Antisemitisme - Gastcolumn

Thazjiefesjt

Antisemitisme wordt in Nederland gedoogd als het is vermengd met islamhaat.

Medium asnad

Als kind werd ik thuis soms voor thazjiefesjt uitgemaakt wanneer ik een streek uithaalde of volwassenen een grote mond gaf. De letterlijke betekenis kende ik niet, maar het klonk als: ‘Sneaky irritant piskind, wacht maar als ik je te pakken krijg.’ Later leerde ik dat het een Berberse verbastering is van het Franse woord juif. Jood. Ik werd dus al die tijd een jodin genoemd als ik vervelend was geweest.

Wie nu een onthullend en sappig verhaal verwacht over een duistere familiegeschiedenis vol virulente jodenhaat moet ik teleurstellen. Mijn familie heeft in Marokko altijd in vrede en vriendschap met joden geleefd. Voor een dergelijke familiegeschiedenis hoeven veel mensen in Nederland het, vermoed ik, ook helemaal niet ver te zoeken. Twee of drie generaties terug graven levert al bingo op.

Nee, de onversneden jodenhaat begon pas in Nederland, toen de schotels massaal aan het dak of balkon werden bevestigd. Ik kon geen chocola maken van de toespraken en discussies op die Arabische schotelzenders, maar zodra ik iemand verhit ‘El Lihoed!’ zag blaffen, wist ik hoe laat het was: de joden in Israël wilden weer niet deugen en waren de oorzaak van alle ellende in het Midden-Oosten. De joden en president Bush.

Dat kon soms wat verwarrend zijn. Via de kijkbuis stroomden bloederige beelden van Palestijnse kinderen en boze stemmen over die vervloekte ‘El Lihoed’ mijn wereld binnen, terwijl ik, zodra die tv-knop uit ging, andere dingen las en zag. Zoals het dagboek van Anne Frank en Het bittere kruid van Marga Minco. En vooral: de respectvolle omgang tussen mijn moeder en onze joodse buurvrouw die de Tweede Wereldoorlog had meegemaakt. Die joodse buurvrouw was trouwens niet te genieten. Soms pakte ze mijn voetbal af als ik die heel erg per ongeluk tegen haar voordeur schopte. Ze haatte kinderen en moest niets hebben van sociaal contact. Alleen mijn moeder groette ze vriendelijk. ‘Ik haat haar’, zei ik ooit tegen mijn moeder nadat mijn buurvrouw mijn voetbal weer had geconfisqueerd. ‘Gedraag je en laat haar met rust’, reageerde mijn moeder boos. ‘Je kent haar geschiedenis niet.’

Die geschiedenis bleek heftig. Volgens het verhaal dat in de flat fluisterend langs open keukenramen en haperende liftdeuren ging, had haar ex-man een tik van de molen gehad na zijn gevangenschap in een Duits concentratiekamp. Die tik gaf hij tijdens zijn huwelijk door aan zijn vrouw. Letterlijk, met een hamer.

Voor mij, met mijn onvolwassen reptielenziel, was dat verhaal geen reden om haar anders te behandelen dan andere gemene buren. Ik bleef haar uitdagen, tot grote ergernis van mijn moeder. ‘Wees vooral zo brutaal’, waarschuwde ze me eens. ‘Denk maar niet dat er niet weer een jodenvervolging kan plaatsvinden in Europa. Met ons erbij.’

Oké, nu had ze mijn aandacht.

Met mijn empathisch vermogen en verdieping in de joodse geschiedenis kwam het later wel een beetje goed, maar die waarschuwing van mijn moeder hing iedere keer weer als een rode vlag aan de muur bij de geringste ongemakkelijke situatie die riekte naar antisemitisme. Bijvoorbeeld die keer dat ik in een bruine kroeg zat en aangeschoten autochtone Nederlanders – die ik net had ontmoet – grappen over joden begonnen te blaten. Of die avond toen iemand fluisterend, tussen mijn oor en zijn bierglas in, bekende: ‘Ik vertrouw die joden ook niet.’ Hoezo ‘ook niet’? Antisemitisme om het ijs te breken. Je moet wel erg comfortabel zijn met je jodenhaat en vooroordelen over Marokkanen om zo’n mededeling als ijsbreker in te zetten. Toen ik later ook andere joden dan mijn buurvrouw leerde kennen, bleken we vaak – naast onze eetzucht – iets bijzonders gemeen te hebben: die waarschuwing van onze moeders.

Ik lach het graag weg, toch blijf ik op m’n hoede

Onlangs schreef publicist Kenan Malik in The New York Times dat antisemitisme in Europa gecompliceerder ligt dan ‘een door moslimmigranten geïmporteerd probleem’. Cijfers die hij aanhaalde uit het Pew Global Attitude Project (2008) wezen uit dat in enkele Europese landen met een relatief kleine moslimgemeenschap antisemitische overtuigingen breder leven. Je zou op basis van deze onderzoekscijfers cynisch kunnen stellen: als hier geen moslims woonden, dan waren er veel meer antisemitische Europeanen geweest.

Ook de selectiviteit waarmee slachtoffers van antisemitisme politieke aandacht krijgen is opmerkelijk. Wie als allochtone Nederlander antisemitisme in eigen gemeenschap aankaart, en vervolgens zelf het doelwit is van antisemieten, kan op weinig steun rekenen van (lokale) politici. De Arnhemse jongerenbegeleider Mehmet Sahin ondervond het vorig jaar, toen hij bedreigd en op straat belaagd werd door Turkse Nederlanders uit zijn buurt nadat hij de vuile antisemitische was van zijn gemeenschap buiten had gehangen. Een van de weinige politici die er direct stond en Sahin ondubbelzinnig steunde, was pvda-Kamerlid Ahmed Marcouch. Het Cidi kwam ook nog langs, maar de lokale politiek heeft hem nagenoeg in de steek gelaten.

En andere kritische allochtonen en moslims die zich zorgen maken om het antisemitisme in hun omgeving? Die kijken nu wel uit: het bestrijden van jodenhaat levert alleen maar ellende en eenzaamheid op, dat heeft de zaak van Sahin wel bewezen.

Maar terug naar moeders waarschuwing: is het scenario dat een nieuwe pogrom in Europa werkelijkheid wordt realistisch? Natuurlijk niet. Existentiële angst en wantrouwen zijn nooit rationeel. Je openstellen voor een ander is dat gelukkig ook niet.

Als ik de praatjes van populistische politici en opiniemakers zou moeten geloven, dan was de harmonieuze band tussen mijn islamitische moeder en haar joodse buurvrouw onwaarschijnlijk geweest. En als ik de verhaaltjes van antisemitische complotdenkers over een zionistische lobby serieus zou moeten nemen, dan is mijn contact met joodse vrienden en kennissen al heulen met de vijand als iemand van hen een dadel uit Israël eet.

Ik lach het allemaal graag weg, toch blijf ik op m’n hoede. Het is griezelig hoe makkelijk Geert Wilders wegkomt met het omarmen van Europese politieke leiders die uitgesproken antisemitisch zijn. Zolang zijn binnenlandse politieke focus bij Marokkanen en de islam ligt, krijgt hij genoeg ruimte om zijn internationale samenwerking met machtige antisemieten met smoesjes te normaliseren – als hem al kritische vragen worden gesteld.

Het komt erop neer dat antisemitisme verschillende tinten kent, maar de teint die zich laat blenden met islamhaat oogt nog fris en gezond. En wordt dus gedoogd.


Nadia Ezzeroili (1983) schrijft columns voor onze website groene.nl


Beeld: Krugerplein, 31 juli (Marcel Antonisse / ANP).