that’s the glory of opera, maar de Nederlandse dreigt te verzinken

That’s the glory of opera

De Nederlandse opera dreigt te verzinken in een zelfgenoegzaam provincialisme. In Duitsland is dat anders, zo blijkt bijvoorbeeld uit de spectaculaire opvoering van Berlioz’ Les Troyens.

Nederlanders zijn van nature reislustig en kosmopolitisch, dat weet iedereen. Het is merkwaardig dat die openheid ten opzichte van de wereld en die hevige nieuwsgierigheid zich niet uitstrekken tot de cultuur, en al helemaal niet tot de opera. Dat is althans de indruk die je krijgt als je als buitenlander Nederlandse kranten en tijdschriften leest.

Er is hier in het land weliswaar maar één vast operagezelschap, De Nederlandse Opera (DNO), plus de Reisopera in Enschede, maar daar staat tegenover dat Nederland geogra fisch zo gunstig ligt dat iedere operafan makkelijk het aanbod in Antwerpen, Münster, Osnabrück, Keulen, Parijs, Brussel enzovoort tot zich kan nemen. Je zou kunnen zeggen dat de Hollander spoiled for choices is. Maar over dat grote aanbod vind je in de landelijke pers nauwelijks commentaar. Over operagebeurtenissen buiten de landsgrenzen wordt niet bericht. Nederlandse critici reizen anders dan hun Duitse, Franse en Engelse collega’s kennelijk nooit naar producties in het buitenland.

Het resultaat is dat in kranten als NRC Handelsblad bijna elke productie van De Nederlandse Opera, of die nu goed, middelmatig of slecht is, de hemel in geschreven wordt. Er vindt geen kritische reflectie plaats op de puur lokale prestaties, reflectie die alleen door vergelijkingen met andere opvoeringen mogelijk is. Er is dus ook geen kritiek op en correctie van dingen die in de gezelschappen van Amsterdam en Enschede misschien best voor verbetering in aanmerking zouden kunnen komen. Er bestaat zelfs op den duur het gevaar dat de om internationale aandacht strijdende Nederlandse Opera verzinkt in een zelfgenoegzaam provincialisme, dat zijzelf en het Nederlandse publiek niet verdienen.

Natuurlijk zijn er ondanks de desinteresse van pers en het bredere publiek genoeg Nederlandse operaliefhebbers die zich via internet en internationale media op de hoogte houden en op eigen initiatief naar het naburige buitenland afreizen. Als je in onverschillig welk operagebouw in Europa in de pauze een biertje bestelt, is de kans groot dat je iemand voor of achter je Nederlands hoort spreken. Dat was bijvoorbeeld zo in Düsseldorf, waar onlangs de Deutsche Oper am Rhein lokte met een groot opera-evenement, een «Mythologie Kompakt»-cyclus: een dubbelpremière van Berlioz’ monumentale opera Les Troyens verdeeld over twee steden. Het eerste deel, De inname van Troje, werd in Duisburg opgevoerd, het tweede deel, De Trojanen in Carthago, na een pauze van tweeënhalf uur in Düsseldorf. Daaromheen heeft het gezelschap enkele nieuwe producties gegroepeerd, om het geheel tot een «universeel spektakel» uit te breiden. Een dag na de Berlioz-première beleefde ook Telemaco van Scarlatti uit 1718 zijn eerste uitvoering (in co-productie met de Schwetzinger Festspiele). In Telemaco draait het om de zwerftocht van de Grieken op de thuisreis uit Troje. Het daaropvolgende weekend ging Offenbachs La belle Hélène de planken op, een parodie op hoe het überhaupt tot de hele Trojaanse oorlog was gekomen. De regie was, net als bij Berlioz, in handen van de gevierde jonge Duitse regisseur Christof Loy, die Offenbach in het decor van het eerste deel van Les Troyens liet spelen, terwijl het publiek op het podium zat. Berlioz en Offenbach hadden gedeeltelijk dezelfde cast, waardoor onverwachte relaties ontstonden die de hele cyclus bij elkaar brachten en in een bijzonder licht zetten.

Het basisidee om opera’s zoals die in Düsseldorf uit te voeren als «evenement» is deze dagen zeer in de mode, in aanzet ook in Nederland. DNO probeerde in september haar drievoudige Ring-cyclus als vergelijkbaar internationaal event aan te prijzen, met gedeeltelijk succes. De huidige Händel-ensceneringen Tamerlano en Alcina in de Stadsschouwburg worden ook al als mini-event aangeprezen.

De eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de Deutsche Oper am Rhein veel meer fantasie toont dan haar Hollandse collega’s. Ze bieden meer en openen meer verrassende vergezichten in een briljante combinatie van grand opera, brutale Franse operette en Italiaanse barokopera. Bovendien biedt Düsseldorf/Duisburg behalve de Nederlandse heldentenor Albert Bonnema als Aeneas de nieuwe Duitse stersopraan Evelyn Herlitzius in de rol van Kassandra in het eerste deel van Les Troyens. Ze zingt die zeer dramatische rol als debutante met een magnetische podiumaanwezigheid en gloeiende emoties. Alleen al de spectaculaire bezetting is de reis langs de Rijn waard. Ze maakt natuurlijk ook een interessante vergelijking met Petra Lang mogelijk, die de rol twee jaar geleden in Amsterdam zong in een volkomen andere, veel minder actuele enscenering van Pierre Audi – onder meer zonder blank-zwarte rassentegenstelling en zonder religieus conflict tussen de wereldlijk-christelijke en traditionele moslimbewoners van Carthago.

In de pers is al vaak gelamenteerd over het idee dat de steeds meer tot evenement opgeklopte operapremières zoals die in Düsseldorf de ondergang van cultuur zouden betekenen. Het publiek zou op den duur alleen nog maar dit soort megagebeurtenissen willen zien «om de kick», en de belangstelling voor het gewone en alledaagse verliezen. Maar het is juist de afkeer van het gewone en middelmatige, in de vorm van ongeïnspireerde, onbelangrijke, liefdeloze hernemingen van oude producties, die de blik van het publiek weer heeft gespitst en die het publiek doet inzien dat opera nou juist zo’n fascinerende kunstvorm is. Opera was altijd buitengewoon en onalledaags, in de tijd van Händel, Vivaldi, Rossini en Verdi tot Wagner en Berlioz. Pas in de twintigste eeuw, uit een verkeerd begrepen idee over de opvoeding van het publiek, veranderde ze in de vervelende oude tante die je de laatste jaren maar al te vaak tegenkwam, ook in Amsterdam.

Het event-denken heeft vooral in Duitsland positieve effecten gehad. De kunstvorm opera is na jaren buitenspel gestaan te hebben weer in het vizier van de brede media- aandacht terechtgekomen en heeft daardoor nieuwe, onverdacht grote toeloop gekregen, om van de gunstige effecten voor het imago maar te zwijgen. In Berlijn bracht bijvoorbeeld de bekende Duitse filmregisseuse Doris Dörrie de China-opera Turandot als een action-packed Manga Comic met over de bühne heen en weer vliegende solisten. Bernd Eichinger, producent van de Hitler-film Der Untergang, bracht dit jaar in dezelfde zaal een Parsifal waar alle boulevardbladen van Duitsland paginalang over berichtten, omdat filmsterren en topmodellen als Nadja Auermann bij de première aanwezig waren. Opera als maatschappelijk glamour evenement in Hollywood-stijl, dat is een terugkeer naar wat in de achttiende en negentiende eeuw vanzelfsprekend was en tegenwoordig best wat vaker aan de orde zou mogen zijn. Zo is opera als gezamenlijke belevenis weer fun. En daar gaat het om, toch?

Het is dus jammer dat er over die gebeurtenissen niet wordt bericht, omdat er ideeën uit voortkomen die soms het navolgen waard zijn. Toen de Komische Oper Berlin twee jaar geleden als eerste ter wereld een Dating Party voor operafans organiseerde, schreef zelfs The New York Times daarover, met als gevolg dat de Metropolitan Opera in New York nu hetzelfde soort feestjes aanbiedt, voor hetero’s, homo’s en lesbiennes netjes over verschillende avondjes verdeeld. Ook de Corriere della Sera, Le Monde en de Sunday Times schreven enthousiast over de Berlijnse Dating Party, die onbekommerd aantoonde dat operabezoek niet alleen muzikaal interessant is, maar ook een erotisch opwindende gebeurtenis kan zijn – tenslotte gaat het in de opera sowieso eigenlijk altijd over seks en emoties. Alleen de Nederlandse pers liet, zoals gebruikelijk, verstek gaan bij het Berlijnse evenement en miste zo de kans op een reportage die ook de opera-scene in dit land een aardige impuls had kunnen geven. Want Amsterdam, met zijn historisch baanbrekende vrijzinnigheid, was vast een passender plaats ge weest om zo’n nieuwe (en tegelijk ouderwetse) de finitie van opera vorm te geven. Dat genre-overstijgend denken, die fantasierijke vormgeving ge oriënteerd op populaire cultuur, en dat soort allround-evenementen zouden de complete opera-scene in Nederland ook in het geheel belangrijke impulsen voor de toekomst kunnen geven. Als iemand er nou maar van op de hoogte was geweest…

Interessante opera-opvoeringen zijn niet alleen een kwestie van geld en subsidies, maar ook van durf en ideeënrijkdom. DNO heeft in het verleden veel opmerkelijke projecten op het podium gebracht – met filmmaker Peter Greenaway, met MTV Award-winnaar George Typsin, met Karel Appel – en de internationale pers heeft zich daar terecht voor geïnteresseerd en zo het gezelschap zijn internationale reputatie bezorgd. De laatste tijd worden zulke projecten steeds zeldzamer. Buitenlandse journalisten komen nauwelijks meer naar premières, en al helemaal niet naar die van de Reisopera. Daar dient net zo goed verandering in te komen als in de pijnlijke desinteresse van de Nederlandse pers voor buitenlandse producties. Want juist de kennis van en vergelijking met andere uitvoeringen is een belangrijk deel van het plezier dat opera biedt. De Bayerische Staatsoper heeft bijvoorbeeld een eigen webpagina waarop elke dag de verzamelde krantenartikelen over opera-uitvoeringen van over de hele wereld aangeboden worden. De Weners brengen een eigen tijdschrift uit, Der Merker, waar elke afzonderlijke uitvoering van de Wiener Staatsoper avond na avond gerecenseerd wordt, en elke noot van elke zanger met elke noot van elke andere zanger vergeleken wordt. Waanzin? Neen. That’s the glory of opera.

=

Les Troyens, Telemaco en La belle Helène zijn nog tot eind december te zien. www.rheinoper.de