The people’s queen

Het koningschap is een van de instituties in het Nederlandse bestel waarover de kiezers geen zeggenschap hebben. Het moet zijn legitimiteit dus langs andere weg dan een kiezersmandaat verwerven. Is het daarmee een anachronisme? Niet per se. Dat zou zo zijn als het koningschap een politieke functie inhield, bekleed met macht, want in een democratie is elke machtsfactor die zich aan controle onttrekt principieel ongewenst.

Het moderne koningschap, zoals dat gaandeweg vorm heeft gekregen, is evenwel iets anders, een ambt dat zijn bestaansrecht juist dankt aan zijn plaats buiten de sfeer van het politieke. Met de Raad van State behoort het tot de instituties die geen directe macht kunnen uitoefenen. Invloed hebben zij niettemin wel, dankzij hun lange geheugen en de kennis, wijsheid en ervaring die erin zijn geïncorporeerd. Daaraan ontlenen zij hun eigen waarde binnen de democratische rechtsstaat.

Hun positie zal des te invloedrijker zijn als ook het publieke optreden van de eerste man of vrouw van kwaliteiten als dat lange geheugen en die wijsheid getuigt. Daarover hebben we in het 33-jarige koningschap van Beatrix niet te klagen gehad.

De mythe dat het koningschap een politieke functie is berust op oude beelden van deze taak. Ongewild heeft Beatrix wellicht zelf aan deze valse beeldvorming bijgedragen, door in de tv-toespraak waarin zij haar troonsafstand bekendmaakte te refereren aan het twee­honderdjarig bestaan van het koninkrijk. De koning die in 1813 aantrad had een onvergelijkbaar andere positie dan de hedendaagse. Hoewel geen absoluut monarch in de klassieke zin van het woord, had Willem I aanzienlijke macht. Dat kwam ook door gebrek aan tegenmacht. Het bestel kende geen direct gekozen volksvertegenwoordiging en de koning benoemde en ontsloeg naar eigen believen de ministers. Tekenend is dat de Eerste Kamer, waarvan Willem de leden aanwees, in die tijd de bijnaam Ménagerie du Roi had, het beestenspul van de koning.

Aan deze toestand kwam feitelijk al in 1848 een einde. Thorbecke ontnam de vorst toen zijn politieke macht door de ministers voor al zijn woorden en daden verantwoordelijk te maken. Sindsdien is het kabinet aanspreekbaar op alles wat de koning doet en moet het daarvoor ook verantwoording afleggen aan de volksvertegenwoordiging. Gezien de publieke controle waaraan het koningshuis daarmee is onderworpen, is het niet meer zo van belang als de Oranjes in de beslotenheid van Paleis Noordeinde nog pogingen tot politieke invloed ondernemen. Dat geldt te meer nu de Tweede Kamer, door de formatie in eigen hand te nemen, zelfs de geringste schijn van invloed op het politieke proces heeft weggenomen.

In de woorden van Willem-Alexander moet de moderne vorst ‘samenbindend, vertegenwoordigend en aanmoedigend’ optreden. Daarom belichaamt het koningschap juist het niet-politieke, in die zin dat de politiek haar betekenis heeft in het helder maken van tegengestelde maatschappijvisies en dus niet in het samenbinden. De vorst moet boven de partijen staan en zijn functie vereist dan ook een zekere afstandelijkheid. Hij kan er alleen voor iedereen zijn als hij van niemand is.

Beatrix bracht deze noties in haar optreden tot uitdrukking, óók in het zichtbare belang dat zij hechtte aan ceremonie en protocol. De paradox van haar koningschap is dat zij juist daardoor in haar 33 jaar tot the people’s queen kon uitgroeien. Iedereen kon zich met haar vereenzelvigen als zij meeleed met nationaal verdriet of deelde in vreugde. Willem-Alexander heeft in ieder geval een goede opvoeding genoten, ook van zijn vader.