Teveel dichters

De klacht dat er in Nederland te veel titels worden uitgegeven, dekt verschillende ladingen en motieven, maar de lezer kan daar lak aan hebben zolang er onder dat teveel nog voldoende van zijn gading zit.

Er komen nog steeds belangrijke en interessante boeken uit, alleen al in vertaling, en nog altijd meer dan zelfs de veeleisende lezer op kan. Dat had niemand durven hopen toen de markt voor vertaalde literatuur begin jaren tachtig op instorten stond. En dat geldt zeker voor vertalingen van poëzie; dat die nog steeds worden uitgegeven is een klein wonder, zeker als je dat vergelijkt met Frankrijk en Duitsland. Dichtbundels worden daar bijna uitsluitend door kleine uitgeverijen of in eigen beheer uitgegeven, en poëzievertalingen zijn er nog zeldzamer. Ook in Nederland zijn naast literaire tijdschriften kleine uitgeverijen voor het vertalen van poëzie onmisbaar. Ik doe maar een greep uit de recente uitgaven: bij PoëzieCentrum Gent verschenen bundels van de Chinese dichter Yu Jian (Poëzie als incident) en de Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska (Verrukking & Wanhoop); van de laatste verscheen tegelijkertijd een bundel bij De Lantaarn. Bij de andere kleine Leidse uitgeverij, Plantage, gespecialiseerd in Russische poëzie, is een bundel uitgekomen met twee smakelijk erotische dichtwerken uit de negende en de zeventiende eeuw, Het hoogste genot, gevolgd door De genoegens van de liefde. Uitgeverij Kritak/Goossens heeft een reeks ‘Klassiek’, waarin redacteur Paul Claes zojuist de classicistische sonnetten van José-Maria de Heredia vertaalde, Trofeeën. En De Prom komt met Geheimen van de Amerikaanse Emily Dickinson en Gedichten van de Braziliaan Cabral de Melo Neto. Dat is niet gering en ook nog behoorlijk gemêleerd, maar je moet wel weten dát die uitgaven er zijn en ze nog kunnen vinden ook. Een bundel uitgeven is niet zo moeilijk, maar als de kritiek en de boekhandel verstek laten gaan, bestaat zo'n boek in feite niet. Vertalingen zijn bovendien van belang voor de Nederlandse poëzie: als die niet door poëzie van elders gevoed of bevrucht wordt, verpietert ze.
Dat is niet voor iedereen even vanzelfsprekend. Zo meende Rob Schouten in een bespreking van Het uur van de droom van Arjen Duinker dat de dichter duidelijk te veel naar Pessoa en Drummond de Andrade had gekeken, waarop Duinker riposteerde met te zeggen dat hij dan nog wel twintig of dertig andere buitenlandse dichters kon noemen. Literaire invloed zit doorgaans ingewikkelder in elkaar dan afkijken of overschrijven, en een schrijver die niet in de breedte leest, is doorgaans een dunne schrijver. Niet toevallig zijn het vaak dichters die buitenlandse poëzie introduceren; soms maken vertalingen zelfs deel uit van hun werk.
Cabral de Melo Neto (1920), om de belangrijkste van de recent vertaalde dichters te nemen, werd in 1981 door August Willemsen geïntroduceerd met een bloemlezing bij De Lantaarn. Zo'n dichter is er niet in de Nederlandse poëzie. Hij schrijft vaak lange gedichten, weerbarstig van ritme en woordkeuze, dwars ook door het studieuze karakter ervan, vergelijkbaar met schilderkunstige 'studies’. Zijn benadering lijkt in zoverre op die van Ponge, dat ook hij dingen van alle kanten bekijkt in een gedicht of een reeks. Het kan een mes zijn dat zich als metafoor moet meten met een kogel en een klok, of een rivier die in zijn loop door de stad diverse gedaanten aanneemt, of de naaktheid van achtereenvolgens de spin, de moerasslak, paard en ezel, waarna de mens er als het 'meest geklede en geschoeide wezen’ bekaaid afkomt. Zo'n benadering vergt uiteraard een zekere lengte en gearticuleerde constructie. En die studies zijn ook zelf weer objecten. De dichter heeft het wel voortdurend ook over poëzie, het is er hem uiteindelijk om te doen 'kennis van de werkelijkheid’ over te dragen. Uit zijn bundels 'antilyrische’ poëzie stelde Arie Pos een bloemlezing samen, en daarmee is er weer een dichter bij in het Nederlands.