Casus Kameroen

Thaise rijst en duur sperma

SAGBA – Ver in het Noord-Kameroenese hoogland ligt Sagba. Een handvol huizen en een moskee in een oneindig grasland, met een frisse noordenwind die rechtstreeks uit Nigeria waait. De rijkste man van Sagba is vrachtwagenchauffeur, hij woont in een stenen huis. Rond zijn woning is de rest van het dorp gegroepeerd: optrekjes uit gestapelde lemen blokken, met elk een klein erf waarop kippen en konijnen scharrelen. Er wonen zo’n dertig boerenfamilies. Allemaal houden ze vee.

Salir Bubi, een van hen, is een kleine tanige man van 43 jaar, met twee vrouwen en acht kinderen. Hij hoedt 35 koeien, die in de verte vredig op de heuvels grazen. Boeren in Sagba is balanceren op de marge. Bubi zet zich in het gras, zorgvuldig de koeienvlaaien ontwijkend, en legt uit: ‘Mijn koeien geven één liter melk per dag, daarmee verdien ik driehonderd cfa (vijftig eurocent). Voor mij is dat niet veel, maar het is te duur voor de consumenten. Want op de markt is melk tien cent goedkoper. Dat is melk uit Europa.’ Geïmporteerde melk uit Europa – ingevoerd als melkpoeder – wordt gesubsidieerd. Bovendien produceren koeien in het Europese laagland veertig maal zo veel melk per dag als de koe in Kameroen en zijn verwerking en transport efficiënter georganiseerd.

Dus sprong Bubi een gat in de lucht toen enkele jaren geleden een westerse ontwikkelingsorganisatie de boeren in Sagba een bescheiden en eenmalige subsidie gaf om hun koeien te laten insemineren met het sperma van Fries bontvee. Het was een experiment van een jaar. ‘Daarna moesten we de kosten zelf betalen, terwijl er nog niet heel veel koeien waren geïnsemineerd. Eén inseminatie kost 35.000 cfa (ruim vijftig euro).’ Hij denkt even na en zegt dan: ‘Daarvoor moet ik dus 115 liter melk verkopen. Maar goed, als ik daarin ben geslaagd, stijgt de productie naar zo’n vijf liter per dag.’

Dankzij de licht gestegen melkproductie kon de boerengemeenschap niettemin een klein melkverwerkingsfabriekje stichten. Bubi toont de machines in een schuur: er wordt kaas en yoghurt gemaakt. Sorry, er wérd kaas en yoghurt gemaakt. ‘We hadden geen financiële middelen voor transport en evenmin voor opslag’, verontschuldigt hij zich. De overproductie, dankzij de inseminatie, gaat nu de sloot in. En ook de boeren van Sagba drinken nu melkproducten van Nestlé.

Nestlé Kameroen is met een marktaandeel van veertig procent de grootste melkimporteur in dit West-Afrikaanse land, dat bijna net zo groot is als Frankrijk en zestien miljoen inwoners telt. Het bedrijft krijgt zijn melk, ingevoerd als poeder, van Nestlé Nederland, van ‘Friesland’ en van Nestlé België. West-Europese landen zijn samen goed voor 85 procent van de Kameroenese melkimport.

Kameroen is er in de laatste tien jaar in toenemende mate afhankelijk van geworden. Daarmee staat het land symbool voor bijna geheel Afrika. Om in aanmerking te komen voor begrotingssteun en schuldenverlichting waren de landen, sinds midden jaren negentig, door de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds gedwongen om hun grenzen te openen en de handel te liberaliseren.

Voorheen schermden ontwikkelingslanden hun grenzen juist af, uit vrees overspoeld te worden met goedkope producten die hun eigen markt zouden bedreigen. En de angst bleek terecht, want sinds de liberalisering is dat gebeurd. Landbouwproducten als melk, tomaten, uien, rijst enzovoort kunnen veel goedkoper worden geïmporteerd dan lokaal geproduceerd. Productiemethoden in landen als Kameroen zijn traditioneel, ze zijn kleinschalig en nooit gesubsidieerd. Importproducten zijn grootschalig, modern geoogst en verwerkt en niet zelden ook nog eens gesubsidieerd.

‘Het gevolg is dat onze landbouw verdwijnt en dat onze markt en onze consumenten afhankelijk worden van het buitenland’, zegt Bernard Njonga, oprichter en voorzitter van acdic (Association Citoyenne de Défense des Intérêts Collectifs), een invloedrijke consumentenorganisatie in Kameroen. ‘We zijn straks niet meer in staat voor onze eigen voedselvoorziening te zorgen. We worden van de markt gedrukt door de grote multinationals én door het Westen, dat geen oog heeft voor deze gevolgen van de mondiale politiek.’

Concreet is dat het geval met rijst, volksvoedsel nummer één. Het is goedkoop, makkelijk te bereiden, voedzaam en te combineren met veel andere gerechten. Vooral de allerarmsten hebben daar profijt van. Kameroen produceerde tot in het midden van de jaren negentig zelf rijst. De grenzen gingen open en al in het eerste jaar werd er 46.000 ton rijst ingevoerd. Nu ligt dat op het achtvoudige. De meeste rijst komt uit China, Thailand, Vietnam en Birma. Rijst wordt door die overheden gesubsidieerd, waardoor hij in Kameroen voor dertig eurocent per kilo op de markt wordt gebracht. Kameroenese rijst kost vijftig cent. De Thaise jute zak, waarin de rijst verpakt wordt, kost vijftien cent, in Kameroen betaalt de rijstboer tachtig cent voor zo’n zak.

‘In Kameroen is 25.000 hectare grond geschikt om rijst te verbouwen. Maar nog geen derde daarvan wordt gebruikt’, zegt Njonga. ‘En de rijst die we produceren wordt nu geëxporteerd naar Nigeria, waar er nog iets voor is te krijgen.’ Negentig procent van de Kameroenese consumptie bestaat nu uit import.

Het kan nog gekker. Amerikaanse rijstboeren produceren bewust te veel om subsidies binnen te halen. Een deel van die overproductie wordt verkocht aan het voedselhulpprogramma van de Wereldvoedselorganisatie. Zo kreeg Kameroen in 2003, 2004 en 2005 in totaal voor veertien miljoen dollar aan ‘hulp’ uitgedeeld. Die rijst mocht de Kameroenese overheid op haar beurt verkopen, om met de opbrengst infrastructurele werken (wegen, spoorlijn, bruggen et cetera) aan te leggen. Een zogenaamd ‘Food for Progress’ (Voedsel voor Vooruitgang)-programma. Alleen al in 2005 ging het om elf miljoen kilo rijst. Een merkwaardige en ook wat cynische gift aan een land dat zelf rijst kán produceren en dat ook doet, maar zich door de import van goedkope (onder meer Amerikaanse) rijst genoodzaakt ziet die weer te exporteren.

Njonga, de voorzitter van de consumentenbond, hekelt de globalisering: ‘Tegenwoordig wordt de wereld gedirigeerd door mensen die alleen oog hebben voor winst maken. In kapitalistische ogen zou dat goed zijn voor de ontwikkeling en het welzijn van de mensheid. Maar het gaat ten koste van lokale gemeenschappen.’

Toch richt hij zijn pijlen vooral op de eigen regering: ‘Die ziet niet wat de consequenties zijn voor de eigen bevolking. Dus hecht de Kameroenese overheid meer waarde aan de import van voedsel uit Europa, Azië en Verenigde Staten dan aan de mogelijkheden van de eigen bevolking. Dat heeft verregaande consequenties. Als die ontwikkeling niet stopt, gaan onze deviezen het land uit, verdienen onze eigen boeren en ondernemers niets meer en wordt de Kameroenese burger straks geheel afhankelijk van voedsel dat van duizenden kilometers ver komt, terwijl we het voorheen zelf produceerden.’

De consumentenorganisatie slaagde er drie jaar geleden in de massale import van diepgevroren kippendelen uit Europa tijdelijk stil te leggen. De kippenimport uit vooral Nederland en Frankrijk groeide tussen 1996 en 2003 van 973 ton naar 22.000 ton per jaar. Daardoor verloren ruim honderdduizend Kameroenezen hun baan, nog afgezien van het verlies aan werkgelegenheid in de toeleveringssector (veevoer, eendagskuikenproductie, enzovoort).

De kippendelen waren niet geschikt voor de West-Europese markt, legt Fransesco Mari uit, een Europees lobbyist en kippenspecialist voor de Duitse organisatie Church Development Service. ‘Koppen, ruggen, vleugels en kont gingen voorheen in honden- en kattenvoer. De afgedwongen liberalisering in Afrika opende nieuwe perspectieven en grenzen. Ze werden daar massaal gedumpt.’

In Afrika wordt van oudsher een kip van kop tot kont verorberd, maar acdic ontdekte dat er nogal slordig werd omgegaan met hygiëne en dat de meeste ingevlogen kippendelen niet geschikt waren voor verkoop. Njonga: ‘Na een stevige lobby en druk werd de import stilgelegd.’ De Kameroenese minister van Landbouw vloog na 22 jaar trouwe dienst de laan uit wegens corruptie. ‘Hij werd geslachtofferd omdat er iemand moest hangen’, zegt Njonga. ‘Maar de corruptie is diep geworteld en niet verdwenen nu er een minister is vertrokken Het ministerie van Landbouw heeft corruptie tot systeem en norm verheven.’

Corruptie is in Kameroen ook een van de belangrijkste redenen waarom de regering niets doet om de massale import van landbouwproducten tegen te gaan. Ambtenaren en politici verdienen goud geld aan douane- en importtransacties, door die bijvoorbeeld niet of te hoog te factureren. De voorzitter van de consumentenbond ziet overigens ook de problemen met importtarieven: ‘De overheid hecht nu eenmaal meer aan de directe opbrengsten van douanetarieven en importheffingen dan aan de belangen van de eigen bevolking. Maar dat zijn kortetermijnverhalen.’

Met massale handtekeningenacties wil acdic haar regering dwingen om de corruptie aan te pakken, de eigen boeren subsidie te geven en hogere importheffingen op te leggen voor producten uit Europa, de Verenigde Staten en Azië. Bij dat laatste vindt de consumentenbond steun van westerse organisaties als SOS-Faim, Oxfam/Novib, icco en Both Ends, die zich verzetten tegen de gevolgen van de globalisering voor ontwikkelingslanden. Hun agenda verschilt, maar de boodschap is uiteindelijk hetzelfde.

‘We geven aan de ene kant ontwikkelingshulp, maar aan de andere kant maken we het de landen in het Zuiden onmogelijk op eigen benen te staan door oneerlijke handel’, aldus Barbara Bosma van icco. Juist in deze dagen richt de actie zich tegen de Europese Unie, die aan het einde van het jaar via handelsverdragen wederzijds de grenzen wil openen: toegang voor Afrika en andere arme landen naar Europese markten, maar ook vice versa, van Europa naar de allerarmste landen.

‘Het zal eenrichtingsverkeer worden, zo wijst de praktijk van de afgelopen tien jaar uit’, zegt Bosma. ‘Ontwikkelingslanden zijn helemaal niet klaar voor een gelijkwaardige handelsrelatie. Ondernemers hebben daar niet dezelfde middelen, niet dezelfde technieken of kredietmogelijkheden als in Europa.’

In het Noord-Kameroenese Sagba toont Salir Bubi Bosma’s gelijk. Na de bescheiden rondleiding in het yoghurt- en kaasfabriekje sluit hij zorgvuldig de houten deur. De zuivelverwerking van Sagba, die het dorpje zou opstoten in de vaart der volkeren, kon niet functioneren, simpelweg omdat er geen middelen voor transport en opslag waren: er was een markt, maar die kon letterlijk niet worden bereikt.

‘U zult zeggen: dan leent u dat bij de bank’, raadt Bubi gedachten. ‘Maar banken lenen ons geen geld. Banken in Afrika hebben geen vertrouwen in ondernemers. En de overheid vindt ons alleen maar lastig.’

Helemaal op eigen kracht, dat lukt bijna niemand. Sterker, wie wil investeren in de toekomst moet dat uit eigen zak betalen. Dat leidt tot heldere maar harde keuzes. Bubi wijst naar zijn kudde vee, vredig grazend op de heuvels in de verte. ‘Ik had eerst vijf koeien méér’, zegt hij. ‘Maar die heb ik verkocht, omdat ik mijn kinderen naar school wilde laten gaan.’

Jeroen Corduwener is auteur van onder meer het veelgeprezen boek Rwanda, land zonder horizon