De Groene Live #26: Strijd om de ziel van Amerika. Kijk woensdag om 20.30 naar de live-uitzending. Meer informatie

The Great Gadsby

De ervaring leert dat wereldliteratuur in vrijwel alle situaties behulpzaam is, behalve de dagelijkse. Als jongens je om twee uur ’s nachts vragen wat je nu precies bent of als de babbelende slotenmaker je gerust probeert te stellen over je seksualiteit en criminele ambities, heb je F. Scott Fitzgerald nooit paraat.

Een aantal jaar geleden liep ik rond een uur of twee ’s nachts over het Waterlooplein toen een groepje jongens mij vroeg waar het Anne Frankhuis zat. Gezien het tijdstip een vrij merkwaardige vraag, maar de vraag die volgde bleek nog een stuk opvallender: of ik een jongen of een meisje was. De laatste keer dat iemand hier meer over wilde weten, was ik een jaar of acht en stond ik 3-0 voor met een potje voetbal in het Vondelpark. Het gebeurde heel regelmatig, rond die tijd: telkens wanneer mijn medespelers en ik op een overwinning afstevenden, werd deze kwestie erbij gehaald. Gelukkig waande ik me op mijn achtste zelden alleen, en stond mijn beste vriendin Tshiela erop dat niet slechts ik maar alle voetballende kinderen op dat moment hun broek moesten uitdoen, om kleur te bekennen.

Tegenwoordig zien Tshiela en ik elkaar haast nooit meer, dus moet ik me tijdens dit soort situaties zelf staande zien te houden. Het gesprek op het Waterlooplein bleek namelijk een startschot en inmiddels behoort deze vraag weer tot de orde van de dag, terwijl ik enige tijd geleden zelfs ben uitgenodigd voor een item over jongeren met een ambigu uiterlijk. Daar heb ik hartelijk voor bedankt, maar de plotselinge vraag wat je nu precies bent valt moeilijker te omzeilen. Bovendien is de kous nu niet langer af wanneer ik hier antwoord op heb gegeven, maar willen mensen daarna ook iets anders van me weten – op welk geslacht ik zelf dan wel niet val.

Het liefst zou ik niemand ooit enige opheldering geven over dit alles, steevast reageren met de woorden van F. Scott Fitzgerald: ‘Reserving judgements is a matter of infinite hope’, en daarop een korte buiging maken. De ervaring leert echter dat wereldliteratuur in vrijwel alle situaties behulpzaam is, behalve de dagelijkse. Dit bleek opnieuw toen ik mezelf afgelopen week buitensloot, en er een monteur langs moest komen om mijn slot te vervangen. Volgens de website van Slotenservice Janssen ging het hier om een gediplomeerde slotenmaker, die bovendien eerlijk was en goedkoop. Nu valt er gezien mijn huidige banksaldo te twisten over dat laatste, maar eerlijk was hij zeker. Vlak nadat hij mijn deur had geforceerd, en we samen naar het gat staarden waar eerder mijn slot zat, vroeg hij: ‘Ben jij een jongen of een meisje?’ Ik antwoordde dat er sprake was van het laatste, waarna hij opgelucht constateerde: ‘Aha, je bent lesbisch.’

Breed glimlachend vertelde de monteur me vervolgens dat het niets uitmaakt, dat zijn nichtje ook op meisjes valt, dat dit toch een stuk beter was dan het criminele pad. Nu vermoed ik dat de criminaliteit in heel wat opzichten te verkiezen valt boven het zijn van een lesbienne. Ten eerste geloven mensen je wanneer je vertelt dat je het bent – iets wat mijn vriendinnetje, met halflang haar en twee stuks oorbellen, niet gegeven is. Daarnaast laat iedereen, in de publieke ruimte althans, je liever met rust. Die rust heb ik zelden tot nooit meegemaakt, of het nu in een café is met gniffelend barpersoneel of op straat, waar omstanders me wel eens hebben gevraagd of ze hier een foto van konden nemen. Tot slot is de misdaad een stuk lucratiever, en hoef je je geen zorgen te maken over een doorbabbelende slotenmaker die je misschien wel per kwartier betaalt.

Na een klein uur had ik namelijk alle profielfoto’s van zijn kinderen gezien, als wel die van zijn eerste en tweede vrouw, maar nog steeds geen nieuwe cilinder. Ook was ik inmiddels op de hoogte gebracht van het feit dat het uit India komt. ‘Jullie zijn er altijd geweest’, fluisterde hij. De enige verandering die had plaatsgevonden, stelde hij, was dat we nu iets meer voor onszelf opkwamen.

Ik ben haast nooit voor mezelf opgekomen, om de simpele reden dat agressie tegen lesbiennes zich vrijwel altijd uit in liefdadigheid – in een hartelijke lach, waarvan je niet zeker weet hoe je ‘m moet interpreteren. Wat overblijft is angst, omdat het nooit helder wordt wanneer die hartelijkheid overgaat in hoon, en op welk punt hoon zich begint te manifesteren als haat. Daarom zou ik deze gelegenheid graag willen aangrijpen om voor een laatste maal uit de kast te komen, en te eindigen met de woorden van een ander groot kunstenaar: ‘I do not identify as transgender. I don’t think even lesbian is the right identity for me. I really don’t. I identify as tired. I’m just tired.’ Hannah Gadsby is haar naam, en ik kijk nu al uit naar het moment dat mijn slotenmaker haar cilinder eens mag komen vervangen.