Terugtrappen

Wie veel geld heeft koopt alles en iedereen op, zoals de techgiganten de concurrentie. Maar soms heeft die laatste een goede terugtraptechniek.

Van de ene op de andere dag was het er, dat loopje. Zo’n slome tred die een zorgvuldig gecultiveerde desinteresse verraadt. Maar samen met een soort knik in zijn pas: een piepkleine sleepbeweging. Sprezzatura for boys.

Ik denk dat The Karate Kid al tien jaar oud was toen mijn buurjongen de film voor het eerst zag, maar de verandering die het in hem teweegbracht was er niet minder om. Hij liep nog net niet rond met een bandana met de rijzende zon om zijn hoofd geknoopt, al durf ik mijn hand ervoor in het vuur te steken dat hij, als hij zeker wist dat er niemand keek, zo nu en dan net als Daniel LaRusso transformeerde in een kraanvogel met een verwoestende traptechniek. De film was natuurlijk ook onweerstaanbaar. Gewoon dat doodsimpele verhaal van een sympathieke underdog die gehavend maar glorieus uit de strijd tevoorschijn komt.

In dat loopje zat wat existentialisme, denk ik nu. Het was ook oefenen voor volwassen zijn. Een instinctieve reactie op het dagende besef dat ieder van ons zich staande moet zien te houden in een betekenisloze en soms vijandige wereld.

Vorige week verscheen Cobra Kai op Netflix. Het zag er niet direct uit als iets wat ik vrijwillig zou aanzetten. Titel en beeld leken hooguit plichtmatig te refereren aan de alom geliefde jeugdfilm, die ik nu ook niet meer opnieuw zou durven kijken. Maar toen Malcolm Harris, schrijver van Kids These Days: Human Capital and the Making of Millennials en een bloedserieuze communist met gevoel voor humor, laaiend enthousiast was, besloot ik toch een aflevering te kijken om te zien of ik wellicht fellow traveller moest worden.

De makers hebben schijnbaar precies de juiste toon gevonden voor deze specifieke soort onzin. Zelfbewust, met meer liefde dan respect voor het origineel en door en door ironisch. Het blijft natuurlijk een voorbeeld van onze jammerlijke zelf-referentiële cultuur. Een cultuur die verdrinkt in een mengsel van een commercieel gedreven hang naar het al bekende en een nostalgisch verlangen naar minder complexe tijden. Maar tegen de rest van dat woekerende onkruid steekt het toch verfrissend af.

De slechterik van weleer, de blonde bullebak Johnny Lawrence die werd getraind door een man die eruitzag als de boosaardige grote broer van Patrick Swayze en Val Kilmer, is van aartsvijand gepromoveerd tot antiheld. Een loser die zijn frustraties uit in zelfmedelijden en een vreemdelingenhaat waar weinig overtuiging achter zit.

Als hij binnen een etmaal zijn baan verliest, ziet hoe zijn buurjongetje in elkaar wordt geslagen en hij voor de zoveelste keer wordt geconfronteerd met een reclame voor het succesvolle autobedrijf van de man die hij verantwoordelijk houdt voor alle tegenslagen in zijn leven (leus: ‘We kick the competition’) besluit hij een dojo te openen. Zijn buurjongen is de eerste en vooralsnog enige leerling. Niks van dat zweverige Mr. Miyagi-gedoe natuurlijk. ‘Strike first, strike hard, no mercy’, schrijft hij op de muur. Intussen wordt zijn rode sportauto geramd en per abuis naar LaRusso’s werkplaats gebracht. Een ongemakkelijk, verbitterd weerzien volgt.

Apple lijkt alles te zijn geworden waartegen het zich ooit verzette

Netflix presenteert Cobra Kai tussen zijn prestigieuze ‘originals’, maar de serie is al twee jaar oud en eerder verschenen op YouTube. Zo gaat dat denk ik als je de grootste speler bent, je koopt wat dingen weg bij de concurrentie en slaat zo twee vliegen in één klap. Ik had het kunnen weten, want ik heb de hoop dat Netflix zelf met iets op de proppen komt dat daadwerkelijk de moeite waard is al jaren geleden opgegeven. Zelfs de echte prestigeprojecten vielen toch telkens weer tegen, Alfonso Cuaróns veelgeprezen sentimentele draak Roma voorop.

Zonder directe aanleiding scrolde ik een dag later door een lijst van kleinere en grotere bedrijven die de afgelopen jaren waren ingelijfd door een van de huidige tech-monopolisten. Als je zoveel geld hebt, en waakhonden je geen strobreed in de weg leggen, dan koop je gewoon alles en iedereen op die in de toekomst een bedreiging zou kunnen vormen. De lijst was onderdeel van een artikel over een kleine oorlog die is losgebarsten in monopolieland. Apple en Google beheersen de belangrijkste poorten naar de markt voor apps en vragen in ruil voor toegang een duizelingwekkende commissie.

Een paar weken geleden gooide Epic, maker van onder meer het immens populaire spel Fortnite, een steen in de vijver door een nieuwe update aan te bieden en daarin melding te maken van het feit dat een transactie buiten Apple en Google om een stuk voordeliger was. Iets wat Netflix, anders dan Epic grotendeels afhankelijk van de app-winkels, dolgraag zou maar onmogelijk kan doen. Het spel verdween prompt uit de App Store en Google Play en niet veel later stapte Epic naar de rechter.

Als klap op de vuurpijl verscheen er een kort filmpje. Het is een variant op Apple’s beroemde Big Brother-spotje. Een moderne update van een klassieker, zo je wil.

We zien hoe een Fortnite-avatar een zaal binnenrent en, in plaats van een zware hamer, een felgekleurd stokpaard (of een eenhoorn, om precies te zijn) door het op een gigantische beeldbuis orerende gelaat van Big Brother slingert. Zout in de wonde van het volwassen Apple, dat alles lijkt te zijn geworden waartegen het zich ooit verzette.

Niet dat Epic de belangeloze goedheid zelve is natuurlijk, maar toch: soms trapt de concurrentie terug.

Nineteen-Eighty Fortnite, lezen we op het scherm. Niet alleen een verwijzing naar het spotje, uiteraard, maar ook naar het boek dat zo bepalend is geworden voor ons idee van een onvrije samenleving dat we ons erop blindstaren.