The Fab Four 30 jaar uit elkaar

The Beatles

Het is volgende week dertig jaar geleden dat de Beatles uit elkaar gingen. Drie van de vier genieën hebben het overleefd, dat leven dat werd bepaald door de roem. John, Paul, George en Ringo bezweken niet onder de druk, waar andere helden, door het publiek met de factor ‘zichzelf’ vermenigvuldigd, wél instortten en vervelend werden.


OP 10 APRIL 1970 deelt Paul McCartney de wereld mee dat hij de Beatles gaat verlaten. ‘Ik verliet de Beatles niet’, zegt hij met een fijnbesnaard gevoel voor het dramatische ogenblik. ‘De Beatles verlieten de Beatles. Maar niemand wil degene zijn die zegt dat het feest voorbij is.’ Gerekend vanaf de eerste optredens in Hamburg heeft het feest nog geen tien jaar geduurd.


McCartney heeft gelijk, de Beatles bestaan die tiende april eigenlijk al niet meer, al is hun erfenis springlevend. Het laatste concert dateert al van 28 augustus 1966, maar het allerlaatste openbare optreden van januari 1969. De Beatles zijn samen met Billy Preston bezig met opnamen voor de nooit uitgebrachte documentaire Get Back, wanneer ze, ondanks de kou, spontaan besluiten om op het dak van het Apple-gebouw te gaan spelen. Beneden op straat en op de naburige daken verzamelen zich de Londenaren. De wellevende bobby’s die in het kader van de openbare orde komen informeren of het misschien wat zachter kan, kunnen niet beseffen waarvan ze op dat moment getuige zijn.


Symbolisch gezien lijkt zo’n slotoptreden op het dak bijna topzwaar, maar het was geen bestudeerd hoogtepunt, en ik ken geen ontroerender beelden van het einde van een popgroep — in dit geval de beroemdste popgroep aller tijden, ‘de enige van wie iedereen alle namen nog weet’. Het einde kondigde zich langzaam aan, met kleine en minder kleine ruzies, verblijven bij de Maharishi Yogi, een crisis hier, een vaag filmproject, een crisis daar, de opmars van Yoko en Linda, de Tibetaanse-dodenboek-periode van Lennon, de Amsterdamse Hilton-campagne van Lennon en Yoko, arrestaties wegens druggebruik, het slechte eten bij de Maharishi, de onverwachte dood van manager Brian Epstein, maar er was nooit een officieel afscheidsconcert — alsof ze niet goed van elkaar konden scheiden, van een periode uit hun leven, van hun jeugd misschien. Toen McCartney het einde aankondigde, waren Ringo Starr en John Lennon 29, George Harrison 27 en hijzelf nog geen 28. Ze hadden een leeftijd waarop een ander zijn carrière nog moet starten; ze waren moe van de onophoudelijke druk, de verwachtingen, de gillende pubermeisjes, de flitslichten en vooral de invaliden, die na optredens met karrenvrachten werden aangevoerd om in de nabijheid van de directe concurrenten van Jezus een vorm van genezing te vinden. De Beatles leken klaar met leven, vroegrijp, terwijl ze nog moesten beginnen. Ze vroegen zich af hoe ze nu de dagen moesten doorkomen. Ze waren, zoals zoveel sterren, te intelligent geworden.



EN TOCH waren ze geen goden, hoe begenadigd ook; ze waren briljante componisten en liedjesschrijvers, die ook als solo-artiesten veel in hun mars bleken te hebben. Wat tijdens het bekijken van Anthology, de prachtige documentaire van Geoff Wonfor uit 1995, opvalt is dat ze gezond zijn gebleven, dat de koketterie weliswaar hier en daar doorbreekt, maar altijd binnen de grenzen van het charmante. Vele helden bezwijken onder de druk; door het deels onzichtbare publiek met de factor ‘zichzelf’ vermenigvuldigd storten ze in, als de carrosserie van een auto waar een te zware motor in wordt geplaatst. Ze worden vervelend en grillig, ze gaan per vliegtuig een broodje hamburger halen, drie staten verderop, zoals Elvis, ze openen letterlijk het vuur, zoals Maradona, of ze vervallen in religieus gedrag. Dit zijn kennelijk de fasen waar overbelaste stervelingen doorheen gaan, duizendvoudig uitvergroot door de media. Andere grootheden overleven dankzij hardheid en waakzaamheid, dankzij het succes zelf, waardoor ze slimmer worden dan ze eigenlijk zijn.


De Beatles bleven ook in glorietijden bij de les. Ze werden hun tumultueuze optredens tamelijk snel zat, omdat de toeschouwers niet kwamen om naar hen te luisteren. De meisjes overstemden met hun gegil weliswaar de technische fouten, maar het nadeel was dat ze zich niet konden ontwikkelen wanneer ‘niemand naar ons luistert’, in de woorden van McCartney. Ze vonden het geen ramp om beroemd te zijn, als ze maar konden doorgaan met muziek maken. Soms waren ze echt aardig, benaderbaar. In de film John Lennon (1988) toont Lennon zich van een menselijke kant door een fan te woord te staan die stiekem in de tuin heeft geslapen, maar het valt ook op dat Lennon, leunend tegen een pilaar van zijn landhuis, op enige meters afstand blijft. ‘Geef hem iets te eten’, besluit hij het onderhoud, genadig als een keizer. Hij is wel beroemd, maar hij is niet gek, en hij begrijpt dat hij uiteindelijk niet aan de verwachtingen kan voldoen.


De kolkende scènes op de tribunes (in augustus 1965 wordt voor het eerst in de historie een stadion gebruikt voor een popconcert, het Shea-stadium in New York) doen inderdaad vermoeden dat de toeschouwers meestal niet voor de muziek kwamen, maar om de Beatles te zien. De bandleden beklaagden zich later over de gekte van het publiek. ‘Ze gebruikten ons als excuus om uit hun bol te gaan’; ‘Wij waren nog de normaalste mensen in dat gedoe’. Ze waren, zei Lennon, ‘het oog van een orkaan’, en ‘daarbuiten was de chaos’. ‘In de kern’, schrijft Greil Marcus halverwege de jaren zeventig in de Rolling Stone Illustrated History of Rock ’n’ Roll, ‘verbindt een popexplosie het individu met een groep — de fan met een publiek, de enkeling met een generatie — vormt zij een groep en creëert nieuwe emotionele bindingen, terwijl tegelijkertijd iemands vermogen om op één of duizend popkunstwerken te reageren wordt vergroot, met een intensiteit die grenst aan de idiotie. Ringo’s kreet “All right, George”, juist voor de gitaarsolo in Boys, krijgt een ondefinieerbare en niet te beargumenteren betekenis.’


Over de muzikale kwaliteiten hoeft op straffe van excommunicatie niet meer gediscussieerd te worden, wanneer we de pophaters tenminste negeren. Het is tekenend voor de muzikale breedte van de groep dat lang niet iedereen dezelfde nummers en elpees als favoriet noemt. Er zijn kenners die zweren bij Revolver (1966) of Sergeant Peppers Lonely Hearts Club Band (1967), en andere die vinden dat Rubber Soul (1965) nooit meer overtroffen is. Het aantal mooie ogenblikken is onafzienbaar — de briljante opening met de mellotron in ‘Strawberry Fields’, de samenzang in ‘Happiness Is a Warm Gun’, het geprononceerde slagwerk in ‘Revolution’, het gitaarhaaltje dat het geluid van slippende vliegtuigbanden nabootst aan het begin van ‘Back in the USSR’, het pathos van de passage ‘Come together… right now’ — soms gaat het om fragmenten van een paar seconden, soms zelfs om een gedeelte daarvan. Zoals bij alle mooie muziek kun je je bijna niet voorstellen dat er een tijd was dat zulke momenten niet bestonden.



ER ZIJN OOK ANDERE manieren om naar de geschiedenis van de Beatles te kijken: met de blikken van de psycholoog en de antropoloog. De Beatles werden zo beroemd dat het fenomeen beroemdheid zelf van betekenis veranderde. Wanneer je de zwartwitbeelden van een optreden in de Liverpoolse Cavern-club ziet, verbaast het je dat ze niet allang dood zijn. Eigenlijk — men begrijpe mij niet verkeerd — klopt het wel dat Lennon dood is; het past in het ritueel van het legendarische en onherhaalbare. Een woordentelling met de internet-zoekmachine Altavista levert voor ‘beatles’ 905.467 op — toegegeven, beduidend minder dan ‘jesus’ (8.377.764), maar meer dan ‘hitler’ (579.523) en ‘presley’ (278.160). Ik wil me nu niet verdiepen in de waarde van deze steekproef (omdat The Beatles een verzonnen woord is treedt er vermoedelijk minder ruis op dan bij ‘jesus’) en de mate waarin aantallen internet-hits tekenend zijn voor het belang van een onderwerp; toch kan deze hoge score nauwelijks op toeval berusten.


Net als bij Elvis Presley zeven jaar eerder komt bij de Beatles de roem, wanneer het proces eenmaal op gang is gekomen, snel. Presley moest het, aanvankelijk, vooral van de radio hebben, terwijl de Beatles konden profiteren van het televisietijdperk. De eerste ontmoeting tussen Lennon en McCartney (de Beatle-sciences houden het op 6 juli 1957) wordt als startpunt geaccepteerd (wanneer begint iets eigenlijk?) en de eerste nummer-één-hit, ‘Please, Please Me’, bereikt in januari 1963 het zenit. De reeks hoogtepunten die daarop volgt is deel gaan uitmaken van het culturele geheugen van het Westen. In november van dat jaar treden de heren op voor de koningin-moeder, de maand dat ook de Rolling Stones doorbraken, vaak gezien als de natuurlijke tegenpolen van de Beatles (de Beatles wilden alleen maar ‘je hand vasthouden’, schrijft Marcus, de Stones wilden ‘je stad slopen’). In februari 1964 bereikt ‘I Want to Hold Your Hand’ de eerste plaats in de Verenigde Staten. De Amerikanen zijn door het dolle heen, ook Bob Dylan: ‘it was obvious to me that they had staying power. I knew they were pointing the direction where music had to go… This was something that never happened before.’ Ze verschijnen tweemaal in de Ed Sullivan Show, voor het grootste aantal televisiekijkers uit de geschiedenis, en ze geven 32 concerten in 34 dagen. Misschien zoeken de Amerikanen troost voor de dood van Kennedy, minder dan drie maanden geleden; ‘excitement wasn’t in the air, it was the air’. De Beatles varen door de Amsterdamse grachten, ze gaan naar Australië, naar Frankrijk, weer naar Amerika, en nog een keer naar Amerika. Monotoon weerkerende taferelen: overvolle vliegvelden wanneer ze ergens landen, dranghekken, flauwgevallen fans weggedragen door politieagenten.


Cultuurfilosofen piekerden zich suf over de aard van deze hysterie. Waren de Beatles het symbool van de jeugdigheid überhaupt, of werd de jeugd juist voorgoed bedorven? Leefden de Beatles het leven waarvan hun fans eigenlijk alleen maar konden dromen? Waren ze het geïncarneerde Grote Verlangen? In augustus 1966 stond in Nederland ‘Yellow Submarine’ op één, een naar onnozelheid neigend nummer dat de sfeer bepaalde tijdens die Overijsselse kindervakantie, waarvan ik me niet veel méér herinner dan de bizarre woordcombinatie en het warme licht, dat door de boombladeren werd gefilterd. Het was een ideale zomer om verliefd te worden op het meisje van drie bungalows verderop, nadat ze weer vertrokken was.



DE BEATLES IN HUN TIJD plaatsen, dat vinden sociologen wel aardig, maar hoe dan precies? Groot-Brittannië begint in de jaren zestig te wennen aan de gedachte dat het geen wereldmacht meer is. De schade wordt cultureel dubbel en dwars ingehaald. Londen begint in 1966 te swingen op ‘pill, pot and freedom’. De uitdrukking ‘You turn me on’ is op het vinyl weliswaar verboden, maar de Britten hebben Mary Quant, de minirok, de Stones, The Who, The Kinks, Twiggy, Christine Keeler & John Profumo, Hyde Park, Matt Busby, Jacqueline Bisset, Richard Burton, Vidal Sassoon, de drie doelpunten van Geoff Hurst die Albion het wereldkampioenschap voetbal bezorgen, ze hebben Monty Python, Elton John, David Hockney, Roger Bacon, Lucian Freud, lsd, psychedelische muziek, de Morris Mini, de koningin moeder — en ze hebben de Beatles. Is het niet heerlijk om een Brit te zijn? De huilende meisjes uit Liverpool smeken of de Beatles terug willen komen naar hun geboortestad, al is het maar voor één keer. De Beatles waren van de jeugd. De jeugd groeide mét hen op.


De zomer van 1967 gaat de geschiedenis in als de ‘zomer van de liefde’ — en het is de zomer van Sergeant Pepper. Er is een romantische tijd aangebroken: vrouwen in Indiase kledij gaan dramatisch slecht dansen, met trage, brede armgebaren als in jaren-twintigfilms, academisch gevormde jonge mannen streven wedergeboorte na door middel van modderbaden, en de Hell’s Angels blijven tijdens popconcerten zichzelf door op de achterkant van hun jacks de tekst ‘We have come for your daughters’ aan te brengen. Op 29 juli 1966 slaat freewheelin’ Bob Dylan in de buurt van Woodstock met zijn motor over de kop, het einde van Dylan fase I, enkele weken voordat de Beatles in het Candlestick Park in San Francisco voor de allerlaatste keer optreden. Het hoogtepunt van de jaren zestig lijkt al voorbij op het moment dat iedereen zich realiseert dat er something far out aan de gang is. Op 13 augustus ontketent Mao Zedong de Culturele Revolutie — still farther out.


‘The sixties were just wakin’up in the morning’, zei Lennon, ‘and we haven’t even got to dinner time yet.’ Het is al te eenvoudig om in de jaren negentig te menen dat de jaren zestig ontmaskerd moeten worden. We maken onszelf wijs dat we, na de economische en culturele depressies van de jaren zeventig en tachtig, wijzer en nuchterder zijn geworden, minder naïef, terwijl ook wij met open ogen in de kosmische flauwekul van Fritjof Capra trapten, de voordeuren van zenmeesters bijkans forceerden op zoek naar bevrijding en bij een vraag naar ons ‘sterrenbeeld’ lang niet altijd meteen in lachen uitbarstten. Voor de ‘jeugd van tegenwoordig’ is Bill Gates hét spirituele voorbeeld en de mobilofoon even noodzakelijk als ooit de spijkerbroek — over naïviteit gesproken.



CULTURELE STROMINGEN herinneren altijd wel aan het sprookje De kleren van de keizer, omdat er bij nader inzien zelden een essentie te ontdekken valt. ‘Er is geen geheim’, riep de psychoanalyticus Lacan, en inderdaad, ‘kubisme’, ‘conceptuele kunst’, het ‘collectief onbewuste’ enzovoort, enzovoort, waar gaat het allemaal over? Op de helderste momenten vraag je je af of we niet permanent het slachtoffer zijn van een betrekkelijk willekeurige stijl, van rituelen.


New York Times-journaliste Gloria Emerson beet vredesapostel en reserve-Jezus Lennon eens toe: ‘You are a fake’, en de bezoekende Canadese cartoonist Al Capp bespotte naaktfoto’s van John & Yoko als ‘one of the greatest contributions to enlightment and culture of our times’.


Ze hadden gelijk, en ook weer niet, want hoe kun je ontsnappen aan de rituelen van je tijd? Het lijkt alsof sommige culturele posities moéten worden ingevuld; zo is er ruimte voor een James Dean (Rebel Without a Cause), een Marlon Brando (Rebel Without a Pause), een Elvis Presley, een Marlene Dietrich en een Mick Jagger (zorgvuldig wild), maar die verklaring bevredigt niet: na verloop van tijd lijkt het bij beroemdheden alsof ze er altijd al zijn geweest.


Een formatie als de Beatles zal nooit meer verschijnen. Het oog en oor zijn verzadigd van zoveel beroemdheid en succes, er willen te veel mensen schitteren en legendarisch worden. Er kan slechts één keer een groep zo beroemd zijn, omdat de roem zelf inmiddels niets nieuws meer is. Maar de Beatles zullen voorlopig niet uit beeld verdwijnen. ‘They gave their money and they gave their screams’, zegt Harrison over het publiek, aan het slot van Anthology. ‘But the Beatles gave their nervous systems.’



In de herfst verschijnt de lang verwachte autobiografie van de Beatles, de Beatles Anthology.