John Jeremiah Sullivan

The belle of the ball

Doen jonge Amerikaanse essayschrijvers als John Jeremiah Sullivan het New Journalism van de jaren zestig dunnetjes over? Of grijpen ze terug op het zuivere essay van Montaigne?

Medium sullivan   pulphead

In de eerste aflevering van de veelbesproken en veel gehypete tv-serie Girls steekt hoofdpersonage Hannah een pleidooi af tegen haar ouders, die een paar jaar na haar afstuderen besluiten de geldkraan dicht te draaien. Ze is in paniek, want als ze moet gaan werken voor haar geld, dan slaat ongetwijfeld dat ene moment van goddelijke literaire inspiratie nooit toe: ‘Ik heb het idee dat ik de stem kan zijn van mijn generatie… of in ieder geval een stem van een generatie.’ De geldkraan gaat onverminderd dicht, en des te groter is haar geluk, inmiddels seizoen twee, als ze een boekcontract aangeboden krijgt voor een… essaybundel.

Nu zijn er nogal wat verschillen tussen het literaire bedrijf in de Verenigde Staten en in Nederland. In de VS zijn hippe schrijvers pak ’m beet 37, in Nederland 27. Wie in Nederland in zijn beste All Stars en hipste tot-het-bovenste-knoopje-dichtgeknoopte overhemd bij een uitgeverij aanklopt wordt beleefd doch dringend gevraagd nog eens terug te komen als hij die essays tot roman heeft omgesmeed (zoals mensen die uit het niets verschijnen met een verhalenbundel doorgaans verzocht worden eerst eens een roman te schrijven). Dat heeft voor een groot deel met de Nederlandse literaire cultuur te maken. In Nederland lezen we liever romans dan korte verhalen, en liever korte verhalen dan essays. En dat is ook niet gek, want uitzonderingen daargelaten is in Nederland het essay een letterkundige aangelegenheid. Het is eerder een diepgravende analyse van het werk van een, bij voorkeur overleden, auteur, een beschouwing over leven en werk van Couperus, een verhandeling over de kunst van de vergelijking of een studie over fantasiewerelden in fictieverhalen. In het beste geval zijn ze een persoonlijk pleidooi voor het niet vergeten van een overleden schrijver, vaker gaat het om een verzameling reeds gepubliceerde stukken met een kaft eromheen.

Vergelijk dat eens met het werk van John Jeremiah Sullivan, die ondanks zijn 39 jaar veruit de hipste jonge essayist van de VS is, wiens essays gebundeld zijn in Pulphead: Berichten uit het andere Amerika (verschenen in 2011 in de VS; hulde voor De Bezige Bij dat ze het nu nog in vertaling uitbrengen). Zijn stukken verschenen in populaire bladen als Gentlemen’s Quarterly (GQ) en het gerenommeerde Paris Review. Met Berichten uit het andere Amerika wordt waarschijnlijk bedoeld dat Sullivan eens niet schrijft over New York en Los Angeles, maar over het Oude Zuiden waar hij vandaan komt (hij draagt bij Paris Review de eretitel ‘Southern editor’), het dixieland waar je zelden ‘denkende artikelen’ over leest in de East Coast-centrische tijdschriften.

Niet één van Sullivans essays leest als een studie of een letterkundige analyse. Überhaupt worden zelden voorbeelden uit de kunst of literatuur gebruikt om een ervaring of emotie te verduidelijken. De essays lezen eerder als korte verhalen. De bundel bevat het hilarische essay Rokende voeten, over hoe Sullivans broer tijdens een bandrepetitie geëlektrocuteerd werd en in de maanden daarna zijn geheugen terugkreeg en hoe daar een real life-_documentaire over werd gemaakt, en het prachtige _Mr. Little: Een essay, over hoe hij als student bij de 92-jarige literator Andrew Lytle in huis komt wonen en hoe hij tijdens het langdurige sterfbed van Lytle met diens vrienden eigenhandig een doodskist bouwt. Exemplarisch is het verhaal Een opvangcentrum (na Katrina), waarin Sullivan na de orkaan in een gehuurde auto richting New Orleans rijdt en de dierenlijkjes langs de kant van de weg ziet liggen. ‘In Mississippi waren het er altijd al veel, maar nu zag je behalve de gebruikelijke wasberen, herten en een enkel gordeldier ook meer dan een handvol honden, die een gezonde indruk maakten afgezien van het feit dat ze dood waren, met een halsband om – met andere woorden: het waren geen zwerfhonden, althans niet tot een paar dagen daarvoor. En kleine zwarte gieren die ze daarginds hebben, met hun grijze spitsneuzige koppen als Venetiaanse maskers, kwamen uit het kreupelhout gehupt om in de slachtoffers te pikken.’

Medium opening rtr15me4
‘Guns n’ Roses was de laatste rockband die niet het gevoel had dat het eigenlijk wat gênant is om een rockband te zijn’

Dit zijn fijne observaties van iemand die weet waarover hij schrijft (tijdens het rijden ziet hij blijkbaar het verschil tussen de standaard roadkill en de roadkill na Katrina) en dat bovendien nog eens heel literair doet. De vergelijking van gierenkoppen met Venetiaanse maskers is sterk, net als het gevoel van gala dat hij geeft door de gieren te laten huppen, dat feestelijker klinkt dan het tafereel toestaat – een soort ironische tegenstelling die hij eerder gebruikt voor de honden die er gezond uitzien ‘afgezien van het feit dat ze dood’ zijn (al is dat ‘daarginds’ een wat raar afstandelijke vertaling, voor een stuk dat in zo’n ontspannen direct proza geschreven is). Nog sterker is hoe Sullivan het stuk eindigt: na de wanhoop van het leven na de orkaan opgetekend te hebben door met overlevenden te spreken (een man wiens handen door alle muggenbeten zo opgezwollen waren ‘dat het wanten leken’, die vertelt dat hij pas geloofde dat hij gered was toen een staatsagent hem een pakje crackers gaf en een blikje hete Coca-Cola, en toen hij het kruis in een opvangcentrum zag), beschrijft hij hoe hij het gebied verlaat. Als hij Mississippi weer wil uitrijden, moet hij aansluiten in de lange rij voor een van de weinige nog functionerende benzinestations. Tijdens het ritsen haalt hij een vreemde manoeuvre uit, zodat een oudere vrouw voor hem kan aansluiten, wat door een andere automobilist verkeerd wordt geïnterpreteerd: de man stapt uit en begint te schreeuwen dat hij voordringt, hij probeert het uit te leggen maar komt er niet doorheen, praten heeft geen nut. ‘Ten slotte deed ik mijn raampje omhoog en zette de muziek vol open, waarna hij afdroop. Een andere optie was er niet (…) Maar de rest van mijn wachttijd daar peinsde ik: zo zou het beginnen, het echte einde van de wereld. In plaats van te staren zouden de andere automobilisten zijn uitgestapt en met hem mee hebben gedaan. Het zou niemand z’n schuld zijn geweest.’

Dat is de slotzin van het stuk. Het is een incident dat zichzelf oplost, maar het stuk verandert van een essay dat de wanhoop beschrijft in een essay dat de wanhoop invoelbaar maakt. Ik ben geneigd daar de tien jaar leeftijdsverschil in te zien tussen veelbelovende jonge Nederlandse schrijvers en veelbelovende jonge Amerikaanse schrijvers: Sullivan schrijft niet over wat hij allemaal weet, maar over wat hij begrijpt. In alle essays hanteert hij de ik-vorm en toch kom je nauwelijks iets over zijn leven te weten: hij wil niet dat je hem leert kennen, of leert begrijpen, hij wil dat je de overspannen man die zijn auto uitstapt begrijpt – daarin zit de tien jaar extra levenservaring.

Sullivan is misschien the belle of the ball, om het even lekker southern te zeggen, maar hij is zeker niet de enige, hij is hooguit de primus inter pares van een stroming die steeds prominenter wordt. Elif Batuman schreef bijvoorbeeld met The Possessed (2010) een ongemeen hippe essaybundel waarin ze, kort samengevat, haar liefdesleven spiegelde aan de Russische bibliotheek. Michelle Orange schreef met This Is Running for Your Life dit jaar een veelgeprezen (ook in De Groene) bundel over volwassen worden aan de hand van vooral film, zoals Katie Roiphe in In Praise of Messy Lives haar eigen sociale milieu ontleedde aan de hand van literatuur. Behalve de Paris Review winnen high brow tijdschriften als McSweeney’s, The Oxford American en n+1 terrein in de VS (en internationaal; Das Magazin plaatst bijvoorbeeld elk nummer een n+1-_stuk) en scoren meer mainstream tijdschriften en kranten met _long reads die online tienduizenden lezers trekken.

De vraag is nu of dit een heropleving is van het New Journalism dat in de jaren zestig zo populair was (en dankzij auteurs als Norman Mailer en Tom Wolfe nu een iconische status heeft), het soort artikelen waarin de journalisten als fictieschrijvers met hun onderwerpen meeliepen – veelal de prominente sporters, politici en popfiguren uit hun tijd – en ze als romanpersonages optekenden. Toch sluiten de twee vormen niet direct op elkaar aan. Allereerst omdat de nieuwe essays niet diezelfde heroïsche insteek hebben. De auteurs lijken er zelden op uit om bekende figuren nog groter te maken door ze als literaire helden te benaderen. Wanneer John Jeremiah Sullivan met real life-ster The Miz meeloopt, probeert hij vooral te begrijpen wat real life-tv nu écht maakt. Wanneer hij een portret schrijft over Guns n’ Roses-zanger Axl Rose schrijft hij vooral over Rose’s jeugdvrienden die zijn achtergebleven in hun geboortestad. Tegen de tijd dat hij Axl Rose in levenden lijve bij een Guns n’ Roses-optreden observeert (‘het was de laatste rockband die niet het gevoel had dat het eigenlijk wat gênant is om een rockband te zijn’) lijkt Rose vooral kleiner geworden, of in ieder geval menselijker.

Ik denk dat het werkwoord ‘begrijpen’ de sleutel tot het verschil is. Als je eind jaren zestig Norman Mailer las, las je vooral Mailer, zijn uitgesproken visie op zaken, zijn prominente stijl die voor het onderwerp hing, als een stilistische vitrage die je maar niet kon wegschuiven. Het onderwerp, kreeg je soms het idee, kwam op de tweede plaats. De essays van nu lijken eerder een terugkeer naar de meest zuivere vorm van wat een essay is, terug naar Montaigne. Nu heeft Montaigne een beetje een vertekende reputatie. Hij schreef niet alleen ‘vanuit zichzelf’, in zijn essais buitelen de referenties aan de klassieken over elkaar heen, maar hij schreef wel zo ‘eerlijk’ of direct mogelijk. De essayistiek van nu kan absoluut ook literair zijn, maar er wordt goed opgelet dat het nooit literatuur om wille van literatuur is. In sommige essays benoemt Sullivan het zelfs als hij iets te romantisch opschrijft, of biecht hij het op als hij de chronologie van een paar gebeurtenissen wijzigt om een verhaal spannender te maken (al kun je dat natuurlijk ook weer als (postmodern) stijlmiddel zien). Het onderwerp, de thematiek, het dilemma van het essay staan centraal.

Waarschijnlijk voelt Hannah in Girls dit aan. Als de eerste geluksgolven van het boekcontract (een e-book, overigens) zijn weggevloeid, slaat de paniek toe: heeft ze wel genoeg meegemaakt om een essaybundel te schrijven, is ze diep genoeg gegaan, heeft ze genoeg drugs gedaan, genoeg mannenharten gebroken, genoeg sletvrees overwonnen? Levenservaring is alles, als je uit jezelf wil schrijven. Montaigne wist dat, John Jeremiah Sullivan brengt het in deze jaloersmakende essaybundel in de praktijk.


John Jeremiah Sullivan
Pulphead: Berichten uit het andere Amerika, e-book of Engelse editie
Vertaald door Joris Vermeulen. De Bezige Bij, 384 blz., € 29,90.