Toespraak bij de Letterenfonds Vertaalprijs 2014

The State of the Quo

De Letterenfonds Vertaalprijs is dit jaar gewonnen door Paul Beers en Jelica Novaković. In zijn toespraak bij de aanvaarding van de prijs blikte Beers terug op zijn carrière, maar keek hij ook kritisch naar de hedendaagse praktijk: ‘Je zult zo’n kleine vijftig jaar vertalen en geen cent méér krijgen dan welke beginnende vertaler voor welk literair boek ook. Mag ik dat een misstand noemen?’

Medium paul beers

Het moet 1964 geweest zijn – mijn dertigste jaar al naderend. Ik had na een warrig decennium een kandidaatsexamen gehaald, filosofie, en zojuist besloten daar niet verder in te gaan. Ik logeerde bij wijlen mijn vriend Koos Geenen in Druten – hij publiceerde essays over Nescio, Borges en Gombrowicz, zoals we het toen nog uitspraken – en liep daar over de Waaldijk. Het werd tijd om te gaan werken. Maar wat?

Ik had twee beroerde vertalingen gelezen, van Sartre zijn Existentialisme is een Humanisme en van Karl Jaspers zijn Inleiding tot de filosofie. Ik wendde me tot uitgeverij Bijleveld in Utrecht, in die jaren toonaangevend op het gebied van filosofie en psychologie, met de vraag of men iets voor mij te vertalen had. Nadat uitgever Joost Bommeljé mij dat ten zeerste had afgeraden – het honorarium kon niet hoger zijn dan 2 cent per woord – ging ik toch aan de slag met, jawel, Sartre, diens onbekendste en daarom nog niet vertaalde boek over Baudelaire. Veel te hoog gegrepen eigenlijk, maar geholpen door mijn vriend Jacques Sicking was Bommeljé zo tevreden dat hij me meteen een volgend boek te vertalen gaf, en zie, Jaspers’ Kleine Schule des philosophischen Denkens. Maar toen dit na twee, drie, vier jaar nog steeds niet was verschenen, en ik hem witheet van woede aan het ouderlijk huis tot de orde had geroepen, was het hoofdstuk Bommeljé afgesloten.

Inmiddels, we zijn de jaren zeventig binnengegaan, was ik allang de vertaler van Witold Gombrowicz geworden, de Poolse schrijver die door zijn unieke mix van groteske, moed tot waarheid en een flonkerende stijl mij vooral met zijn Dagboek had meegesleept. Hij gaf mij persoonlijk toestemming zijn werk vanuit de Duitse en Franse edities te vertalen, wat ertoe leidde dat er in de jaren 1967 tot 1972 elk jaar een boek verscheen, een periode die begin 1973 werd afgesloten met de verschijning van het uit zijn voegen barstende Gombrowicz-nummer van het tijdschrift SOMA. Dit laatste nummer werd tevens de opmaat tot de een jaar later opgerichte Revisor, waarvan ik redacteur-secretaris werd, een mij op het lijf geschreven functie die echter drie jaar lang een bijna voltijdsbaan bleek.

In die jaren ook was ik voorzitter van de Werkgroep Vertalers en voor de Volkskrant medewerker vertaalde literatuur. Op een nu ondenkbare wijze kon ik in lange stukken gedetailleerd ingaan op kwaliteiten en tekorten van de vertalingen. Ik interviewde drie jaar achtereen de winnaars van de Nijhoffprijs, de toen nog enige vertaalprijs: in 1973 Peter Verstegen, in 1974 oud-klasgenoot C.A.G. van den Broek en in 1975 Barber van de Pol.

Toen niet alleen het jaar daarop, in 1976, maar ook in 1977 de Nijhoffprijs wegens, citaat, ‘onvoldoende kwaliteit’ niet werd toegekend, voelde ik me geroepen een protest te organiseren waarin een vijftigtal van de meer vooraanstaande literair-vertalers liet weten in de toekomst van deze jury, waaronder liefst vijf eerdere winnaars, geen Nijhoffprijs in ontvangst te willen nemen. Toen de jury desondanks bleef zitten en het jaar daarop aan Anneke Brassinga de prijs toekende, weigerde deze, en ruimde de jury het veld. In de jaren daarna werd de prijs toegekend aan menig vertaler, zoals Jenny Tuin en Frans van Dooren, die ook voor 1976 allang hun sporen hadden verdiend.

Ik zelf ging verder met het vertalen van Gombrowicz tot en met het driedelige Dagboek en had daarna opnieuw het geluk een schrijver van eigen keuze te mogen vertalen, nadat ik in 1983 het werk van Ingeborg Bachmann had leren kennen. Het was een ‘geluk bij een ongeluk’, want niet alleen haar beeldende poëzie maar vooral ook haar sensibele proza is getekend door psychisch lijden. Welk een mooi toeval dat juist dezer dagen haar enige voltooide roman Malina na bijna dertig jaar door Van Gennep opnieuw is uitgegeven.

Inmiddels, jaren negentig, was ik door de vroegtijdige dood van Thomas Graftdijk (42 jaar) betrokken geraakt bij zowel de familie Mann als het Freud-project. Na het memoiresboek van Golo Mann, dat Graftdijk halfweegs had vertaald, te hebben voltooid, had ik de smaak van de ‘amazing family’ te pakken gekregen en kreeg opdracht de laatste zes delen van Thomas Manns Tagebücher tot twee handzame delen terug te brengen, waaraan nog een vierde Privé Domein-deel van Erika Mann werd toegevoegd.
En Graftdijk was ook degene die samen met Wilfred Oranje in gestage regelmaat het ene na het andere deel van Freuds talrijke geschriften had vertaald, waarbij de één telkens het door de ander vertaalde deel redigeerde. Nu Graftdijk was weggevallen, nam ik de rol van redacteur van Wilfreds vertalingen over, een zeer dankbare, want het is nauwelijks – of ‘amper’ (in Wilfreds taaleigen) – denkbaar dat een ander op zulk hoog niveau het doorwrochte Duits van Freud in even adequaat als helder Nederlands had kunnen overbrengen.

Na dus in de jaren tachtig het proza en de poëzie van Bachmann te hebben vertaald, werd ik vanaf 1995 de vertaler van de derde auteur van eigen keuze: Robert Menasse. Deze briljante stilist, niet alleen als romanschrijver maar evenzeer en in toenemende mate als publicist en essayist, veroverde en vervoerde mij in 1995 met zijn tweede roman Zalige tijden, breekbare wereld, waarna ik vervolgens zijn vaste vertaler werd. Anders dan ‘mijn’ andere auteurs, die allemaal ouder waren dan ik, was Menasse aanzienlijk jonger en heeft hij mij een keer thuis bezocht. Wie had kunnen denken dat ik zo’n vijftig jaar na dato nog eens met een door mij vertaalde, inmiddels bevriende auteur, nu aan de overkant van de rivier over de Waaldijk zou fietsen.

Helaas heeft hij net zo min als Gombrowicz en Bachmann een groot publiek weten te bereiken, waardoor zijn laatste verhalenbundel, waarvan alle verhalen voor literaire tijdschriften zijn vertaald en gepubliceerd, het in de huidige economische situatie niet tot een Nederlandse boekuitgave heeft weten te brengen. Wel zijn polemische essay De Europese koerier waarin hij het, geheel tegen mijn zin, fervent voor de Europese Unie opnam. Ook tegen mijn zin was het feit dat de uitgever mijn inmiddels zesde boek van Menasse, hoe klein het ook was, en mijn inmiddels dertiende voor deze uitgeverij met geen cent méér dan het zogenoemde minimum-honorarium van 6 komma 3 cent wenste te honoreren. Je zult zo’n kleine vijftig jaar vertalen en geen cent méér krijgen dan welke beginnende vertaler voor welk literair boek ook. Mag ik dat een misstand noemen?

Zeker, de meeste literaire uitgeverijen gaan vriendschappelijk met ons om, maar het ontbreekt aan concrete waardering. Zonder het Letterenfonds hadden de Letteren-vertalers nog steeds op een houtje moeten bijten, want van uitgeverszijde is nooit ook maar enig initiatief uitgegaan om financieel en qua naamsbekendheid van hun waardering blijk te geven. De helft van de uitgegeven literatuur is vertaalde literatuur, maar de uitgevers zitten met de vertalers in hun maag omdat die hun boeken duurder maken. Natuurlijk, het gaat om de schrijvers, en geen vertaler die zich daar niet in terechte bescheidenheid bewust van is. Maar uitgevers staan, net als vertalers, in dienst van de schrijvers. Beiden zijn daarin gelijkwaardig. Het Letterenfonds behandelt en waardeert ons als zodanig. Ach, kon het Fonds maar een literaire dochter baren die zich zou beperken tot strikt literaire uitgaven. Dan zou mijn al jarenlange, vergeefse devies bewaarheid kunnen worden: ‘Vertaalde literatuur is een geestelijk product dat in volkomen gelijkwaardigheid tussen uitgever en vertaler tot stand dient te komen.’