereenigde Oostindische Compagnie (voc) naar de Kaap had verscheept, het gebied binnentrokken, op zoek naar weidegrond voor hun schapen. Ze bezetten de waterputten, doodden het wild en schopten de bosjesmannen eruit. Toen die zich verzetten, begonnen de moordpartijen en uithongering. Inmiddels zijn er geen /Xam meer over en is de taal uitgestorven.

De /Xam hadden een rijke cultuur, met muurschilderingen en verhalen die van generatie op generatie waren doorgegeven in een mysterieuze taal vol klikken. Tezamen vormden die mythes hun bijbel, hun koran, hun thora, hun interpretatie van het bestaan. In hun belevingswereld was er geen onderscheid tussen mens en dier, hemel en aarde, leven en dood. Voorouders keerden terug als leeuwen of sprinkhanen en elanden hadden een heilige status. Een wassende maan was de zetel voor een overleden familielid, een rotszuil was een versteende man die zich had vergaapt aan de schoonheid van een jonge maagd.

Het eindresultaat is een rouwklacht over een verdwenen volk

Blackburn schrijft in een lyrische stijl die af en toe af dreigt af te glijden naar dweperig. De kracht van het boek zit in het perspectief: dat van een oudere vrouw die niet lang geleden haar man heeft verloren en nu geïsoleerd in een door covid geteisterd Engeland wacht op wat er gaat komen, afgesloten van haar kinderen en kleinkinderen. Vrienden overlijden, en ze raakt in een staat van melancholie die ze bestrijdt door zich te verdiepen in de /Xam, op wie ze in 2018 was gestuit dankzij het in 1912 verschenen boek Specimens of Bushman Folklore. Ze schrijft: ‘Ik herinner me nog dat ik het boek van de plank tilde: hoe ongelooflijk zwaar het was, die stramme boekband van groen linnen, het dikke papier. Toen ik het opensloeg, zag ik een raadselachtige taal die wemelde van de uitroeptekens, streepjes en markeringstekens, vergezeld door vreemde, haperende vertalingen van verhalen en observaties, liedjes en herinneringen. Vrijwel meteen had ik het gevoel een wereld te worden binnengezogen die in niets leek op wat ik kende.’

De basis voor dat groengekafte werk was gelegd door de Duitse linguïst Wilhelm Bleek (1827-1875) die naar de Kaap was gekomen om er onderzoek te verrichten naar de diverse kliktalen. Hij kreeg van de Kaapse gouverneur toestemming om een aantal gevangengenomen /Xam uitputtend te ondervragen over hun taal, gebruiken en ‘fabels’. Een aantal trok bij hem in. Weldra kreeg hij steun van zijn zeven jaar jongere schoonzus Lucy Lloyd, een frêle, wat ongelukkige vrouw, die ongetrouwd bleef nadat een huwelijk vanwege kwaadaardige roddel niet doorging. Het was Lloyd die uiteindelijk het merendeel van de twaalfduizend bladzijden nagelaten aantekeningen heeft gemaakt. Waar Bleek vooral geïnteresseerd was in de klikken en de inheemse geschiedenis, stelde Lloyd ook veel belang in de persoonlijkheid van haar informanten, die namen hadden als Dia!kwain, //Kabbo, Hankass’o en /A!kunta (zijn werkgever hield het op ‘Klaas Stoffel’) en die hun gedachten opvallend poëtisch verwoordden.

Het totale archief van Bleek en Lloyd bestaat verder uit woordenlijsten, foto’s, plattegronden en tekeningen. Het vormde voor Blackburn een soort kleidoos met eindeloze mogelijkheden. Uiteindelijk besloot ze om Dromen van de Karoo uit drie strengen op te bouwen. Als basis gebruikt ze die angstige, onbestemde periode van isolatie in haar huis in Engeland. Dit vervlecht ze met de nalatenschap van de /Xam, veelal in citaatvorm of als overpeinzingen. De kleur en actie komen van haar reis naar de Karoo, die ze voortijdig moest afbreken vanwege de pandemie. Het idee van een onomkeerbare catastrofe vormt de verbindende factor. Net als de voortrazende coronapandemie vormen de schietgrage Boeren een ‘wrede plaag’, die oprukt in onbekende regionen en daar een spoor van vernieling achterlaat. Op de achtergrond schemert de ecologische ramp.

Het eindresultaat is een rouwklacht over een verdwenen volk en verlies op vele vlakken. Blackburn schrijft: ‘We hebben geleerd ons tevreden te stellen met de beperkingen van een enkel leven en de ervaringen van een enkel lichaam, maar intussen worden we gekweld door het gevoel dat we een manier van leven zijn kwijtgeraakt die het mogelijk maakte om te weten wat het betekent om een ander te zijn, of die ander nu een mens is, een boom of de volle maan die vanuit de lucht op ons neerkijkt.’

Dromen van de Karoo leest als een meditatie op ongewisse tijden.