Wat doe ik hier? Het is donderdagochtend, het motregent en de testlocatie blijkt een grote, grauwe parkeergarage waar met helrood plakband vakken en lijnen zijn uitgezet. Daarbinnen mogen we ons bewegen. Met tussenpozen schuifelen we in de richting van een controlepost om onze afspraak en identiteitspapieren te laten zien. Een jongen met een felgeel hesje aan kijkt gapend op zijn horloge.

Een paar meter verderop, achter dranghekken, is de rij voor automobilisten; een aftandse Toyota, een Tesla, twee Fords en een Mercedes – ik heb geleerd automerken te herkennen omdat mijn rijinstructeur, steevast grossierend in raadselachtige wijsheden, vond dat dat een essentiële vaardigheid was. ‘Je moet weten wat je ziet om beter te gaan kijken.’ Met autorijden ben ik inmiddels gestopt maar wel kan ik, wanneer ik ooit ooggetuige van een overval wordt, dingen zeggen als: ‘Het ging om een grijze Seat Ibiza, agent.’ Een geruststellende gedachte. De aftandse Toyota rijdt stapvoets voorbij. Op de bumper zit een verbleekte, van ouderdom opkrullende sticker met de tekst ‘Don’t worry be happy’.

Wat doen we hier allemaal? Voor mij in de rij staat een vrouw met een bijzonder ingewikkeld kapsel van om elkaar heen gedraaide zwarte vlechtjes over haar telefoon gebogen. Achter mij hoest iemand, met een diep, blaffend geluid. Onwillekeurig duik ik dieper in mijn jas. We zijn allemaal verdacht, in dit decor; een schemerduister aquarel van vreemden die hun gezicht hebben bedekt om een parkeergarage in te mogen. ‘Dames en heren, u mag doorschuiven binnen de vakken’, roept de jongen in het felgele hesje.

Ik zet een paar passen vooruit en ruik uitlaatgassen, regenwater en iets zoetigs dat ik niet helemaal kan thuisbrengen. Op de website heb ik bij het aanvragen van de test ‘nee’ geantwoord bij ‘verminderde reukzin’. Bij ‘neusverkouden’ heb ik ‘ja’ ingevuld. In de tijd die ik hier wachtend doorbreng heb ik al tweemaal mijn mondkapje naar beneden moeten schuiven om mijn neus te snuiten, waarna ik de dringende behoefte voelde mijn handen te wassen, mijn vingers te ontsmetten, mijn gezicht schoon te vegen en sorry te zeggen tegen wie er toevallig mijn kant op had gekeken. Sorry dat ik er onrustbarend uit zie. Sorry dat ik hier vandaag ben. Waar moet het heen met ons?

De vrouw met het vlechtwerk kijkt achterom. Ze houdt haar telefoon omhoog opdat ik kan zien wat zij zojuist heeft vastgesteld: het scherm is zwart. ‘Batterij leeg’, zegt ze. ‘Heb ik weer.’ Ze heeft de gelaten blik van iemand die voortdurend van alles heeft, al jaren, en daar inmiddels geestelijk volkomen op is ingesteld. Als straks de teststaafjes toevallig op zijn, als iemand per ongeluk haar neustussenschot doorboort, als er een autobom ontploft, als het plafond van de parkeergarage naar beneden komt: ze zal het aanvaarden als de natuurlijke gang der dingen. ‘Nou’, zal ze zeggen. ‘Dat heb ik weer.’

Achter mij wordt nogmaals gehoest. Ik kijk niet om. Het is beter om zo min mogelijk op elkaar te letten, geloof ik. Ik schuif de capuchon van mijn jas over mijn natte haar en snoer de touwtjes dicht. Ik snuif de geur van regenwater op en probeer aan de lente te denken. Aan wuivend riet. Aan bergen. Aan een uitzicht dat milder is dan dit.

Hier

kun je dan bijvoorbeeld heen vluchten
niet dat er hier wel valt te leven maar het uitzicht
is mild je kunt je wassen in de schaduw van een molen
leren hoe sterk riet is het gewicht dat niet van jou is
in het water smijten aan bergen denken
niemand die het weet

Radna Fabias
Onderdeel van een gedichtenroute door de Alblasserwaard