The Image as Burden

Iemand vertelde me een truc om beter op de foto te gaan. Ja natuurlijk mijn dochter, maar ik wilde niet al in de openingszin het woord ‘dochter’ laten vallen. Voor je het weet ben je zo’n vrouw die het over haar kinderen heeft.

Even de truc, want dat is het wel echt. Je moet je hoofd, zo je wil je gezicht, zo ver mogelijk naar voren steken, alsof je ’t door een strop moet steken. En dan moet je lachen, niet slaafs lachen – wat ik heel moeilijk vind, om niet slaafs te lachen – maar energiek lachen, misschien is het wel niet eens lachen, is het meer je gezicht een mimiek geven alsof je ieder moment van het dak kan springen en nog eens de diepte in ogenschouw neemt. Zo ja. Ze deed het me voor, mijn dochter. Het voelt gek, maar op de foto ziet het er normaler uit dan als je je gezicht in rust houdt. We waren om beurten ons gezicht aan het vooruitsteken toen de bel ging. Vriendin van dochter kwam binnenzeilen, altijd goed nieuws. Wat zijn jullie aan het doen? Ik leer mijn moeder hoe ze haar gezicht moet houden als ze op de foto gaat, zei mijn dochter. De vriendin haakte enthousiast aan. Pakte haar telefoon om me te laten zien hoe het een en ander kan uitpakken. Niet zó, zei ze, en liet me een op zich prachtige close-up van zichzelf zien, maar zó, en ik kreeg een andere prachtige close-up van haar gezicht te zien. Ze zag me aarzelen. Kijk Mar, zei ze, ik hou ervan hoe ze me aanspreekt, er spreekt een intense bevoogding uit, dit is gewóón – het ene beeld, ja, misschien, bij nader inzien ietsje zoetig – en dit is psychic – nu ze het zei, hier zag ze er dynamischer uit, gestroomlijnder. Nou wat wil je? Gewóón… ik zag de foto op haar telefoon, of… andere foto te voorschijn geklikt… psychic? Ja easy question, lachte ik, kin vooruit, op het punt van springen. Ik ga voor psychic.

Het zat de rest van de dag als een repeterende wekker in m’n hoofd: ik ga voor psychic. Ik zeg nooit dat ik ergens voor ga, ik dacht dat de duivel me persoonlijk zou komen halen als ik zou zeggen dat ik ergens voor ga, maar er gebeurt helemaal niks. Ik fiets gewoon op een drukke winkelstraat achter een man met een kind achterop, ik heb net nog even voor de zekerheid gegoogeld wat psychic betekent. Sinds ik erachter ben gekomen dat de verhalen van Alice Munro echt een stuk minder mysterieus zijn als je ze in vertaling leest – nog steeds heel mooi hoor, haast ik mij – vertrouw ik mijn Engelse woordenschat niet meer zo. Ik kwam bij Uri Geller uit, en dat stelde me gerust. Hij ziet meer dan er is, altijd goed als je zoiets uitstraalt. Ondertussen zag ik wel dat op de drukke winkelstraat aan weerszijden kraampjes werden opgebouwd, het was zaterdag en het werd herfst, een killing combinatie, een totale aanjager van heimwee naar zaterdagmiddag thuis, mijn moeder die kippensoep maakt, mijn vader die zit te werken beneden aan opoe’s secretaire, ik die met Kort Amerikaans op de bank lig, of iets in die geest, broers en zus… STOP.

Ja easy question, lachte ik, kin vooruit, op het punt van springen. Ik ga voor psychic

Ik ben kind-af, heb zelf de kippensoep op het vuur staan, en opoe’s secretaire staat nu bij mij in de kamer, broer en zus maken het prima, ik heb ze eigenhandig op de wereld gezet. Ik zit zelfs als een volwassen mens aan die secretaire te werken, als ik er niet te veel troep op heb vergaard. Er zijn twee dingen, en ik weet niet helemaal hoe ik ze hier bij elkaar krijg. Het is die man voor me op de fiets met zijn dochter achterop. Ik hoor hem vrolijk tegen haar zeggen: ‘Hé, braderie. Leuk!’, net op het moment dat het mij in de schoenen zinkt in het aangezicht van die kraampjes. En meteen kikker ik weer op, zo labiel is het allemaal. Het minste wat je van jonge ouders mag verwachten is dat ze positief in het leven staan; dierentuinen, pretparken, braderieën, de Zaanse Schans, zij zullen erheen moeten, met goeie zin alsjeblieft. ‘Gaan we straks even kijken, goed?’ Het kind achterop knikt blij. De wereld is haar kijktoneel, ze heeft roze gympen aan. Zolang je je kunt verheugen om je schoeisel is er niks aan de hand.

Het andere ding is hoe ik net de krant heb zitten lezen, met m’n linkerhand de foto’s afschermend die ik niet wilde zien, net even te psychic zeg maar. Zo deed ik dat vroeger ook, als er een enge film op tv was. Ik keek door m’n wimpers, of hield een kussen voor m’n gezicht. Wat gebeurt er, wat gebeurt er? M’n vader of m’n broer vertelde dan wat er gaande was. Ik ben niet bang, dat is het niet, ik wil alleen niet zien hoe andere mensen pijn lijden.