De koning moet sterven, als de koning wil leven

The Lord of Misrule

In de onschuldige maskerade van carnaval zit een bloedig ritueel verscholen: de moord op het oude, en de geboorte van het nieuwe. Opent carnaval de ogen? Of verzoent het de burger met de status-quo?

BIJ HET zien van de carnavalsoptochten in het zuiden van Nederland en aanpalende gebieden – op televisie, want geen haar op mijn hoofd die eraan denkt mij daarheen te begeven – denk ik aan de bewering van een oude cultuurhistoricus. Die zei dat de mate van enthousiasme waarmee in een bepaalde stad of regio carnaval wordt gevierd evenredig is aan de mate waarin daar oude – feodale – structuren overeind staan. Hoe wilder het carnaval, des te strakker het dagelijks keurslijf, oftewel: achter elke Prins Carnaval staat een corrupte wethouder van Openbare Werken, met ‘vriendjespolitiek’ in zijn banier. In de tijdelijke omkering van de structuur wordt de ware aard van die structuur pijnlijk zichtbaar.

Die beschuldiging leek mij gegrond – in het zuiden zijn de wethouders van Openbare Werken immers altijd corrupter dan in het noorden – en ze paste bij de argwaan die de noorderling in het algemeen voelt bij verkleedpartijen. Dat moet wel een erfenis zijn van de Reformatie, waarin de Openbaring werd ontdaan van haar Romeinse parafernalia, het klater­goud, de wierook­walm, en gereduceerd tot tekst. Leesbaar, voorleesbaar, transparant. Juist de neiging die helderheid te verdonkeremanen, waar de zuiderling zich kennelijk goed bij voelt, zit de noorderling niet lekker. Waarom zou je maar drie dagen per jaar openlijk de waarheid kunnen zeggen over de misstanden in het leven, de knellende banden van het keurslijf, de onneembare burchten van de feodale elite? Waarom is dat alleen gemaskerd mogelijk? Waarom niet altijd in openheid geleefd, bevrijd van de conventies, de kraaltjes en spiegeltjes, de magie? Het is precies hierom, zei de cultuur­historicus, dat de ncrv zo lang vasthield aan een ‘dagsluiting’ aan het eind van de televisieavond. De kijker werd eraan herinnerd dat televisie uiteindelijk maar theater was, geen werkelijkheid en geen waarheid. U kon vervolgens gerust naar bed.

DE PEETVADER van de culturele antropologie, James Frazer (1854-1941), bezag – geraakt door de geest van Darwin – religie en magie met een neutraal oog, als fases in de lange mars van de menselijke soort van onwetendheid naar wetenschap. In The Golden Bough, zijn omzichtige meesterwerk, plaatst hij rituelen als het carnaval in een traditie van de bezwering van de vruchtbaarheid en de goede oogst. Frazers studie begon met één casus, die van het heiligdom van Diana in het woud van Nemi, bezuiden Rome. Dat heiligdom had één priester, die dag en nacht grimmig de wacht hield, het zwaard in de hand, alsof hij elk moment aangevallen kon worden. Dat was ook zo: elke priester van Nemi was de moordenaar van zijn voorganger. Het ambt kon alleen worden verworven door de drager in een gevecht van man tegen man te doden. De priester had de status van koning, maar, aldus Frazer: ‘(…) surely no crowned head ever lay uneasier, or was visited by more evil dreams, than his’. Hoe kon Frazer die merkwaardige traditie verklaren? De bloedige gewoonte had geen gelijke in de klassieke wereld, meende hij, en dus gooide hij zijn netten veel verder uit. The Golden Bough zocht de verklaring in een vergelijkend onderzoek van mythen en rituelen over de hele wereld, van Polynesië tot Mexico.

Geleidelijk – en voorzichtig – bereikte Frazer het inzicht dat de traditie van de priestermoord een veel ouder idee weerspiegelde, dat van de ‘stervende god’. Zoals de maan afnam en terugkeerde, zo stierf de god om weer op te staan. De gebeden en de offerandes van de mens verzekerden zijn terugkeer. Volgens Frazer was die traditie geboren in samenlevingen van jagers en verzamelaars, maar blijven bestaan in de landbouw­gemeenschappen. De god – doorgaans de zonnegod – ging dan een mystieke relatie aan met de godin van de aarde; die stierf na de oogst, in de herfst, en werd in de lente herboren. Volgens Frazer was die legende de kern van vrijwel alle mythologieën van de wereld.

In pre-keizerlijk Rome begon het nieuwe jaar op 1 maart, de maand van Mars. Op de dag voor de eerste volle maan van het nieuwe jaar werd een man, gehuld in dierenhuiden, in processie door de straten geleid. Hij werd geslagen, uitgejouwd, bespuwd en daarna de stad uit gezet. Hij was Mamurius Veturius, de ‘oude Mars’, die diende te verdwijnen, opdat de nieuwe Mars zijn intree kon doen. Mars was oorspronkelijk de god van alles wat groeide en bloeide; de boeren offerden aan hem voor hun goede oogsten, met hem begon het nieuwe seizoen. Frazer bracht die traditie in verband met een andere, de Saturnalia, een winterfeest dat ook werd gevierd ter ere van een landbouwgod, Saturnus. Volgens Livius werd het feest ingesteld in 217 voor Christus, op 17 december; het groeide uit tot een festival van een week waarin werd gegeten, gezopen en gefeest. De burgers droegen niet hun toga, maar informele, kleurige feestkledij, iedereen droeg de vrijheidshoed, normaal voorbehouden aan geëmancipeerde slaven. Een week lang werden slaven niet gestraft. Zij hielden hun eigen feestmaal, waarbij zij soms door hun meesters werden bediend, en ze veroorloofden zich daarbij een symbolisch gebrek aan respect. Het was, zegt Frazer, ‘license within careful boundaries; it reversed the social order without subverting it’. Te midden van het feest werd een tijdelijke koning aangesteld, de heerser over het feest, de personificatie van Saturnus; na afloop werd deze net als de Oude Mars ritueel verjaagd en daadwerkelijk gedood.

De traditie bleef bestaan. Overal, in Italië, Spanje, Frankrijk en het Rijnland, zag Frazer lentefeesten waarbij een verklede scherts­figuur korte tijd regeert om daarna openbaar te worden doodgeschoten, verbrand, onthalsd of anderszins vernietigd. Hij beschrijft bijvoorbeeld een ritueel in Bohemen, waar een man, uitgedost in takken en bladeren, als een Wilde Man, door de dorpelingen wordt opgejaagd tot hij een mooie val maakt over een zorgvuldig gespannen touw. De beul prikt zijn zwaard in een varkensblaas met bloed, die de Wilde Man onder zijn kostuum verbergt, en zo sterft hij; de volgende dag wordt zijn beeltenis in stro op een baar de stad uit gedragen en door de beul in een meer gegooid. De ceremonie heette: ‘Het Carnaval begraven’.

Voor Frazer was er een duidelijke connectie tussen dit soort gewoontes, de Saturnalia en het carnaval van zijn tijd, binnen de oude grenzen van het Romeinse rijk en daarbuiten. De tijdelijke vorst was dezelfde als de koning van de Saturnalia; hij was ook dezelfde als de Koning van Driekoningen – ‘King of the Bean’ – de Narrenbisschop, de ‘Lord of Misrule’ en de Kerstman, gezette Falstaffs, feestvierders uit de kersttijd en de twaalf dagen daarna; hij is ook dezelfde als Prins Carnaval. Ook in het Sinterklaas­feest zit dat element van een tijdelijke regent, die zijn onderdanen één avond lang de vrijheid geeft te zeggen en te doen wat ze willen, zonder repercussies. In de Nederlanden kozen middeleeuwse koorschoolkinderen op de avond voor Sint-Nicolaas een eigen bisschop uit hun midden, die één avond op de troon zat; de rest van de klas maakte zijn gezicht zwart en ging, onherkenbaar, de straat op om te keten.

De voorzichtige conclusie van Frazers lange studie was dat de priester-koning van het Diana-heiligdom gezien moest worden als de incarnatie van een oude bosgod die stierf om te herleven, en dat diens leven en sterven een parallel was met de arme Romein die verkleed als Saturnus of Mars na een korte regering het leven liet. Frazer was voorzichtig, omdat de studie onafwendbaar leidde tot nóg een conclusie, die slecht viel, en die hij daarom in latere edities verbande naar een appendix: de kruisdood van Christus volgde, mutatis mutandis, hetzelfde heidense ritueel. Ook hier werd een burger tijdelijk verheven tot koning, feestelijk ingehaald, daarna in een schertsproces gekroond, veroordeeld, gegeseld, verjaagd en gedood – om drie dagen later weer fris op te staan, als voorbode van een nieuwe lente.

De koning moet sterven, als de koning wil leven. Een riskant experiment met de ordening der dingen is daarbij onvermijdelijk. De onmisbare moordenaar wordt niet voor zijn goede werk beloond, integendeel: zijn gekroonde hoofd ligt onrustig, en hij wordt door kwade dromen bezocht. Captain Willard in Apocalypse Now was zo’n moordenaar. Bij zijn slachtoffer, Colonel Kurtz, lag The Golden Bough op tafel. Ook Macbeth is zo’n dader. De oude koning is hem welgezind, beloont hem, bevordert hem; meer kan een trouwe vazal zich niet wensen. Met frisse tegenzin laat hij zich opstoken door zijn vrouw, die de weg naar de troon vrij ziet. Voor de bloedige campagne die daarheen leidt ‘ontsekst’ zij zich. Alleen in een tegennatuurlijke gedaante, doof voor berouw, kan zij Macbeth zo ver krijgen dat hij ’s nachts toeslaat en de koning in zijn slaap vermoordt. De held bidt om duisternis: ‘Stars, hide your fires/ Let not light see my black and deep desires.’

Die nacht staat de wereld op z’n kop. In de prille ochtend na de daad staan Ross en de ‘Oude Man’ rillend bij de kasteelmuur: nog nooit hebben zij zoiets ontzettends meegemaakt. Allerlei bizarre verschijnselen doen zich voor. Volgens de klok zou het licht moeten zijn, maar het is nog donker. Een valk is door een uil gedood. Twee van ’s konings paarden zijn uit hun stal gebroken, ‘contending ’gainst obedience, as they would make War with mankind’, en hebben elkaar in razernij aangevallen en verslonden. De moord op de koning heeft de natuurlijke orde der dingen aangetast. Chaos naakt.

Zestiende-eeuwers hechtten geloof aan de realiteit van de scala naturae, de hiërarchische structuur die aan alles wat in het universum bestond ten grondslag lag, van het sufste levenloze mineraal tot aan de sterren, de engelen, God zelf. De materie, de aarde en de rotsen, de planten en de dieren, het menselijk vlees – dat alles was veranderlijk en sterfelijk, maar de volgorde van de grote keten zelf niet; net als de Heilige Geest was die permanent en onveranderlijk. Wie daar tegen inging, wie ijzer in goud wilde veranderen of een hogergeplaatste aantastte, riep rampspoed af over zichzelf en de ganse wereld. Macbeth kreeg, als Lucifer, zijn trekken thuis. De orde werd hersteld. Het was allemaal maar theater, ‘a tale told by an idiot, full of sound and fury, signifying nothing’.

De wereld verlangt naar orde, en tegelijker­tijd naar de omwenteling daarvan. ‘A little rebellion now and then is a good thing’, schreef Jefferson. Rust is bedrieglijk, de koningsmoord onvermijdelijk, zolang onze mentale cyclus nog geworteld is in de dynamiek van de seizoenen, die ons tot bloedige vernieuwing aanzet. Dat is een ernstige zaak: een genetische dispositie voor revolte.

Carnaval staat mij tegen omdat het de ernst ontmant en in de kern de onderdanigheid viert, in een schijn van transparantie. De positionering van kunstenaars als Lords of Misrule, als degenen die als carnavalsprinsen de werkelijkheid op z’n kop kunnen zetten, en zo alternatieve werkelijkheden kunnen voorstellen, neigt naar dezelfde marginalisering in een vertoon van angelloze, schadeloze ongehoorzaamheid. Kijk naar het carnaval zoals het is: de machthebbers laten zich in bierhallen vriendelijk beledigen door redenaars, verkleed als clown, staande in een ton. Zij lachen van harte mee. Ze komen er zonder kleerscheuren vanaf. De afrekening volgt later wel.