Thaise boeren veroorzaken een milieuramp

Bangkok – Tevreden kijkt boer Mint op zijn akkertje bij Chiang Mai in de camera van het Thaise tv-journaal. Voor hem liggen de maïskolven die hij dit jaar heeft geoogst en hij geniet van de aandacht.

Hij weet niet dat de redactie het beeld de volgende dag voorziet van negatief commentaar: ‘Deze boer is medeschuldig aan de grootste brand ter wereld en aan de smog die veel landgenoten bedreigt!’ Met een fakkel steekt Mint namelijk het akkertje vol droge plantenrestanten in brand. Dat is een snelle en goedkope manier van ruimen. Slim ook met het oog op de volgende aanplant, want de as zorgt – samen met de regen die in april komt – voor vruchtbare grond. Zo deden zijn vader en grootvader het ook.

Sinds mensenheugenis kronkelen in het noorden van Thailand in februari en maart de rookpluimen omhoog van de velden in de rivierdalen. En vooral van de sterk glooiende veldjes hoger in de bergen, waar voor keuterboertjes als Mint ploegen als alternatief voor het branden lastig is: met de hand kost dat te veel tijd, machinaal te veel geld. Oudere reisgidsen noemen het rokende landschap charmant en rustiek, maar sinds de eeuwwisseling nemen klachten over smog toe. Vooral in toeristengebied Chiang Mai, waar de rook steeds dikker wordt. Satellietfoto’s tonen aan dat boeren in de bergen steeds meer grond in cultuur brengen, legaal en illegaal. Daarmee stijgt na de oogst ook het aantal brandhaarden: zo’n tachtigduizend.

Autoriteiten doen protesten al jaren af als ‘geklaag van verwende buitenlanders’ en ‘gezeur van milieufreaks’. Maar sinds afgelopen week is de milieuramp niet meer te ontkennen. De gezondheidsminister spreekt van een onacceptabel probleem, nadat een recordaantal van veertigduizend Thai zich met brandende ogen en ademhalingsmoeilijkheden bij ziekenhuizen heeft gemeld. En als voor het eerst vliegtuigen vol toeristen door de smog niet kunnen landen, roept ook de Kamer van Koophandel op tot actie.

De KvK-voorzitter wijst niet beschuldigend naar de boeren. ‘Verantwoordelijk is de agro-industrie. Die heeft steeds meer maïs nodig als diervoeder, omdat we dankzij onze welvaart steeds meer varkens en kippen eten. Ze bieden de boeren genoeg geld voor de maïsproductie, maar te weinig om te kunnen investeren in moderne productiemethoden. De vraag is hoe lang we dat met z’n allen kunnen volhouden.’