Visies op jeugdcriminaliteit

Terugpraten in plaats van slaan

Iedereen is het erover eens: criminele jongeren moeten hard worden aangepakt. Maar hoe? Onderzoek en praktijk wijzen op de softe aanpak, maar die lijkt niet meer van deze tijd. Het kabinet wil graag zwaarder straffen.

OP DE PLEINEN tussen de talloze flats in Amsterdam-Nieuw-West organiseerden hangjongeren de afgelopen jaren sportactiviteiten voor hun jongere buurtgenoten. Met dit project sloeg de deelgemeente twee vliegen in een klap: probleemjongeren konden als sportscout werkervaring opdoen, en kinderen in de buurt hadden wat te doen. Ze kregen nieuwe energie door het sporten en zagen de scouts als rolmodellen: geen tijd om zelf een hangjongere te worden.
Door de ervaring die de jongeren opdeden met het project Sportscouts vond sinds de start van het project driekwart (31 jongens) van de deelnemers een baan. Elf jongeren zijn nog bezig met het project waarbij de Dienst Werk en Inkomen, scholen en andere gemeentelijke instellingen samenwerkten. Gedurende de zeven jaren die het project duurde is bovendien het aantal criminele incidenten in Osdorp (het project werd uitgebreid naar heel Amsterdam-Nieuw-West), met 21 procent gedaald. Ook de ‘subjectieve veiligheid’ steeg in die tijd: mensen voelen zich veiliger in hun buurt. Onderzoeker Jaap Noorda noemt het een succesverhaal. Volgens hem leren jongeren hoe ze als werknemer moeten functioneren. Ook de Amsterdamse wethouder Andrée van Es (Werk, Inkomen en Integratie) is enthousiast: 'Ik hoor van werkgevers dat dit is wat ze bij de jongeren missen, werknemersvaardigheden: op tijd komen, commentaar van leidinggevenden aannemen.’

OM JONGEREN zonder perspectief, opvoeding en scholing van straat te halen en houden werden de afgelopen jaren talloze preventieve initiatieven ontplooid. Maar de tijden zijn veranderd, er heerst een ander klimaat. Het ideaal van preventief buurtwerk is ingeruild voor een hardere aanpak van jonge criminelen. Subsidies voor buurtprojecten worden ingetrokken of niet verlengd. Strenger, sneller en effectiever straffen is tegenwoordig het devies. Het moet uit zijn met het softe gedoe.
Aan het begin van de zomer presenteerde staatssecretaris Teeven van Veiligheid en Justitie zijn plannen voor een 'adolescentenstrafrecht’. Het kabinet wil de grens voor het toepassen van jeugdstrafrecht verhogen naar 23 jaar, zodat meer rekening kan worden gehouden met de ontwikkeling en de persoonlijke omstandigheden van de adolescent en de ernst van het delict. Tegelijkertijd wil het ook de maximumstraffen voor jeugddetentie verhogen. Voor een zwaar zeden- of geweldsmisdrijf zal een jongere er niet meer met alleen een taakstraf vanaf komen. Ook de gemeente Amsterdam heeft de aanval ingezet. Onlangs startte een project om de zeshonderd meest criminele jongeren tussen de 18 en 24 jaar van straat te halen. Er is een lijst opgesteld die stelselmatig moet worden afgewerkt: wie nog een straf heeft uitstaan, moet die uitzitten, wie niet naar school gaat of geen werk heeft, wordt daar, desnoods onder dwang, aan geholpen. Uiteindelijk moet het gedrag van de jongeren zodanig worden beïnvloed dat ze niet weer in de fout gaan. De groep wordt gescheiden in jongeren die wél of niet 'leerbaar’ zijn: wie meewerkt, wordt verder geholpen, de rest kan harde maatregelen verwachten.
Gemeente, politie en Openbaar Ministerie hebben afspraken gemaakt over het versneld opsporen en berechten van de top-zeshonderd, om zo het aantal geweldsdelicten, overvallen, straatroven en woninginbraken te verminderen. Om te voorkomen dat mensen draaideurcriminelen worden, zal de medewerking aan een 'nazorgtraject’ een verplicht onderdeel van de opgelegde straf worden.
Tegelijkertijd gaat de hoofdstad, gedwongen door de rijksbezuinigingen, vijftig miljoen euro extra korten op re-integratie, waardoor verschillende initiatieven voor risicojongeren zullen verdwijnen. Jeugdprojecten, die in aanmerking willen komen voor subsidie, moeten resultaat laten zien, stelt wethouder Van Es: 'We komen uit de gouden tijden. We hadden in de gemeente Amsterdam tweehonderd miljoen euro aan re-integratiemiddelen, maar dat gaat terug naar zeventig miljoen. We zullen daarom alleen nog maar projecten financieren die rechtstreeks naar werk leiden.’
Volgens Clémence Ross, directeur van het Nederlands Instituut voor Sport en Beweging en oud-staatssecretaris van VWS, is het normaal dat organisaties zich moeten verantwoorden en geld effectief moeten besteden. In het verleden was het vaak een zooitje bij veel projecten, tenminste wat de langetermijnplanning betrof. Resultaten werden niet of nauwelijks bijgehouden. Ross: 'Jeugdwerk moet doelgerichter en professioneler worden.’ Al realiseert ze zich dat het voor deze projecten moeilijk zal worden om hun meerwaarde aan te tonen: 'Voor politici zijn langdurige structurele wijkprogramma’s niet aantrekkelijk: ze gaan liever voor de “quick wins” - zoals het bouwen van een mooie accommodatie - zodat ze nog de vruchten van de eigen initiatieven kunnen plukken. Voor jongerenwerk moet je een lange adem hebben.’ De bezuinigingen zullen bovendien niet onmiddellijk tot een negatief resultaat leiden, denkt Ross, omdat de structuren er in het begin nog wel zullen zijn. Dat is het dilemma van de jongerenprojecten. Pas over een paar jaar is de omvang van het ontstane gat te overzien.
Maar voor de moeizaam opgebouwde relaties in de wijken is het dan misschien te laat, denkt 'streetworker’ Mourad Ezzoubaa: 'Het belangrijkste is om een band met die jongeren te krijgen, zodat je weet wat er speelt op straat en daarop kunt anticiperen. Maar vertrouwen kweek je niet in een week.’ Ook Marlijn van de Pol, projectleider van Sportscouts, vreest dat de negatieve gevolgen door het wegvallen van de projecten te laat aan het licht zullen komen: 'Over een paar jaar zijn de contacten met de jongeren verdwenen en zijn de netwerken weg, maar dat betekent niet dat de probleemjongeren ook verdwenen zijn.’
Hoewel dit soort initiatieven problemen in de buurt in kaart brengen en nuttig blijken voor de sociale cohesie en het gevoel van veiligheid moeten ze steeds meer hun bestaansrecht verdedigen. Maar zulke jeugdprojecten hoeven helemaal geen harde bewijzen te leveren van bijvoorbeeld het rechtstreeks terugdringen van jeugdcriminaliteit, stelt Ido Weijers, bijzonder hoogleraar jeugdrechtspleging aan de Universiteit Utrecht. Ze moeten veel meer beschouwd worden als een basisvoorwaarde voor een leefbare omgeving: 'Het is iets van de laatste jaren om dat ook onder criminaliteitspreventie te scharen. Het huidige politieke en maatschappelijke klimaat kent enkel het begrip veiligheid. Andere noemers hebben we kennelijk niet. Sociale cohesie en samenhang verdwijnen als doelstelling naar de achtergrond, terwijl buurtvoorzieningen als sport- en huiswerkprojecten basisvoorwaarden zijn voor een sociaal aangename, ontspannen buurt.’
Peter van der Laan, senior onderzoeker bij het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving en deeltijdhoogleraar aan de UvA en de VU, beaamt dit: 'De veronderstelling is dat er een groep is die nog niet crimineel is, maar wel hard onderweg is. Dat is moeilijk hard te maken. Wat het voor zulke projecten moeilijk maakt is wanneer uit een evaluatie blijkt dat toch een paar jongeren de fout in gingen. Je kunt veel lastiger bewijzen dat het met het gros juist goed ging. Dat betekent niet dat zo'n project in zijn algemeenheid ineffectief was.’
De effectiviteit van deze projecten kan bovendien maar moeilijk in harde cijfers worden gemeten omdat ze doorgaans een tijdelijk karakter hebben. Een subsidiepotje is vaak maar voldoende voor een periode van twee jaar, waarna er weer andere initiatieven voor in de plaats komen. Het gebrek aan continuïteit zorgt voor de indruk van een 'projectencarrousel’, zoals Van de Pol het uitdrukt. Almaar ronddraaiend, zonder verbetering in zicht.

THEO DORELEIJERS, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie aan het VUmc en hoogleraar forensische psychiatrie aan de Universiteit Leiden, pleit voor het invoeren van een adolescentenstrafrecht, omdat veel psychische functies pas na het twintigste levensjaar worden voltooid. Toch is ook hij niet gelukkig met het voorstel van de staatssecretaris: 'Teeven gooit óók de maximumstraf voor jeugddetentie omhoog van twee naar vier jaar. Dat betekent dat aan zestien- en zeventienjarigen een dubbel zo hoge straf kan worden gegeven. Voor een zestienjarige is twee jaar al een onafzienbare termijn. Wanneer je jongeren vier jaar opsluit, vindt het belangrijkste deel van hun ontwikkeling tot volwassene plaats in de gevangenis.’
Peer van der Helm, die onlangs aan de VU promoveerde op de gevolgen van jeugddetentie, concludeert zelfs dat verblijf in de gevangenis zonder behandeling de kans op nieuwe delicten alleen maar verhoogt: 'Alleen met een intensieve behandeling kunnen positieve resultaten worden geboekt. En dat kost vijfhonderd euro per jongere per dag.’ Uit zijn onderzoek blijkt dat een 'goed leefklimaat’ in de instellingen van cruciaal belang is: 'De jongeren moeten heel basale dingen leren: terugpraten in plaats van slaan, eten met mes en vork. Dat hebben sommigen nooit geleerd. Ze moeten leren mensen te vertrouwen en weer het gevoel krijgen dat ze ertoe doen.’ Dat kan alleen in een motiverende omgeving waarin de begeleiders een gevoel van saamhorigheid creëren - bijvoorbeeld door het organiseren van activiteiten - die de jongeren nooit gekend hebben. 'Maar deze aanpak is alles behalve soft’, benadrukt Van der Helm: 'De kinderen ervaren detentie als zeer shockerend. Ze worden voortdurend gecorrigeerd, moeten al hun bezittingen afstaan en als ze niet meewerken worden ze op hun kamer opgesloten.’
Van der Helm constateert dat de positieve resultaten van deze intensieve, stimulerende aanpak voor een deel teniet worden gedaan door een gebrek aan goede nazorg. Gemeenten zouden meer moeten inzetten op begeleiding en opvoeding na afloop van de detentieperiode, vindt hij. Wat dat betreft is de 'top-zeshonderd’-aanpak een stap in de goede richting, maar ook hier zijn dwangmiddelen volgens Van der Helm niet de oplossing. Er is een omvangrijker programma nodig. Maar dat is duur en gemeenten weten vaak te weinig af van de verschillende benodigde onderdelen.
Voor zowel preventie- als detentiemaatregelen blijkt hetzelfde recept tot succes te leiden: aandacht voor de persoonlijke ontwikkeling, opleiding en waar nodig intensieve zorg. Een beeld dat niet strookt met het resultaatgerichte beleid van de overheid. Volgens Van de Pol wil men jongeren graag in hokjes kunnen indelen. Maar op die manier wordt er een stempel op de jongeren geplakt waar ze nooit meer vanaf komen: 'Dan ben je voor altijd de jongen die niet wilde meewerken, terwijl dat misschien een paar weken later alweer heel anders is.’


Jeugdcriminaliteit
Uit het meest recente onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) blijkt dat in 2008 voor het eerst het aantal criminele jongeren (12-17 jaar) in Nederland is gedaald. Dat gold voor first offenders, ‘meer-plegers’ én recidivisten.
Ook adolescenten (18-24 jaar) werden in 2008 minder vaak aangehouden of vervolgd. Zij pleegden eveneens minder vermogensdelicten, maar het aantal vernielingen en geweldsmisdrijven bleef gelijk.
Het aantal aan minderjarige en jongvolwassen daders opgelegde zware sancties (bijvoorbeeld detentie) neemt al enkele jaren af. Daarentegen is het aantal taakstraffen toegenomen.
Volgens het CBS en het WODC is het nog niet duidelijk of er daadwerkelijk een daling is ingezet van de jeugdcriminaliteit. Ook vernieuwde registratiesystemen van politie en OM zouden de verandering in cijfers voor een deel kunnen verklaren.
Door een afname van het aantal jonge delinquenten sinds 2005 worden in 2011 en 2012 zes van de zeventien justitiële jeugdinrichtingen (JJI) buiten gebruik gesteld. Sinds 2009 was meer dan 45 procent van de beschikbare plaatsen niet bezet. Het aantal plaatsen voor jongeren in jeugddetentie wordt teruggebracht tot achthonderd, plus 150 reserveplaatsen. In 2010 verbleven gemiddeld 695 jongeren in een JJI. Vier JJI’s zijn inmiddels gesloten of hebben een alternatieve functie gekregen.