Terugschrijven en terugritselen

Hugo Bousset, Geritsel van papier: Essays, Meulenhoff/Kritak, 167 blz., f34,90
DE LITERATUUR, de complexe verzameling van alles wat ooit geschreven is, is een groot spinneweb. Elk boek is door ragfijne draden verbonden met alle andere boeken. Wordt het web in een hoek in trilling gebracht, dan kan dat merkbaar zijn aan de andere kant. En sommige teksten zijn zo stevig gekoppeld aan andere, dat ze gaan interfereren.

Lezen is meelezen, met de auteur tijdens het schrijfproces. Meelezen ook in de literatuurgeschiedenis, eigenlijk terug in de tijd lezen. Het geschrevene vraagt om terugschrijven. En daar zijn critici voor, of interpreten, of exegeten, of essayisten. In ieder geval: lezers die de moeite nemen in literatuur door te dringen, en verder te graven dan alleen het persoonlijke oordeel.
In elke literaire roman klinken andere romans mee. Een pagina omslaan van het boek dat op dat moment gelezen wordt, doet ook ander papier ritselen: de pagina’s van de boeken die ermee verbonden zijn. De criticus ontdekt die verbanden, legt ze bloot en gebruikt ze voor zijn interpretatie.
Dat zijn de uitgangspunten waarop de Vlaming Hugo Bousset (1942) zijn literaire essays schrijft. Uit nieuwsgierigheid, uit betrokkenheid, uit bezieling. Bousset houdt van de boeken waarover hij schrijft. Hij wil graag meelezen met de schrijver, meekijken in het creatieve proces, meebouwen aan het filosofische vertoog achter de roman.
In zijn essays wil Hugo Bousset het wereldbeeld van de auteur ontraadselen, of (re)construeren, het filosofisch systeem achter dat ene literaire werk. Daartoe hanteert hij uiteenlopende methoden, die varieren van intertekstueel onderzoek, een vergelijking met beeldende kunst, de positionering in de maatschappelijke context tot confrontaties met persoonlijke ervaringen van de interpreet. Dit is nauwelijks wetenschappelijk geoorloofd: van een essayist wordt een begrensde literatuuropvatting verwacht, geen gezwabber van het ene uiterste naar het andere, maar Geritsel van papier is geen wetenschappelijke publikatie. Goddank.
In zijn ‘Leeswijzer’, het voorwoord bij de bundel, schrijft de exegeet dat de lezer met deze opstellen kan spelen, 'tot hij ontdekt dat in elk van die romans andere boeken meeritselen, dat geen enkele tekst uniek is, op zichzelf staat - elk boek is tenminste een tweeling -, tenzij je de auteur beschouwt als een unieke persoonlijkheid, die een uitzonderlijke vi sie op de werkelijkheid heeft, maar ik geloof daar niet zo in.’ De persoon van de schrijver is voor de interpretatie niet van belang; vandaar dat we in dit geval over 'teksten’ kunnen spreken. Bousset vervolgt: 'Eigenlijk geloof ik ook niet meer in teksten over literatuur die pretenderen deinterpretatie van romans, verhalen gevonden te hebben.' Op die postmoderne premisse bouwt de auteur voort. Zijn essays moeten worden beschouwd als 'omcirkelende bewegingen' rond die romans, die teksten die hem hebben uitgedaagd of geprikkeld.
Daar zit 'm de sympathieke kneep: hoe academisch Bousset nu en dan ook is, hoezeer het serieuze bij vlagen het speelse overschaduwt, steeds staat de persoonlijke betrokkenheid voorop, de bevlogenheid, het geprikkeld zijn door het werk van 'zijn' schrijvers. Hugo Bousset is gewoon nieuwsgierig. En dat is een van de dingen die het lezen van zijn essays zo leuk maken. Hij stelt vragen, die hij met zijn essay wil beantwoorden. Hij wil ergens achter komen, het geheim van de roman ontraadselen. Al moet de onderste steen boven komen.
'ELK BOEK is tenminste een tweeling.' Bousset koppelt met soms onverwachte argumenten hedendaagse, Nederlandstalige romans aan literatuur uit binnen- en buitenland, uit heden en verleden. In deze bundel schrijft hij over Willem Jan Otten en Marie Kessels; Thomas Rosenboom en Markies de Sade; Desanne van Brederode en Gerard Reve; Walter van den Broeck, Paz, Manganelli, Dumas, Dante, Coleridge; Monika van Paemel en Salman Rushdie; Paul de Wispelaere en Georges Perec; Stefan Hertmans en Maurice Gilliams; Patricia de Martelaere en Peter HQeg; Charlotte Mutsaers en Witold Gombrowicz; Bernlef en Calvino; Atte Jongstra en Koen Peeters.
Thomas Rosenbooms Gewassen vlees, bijvoorbeeld, daagt de lezer ertoe uit een vergelijking te maken tussen Willem Augustijn, de protagonist, en Markies de Sade (1740-1814). Bousset laat opzettelijk vele aspecten van de 'veelkantige roman' buiten beschouwing om te kunnen focussen op de vraag: 'Is Willem Augustijn een alter ego van De Sade? En wat is hun beider relatie tot de gebruikelijke moraal van de pruikentijd?'
Er zijn verschillende overeenkomsten. De eerste is de opvallende voorkeur voor andere vormen van seksualiteit dan de 'normale', heteroseksuele. Veel en veel boeiender zijn nou eenmaal: sadisme, anale seks, masturbatie, voyeurisme, bestialiteit, necrofilie, heiligschennis, scatologie en zo verder. De strenge achttiende- eeuwse morele voorschriften worden in Gewassen vlees 'genietend overtreden', omdat juist het tegennatuurlijke de wellust oproept. De Sades decadente sensibiliteit avant la lettre is terug te vinden bij Rosenboom. Of Willem Augustijn nu tracht klaar te komen in een stal, uit de uier van een koe drinkt, een kalfje op zijn buik laat poepen, stiekem de billen van een copulerend meisje uiteentrekt, van dichtbij bestudeert en vervolgens met zijn vinger achteloos binnendringt, of hij nu zijn bastaardbroer Breukje verkracht en tegelijkertijd doodt (De Sade: 'Niets geeft zoveel wellust als dit, zegt Saint-Fond, zijn lul uit het lijk trekkend, je kunt je niet voorstellen hoe de anus zich samentrekt wanneer men langzaam de halswervels doorsnijdt, het is verrukkelijk.') In alles wat hij doet, belichaamt hij die fameuze amoraliteit, die in De 20 dagen van Sodom op de spits werd gedreven.
In de achttiende eeuw was de passie nu eenmaal ondergeschikt aan de rede. De vrouw trouwde met haar beste vriend, iemand die zij met haar verstand kon waarderen zodat de verhouding niet te lijden zou hebben onder dwaze driften als liefde. Maar hoe sterker de taboes op lichamelijkheid en seksualiteit, hoe groter de kans dat ze in het verborgene de kop opsteken.
Het lichaam werd onder zoveel mogelijk kleding weggemoffeld. Wat De Sade en Rosenboom gemeen hebben, is hun obsessie voor het lichaam, van buiten en van binnen, tot in de uitbundig beschreven gore details. Daarmee zijn Willem Augustijn en De Sade, naar E. M. Cioran, typisch voor het wormstekige karakter van de toenmalige samenleving. Ze moeten in de interpretatie dan ook niet langer als marginaal worden beschouwd: 'ze rollen als rotte appels uit de mand van een voze eeuw'.
Voor Bousset zijn er nog genoeg andere aanknopingspunten in de roman om tot de slotconclusie te komen dat Gewassen vlees 'een roman (is) waaraan niemand voorbij kan die onze tijd wil kennen, of onze literatuur'. En dat is het elegante van Bousset. Zijn bespiegelingen hebben altijd een hoger doel dan alleen de exegese van het werk zelf. Hij wil de tijd waarin hij leeft leren kennen, hij is nieuwsgierig naar zijn eigen cultuur. En die eigen tijd kan men leren kennen door de boeken te lezen die erin geschreven zijn.
IN HET ESSAY 'Nood Gods' wordt voortgeborduurd op het thema van de lichamelijkheid. Via een prachtige tekst van Hadewych uit de dertiende eeuw en een Pieta
van de renaissanceschilder Giovanni Bellini, voert Hugo Bousset de lezer mee in mystiek-erotische, pervers-religieuze en pijnlijk-opwindende bespiegelingen over Ave Verum Corpus, de debuutroman van Desanne van Brederode. Ook nu wordt gezocht naar het wereldbeeld van de auteur, in dit geval door een vergelijking met thema’s van Gerard Reve. Over Van Brederode: 'In haar fragmentaire roman ontbreken alle sporen van “grote verhalen”, alleen “de beelden in de marges en het leven tussen de spaties” kunnen haar raken en breken. Dat klinkt allemaal postmodern.’
Een van de stokpaardjes van Bousset is het postmoderne, het onkenbare van de werkelijkheid, het zelf, en de ander. Lezende in Geritsel van papier, meedenkend met de auteur, terugschrijvend en terugritselend, wordt de lezer steeds weer naar dat ene eindpunt gevoerd: 'de’ werkelijkheid bestaat niet - 'het hangt er maar van af waar je staat of welke plaats je inneemt’ (Van Paemel); de mens is 'in het midden van niets op weg naar nergens’, zijn identiteit is 'meervoudig en gedeeld’.
Bousset kiest voor schrijvers die een fragmentarische manier van vertellen/schrijven voorstaan, die vaak de literatuur of het schrijven zelf thematiseren, voor wie elk verhaal een mozaiek van scherven is, scherven betekenis die samen nooit een geheel kunnen worden. Hij kiest boeken die opzettelijk openingen laten tussen lezer en schrijver, 'Leerstellen’, waar hij als exegeet met overgave in duikt.
De literatuurkritiek is een amalgaam van methoden en opvattingen geworden. Daarmee verschuift vanzelf de verantwoordelijkheid naar de individuele criticus. Wetenschap wordt zodoende bijna persoonlijk. Dat is aan Geritsel van papier uitstekend te zien: het gebrek aan een enkel vast uitgangspunt compenseert Bousset meesterlijk met het persoonlijke, zijn eigen betrokkenheid bij het onderwerp. Op die manier worden deze essays weliswaar wat minder academisch gegrondvest, maar wel stukken leesbaarder en levendiger.
Boussets conclusies zijn niet opzienbarend, maar de manier waarop hij ernaartoe werkt, maakt veel goed. Zo hoort over literatuur geschreven te worden, zo hoort de criticus met zijn materiaal om te gaan, zo dient de moderne literatuur tegemoetgetreden te worden: met respect, met interesse, met de intentie moeite te doen bij het lezen. Dat die moeite loont, bewijst Geritsel van papier.