John Stuart Mill in Groot-Brittannië

The Stupid Party?

Waar New Labour John Stuart Mill heeft verruild voor Jeremy Bentham, daar zijn de Conservatieven de laatste jaren juist naar Mill toe gekropen. Met de nadruk op ‘gekropen’.

DE BRITSE Conservatieve Partij heeft nog lang last gehad van John Stuart Mill. In zijn tijd als liberaal Kamerlid heeft hij eens beweerd dat domme mensen doorgaans Conservatief stemmen, er verzachtend aan toevoegend dat niet alle leden van de Conservatieve Partij dom zijn. De Conservatieve premier uit die tijd was dan ook de hoogst intelligente Benjamin Disraeli, met wie Mill felle debatten placht te voeren.
De voornaamste bezwaren van Mill tegen het Conservatieve gedachtegoed waren de verleiding tot bekrompen nationalisme en een onwil om te reflecteren op deze lastige politieke positie. Omdat nuances na verloop van tijd altijd verloren gaan, werd de Conservatieve Partij door tegenstanders ‘the stupid party’ genoemd. In de jaren negentig evolueerde dit dankzij een reeks seks- en corruptieschandalen tot ‘the nasty party’, wat nauwelijks een verbetering kon heten.
John Stuart Mill is de voornaamste publieke intellectueel uit de Britse geschiedenis. In hetzelfde jaar als waarin Charles Darwin zijn On the Origin of Species publiceerde, maakte Mill faam met On Liberty. Het bijzondere van deze Victoriaanse vernieuwer is dat hij niet alleen als filosoof aan het publieke debat deelnam, maar ook de daad bij het woord voegde. Hij liep voorop bij demonstraties, zoals tegen Disraeli’s besluit om demonstraties te verbieden, een actie die zou uitmonden in de Speaker’s Corner in Hyde Park. In het parlement zou Mill op latere leeftijd het kiesdistrict Westminster vertegenwoordigen. Hij streed onder meer voor de gelijkheid van vrouwen, de onafhankelijkheid van Ierland en het behoud van de iepen op Piccadilly. Voor hem was politiek een onbetaalde roeping, wat een wereld van verschil is met hedendaagse kamerleden die zo veel mogelijk geld proberen te verdienen en zelfs een badstop van 88 penny opvoeren als onkosten.
Mill is altijd een icoon van de liberals geweest, de term waarmee in de Angelsaksische wereld de progressieve burgerij wordt aangeduid. Toch is er nooit iets ontstaan als een millisme. Daarvoor was zijn denken te veelzijdig. Reeds op jonge leeftijd nam hij afstand van het geestdodende en materialistische nuttigheidsdenken van Jeremy Bentham. Hij noemde dit een profit & loss philosophy, waarin niet gedacht werd vanuit het hart en de ziel, maar vanuit de maag. Het nuttigheidsdenken miskende de geestelijke kracht van de mens, iets wat Mill onder meer terugvond in de Romantische, conservatief getinte poëzie van Samuel Coleridge en William Wordsworth. Mills maatschappelijke visie leverde een soort derdewegfilosofie avant la lettre op, waarbij de staat op actieve wijze dient bij te dragen aan de Bildung van de burgers. Isaiah Berlin zou dit later aanduiden als positieve vrijheid.
Binnen het hedendaagse politieke spectrum zou Mill zich uiteraard het best thuis voelen bij de Liberal Democrats, de sociaal-liberalen die een marginale rol spelen in het parlement. Ze hechten veel waarde aan lokale politiek, handelen te idealistisch voor de machtsstrijd in Westminster en zijn wars van nationalisme. Een ander verhaal is de Labour Party. De paternalistische premier Gordon Brown – die meer gelooft in gelijkheid dan in vrijheid – hekelde Mills ‘extreme kijk op vrijheid’ en zijn ‘wrede libertarisme’. Mill zou geen deel willen uitmaken van de regeringspartij aangezien haar interventies in het dagelijkse bestaan van de burgers te ver zijn doorgeschoten. Zo zijn daar de autoritaire trekjes die, de tijden herhalen zich, hebben geleid tot een demonstratieverbod in Mills oude kiesdistrict. Tevens heeft de partij zich schuldig gemaakt aan een verregaande centralisering, een schadelijke ontwikkeling waar Mill een apart boek aan heeft gewijd. Ten slotte is er het misbruik van het schadebeginsel uit On Liberty, namelijk dat de overheid zich niet heeft te bemoeien met bezigheden van burgers zolang anderen geen schade ondervinden. Het betuttelende geloof dat wetgeving het welbehagen van een individu kan vergroten past meer bij Bentham dan bij Mill. De kwantitatieve benadering van elk maatschappelijk vraagstuk – de geluksbeleving wordt soms tot twee cijfers achter de komma berekend – is eveneens een benthamiaans trekje.

WAAR New Labour Mill heeft verruild voor Bentham, daar zijn de Conservatieven de laatste jaren juist naar Mill toe gekropen. Met de nadruk op ‘gekropen’. De partij is nooit sterk geweest in ideologie. Tijdens zijn sollicitatie voor een kandidatuur bij de parlementsverkiezingen vertelde de conservatieve filosoof Roger Scruton ooit lid te zijn geweest van de Conservative Philosophy Group. De sollicitatiecommissie vond de combinatie ‘conservative’ en ‘philosophy’ dermate onwaarschijnlijk dat men twijfelde aan het bestaan ervan. Toen de jonge parlementariër David ‘Two Brains’ Willetts na de verkiezingsnederlaag van 1997 aan Sir Denis Thatcher om advies vroeg, antwoordde die: ‘Keer terug naar de Conservatieve uitgangspunten’, om daaraan toe te voegen: ‘Maar vraag me niet wat deze zijn.’ Ervaring en het gebruik van gezond verstand zijn altijd belangrijker geweest dan ideologie.
Inmiddels is Willetts, die niet alleen fysieke gelijkenissen vertoont met Mill maar ook diens denken grotendeels heeft omarmd, de voornaamste adviseur van partijleider David Cameron. In Willetts’ visie is de staat niet langer de vijand, maar kan deze een rol spelen bij het verschaffen van goed onderwijs en betrouwbare zorg. Tegelijkertijd wordt de burger voor volwassen aangezien, in het glorieuze bezit bovendien van een vrije wil. Willetts lijkt een hernieuwde poging te willen wagen positieve vrijheid in praktijk te brengen, zonder te vervallen in benthamisme. Tevens wil hij bewijzen dat modernisering juist een Conservatieve traditie is. Waren de Conservatieven niet de eersten met een joodse premier (Disraeli), een vrouwelijke premier (Thatcher) en een premier wiens vader een circusartiest was (Major)?
De voornaamste criticus van Willetts is Simon Heffer, een rossige, reactionaire houwdegen uit Essex, een traditioneel Conservatief graafschap. Saillant detail is dat Heffer enkele jaren geleden een lovende biografie heeft geschreven van de Victoriaanse reactionair Thomas Carlyle. Dit is zo aardig omdat Mill bevriend was met Carlyle, zelfs nadat Mills huishoudster het manuscript van Carlyle’s kritiek op de Franse Revolutie in de open haard had gegooid. Hoewel hij het met de politieke ideeën van ‘de Sage van Chelsea’ oneens was (met name waar het ging over kolonialisme), bewonderde Mill Carlyle’s durf en originaliteit. Mill zou aangenaam verbaasd zijn over het intellectuele debat dat de hedendaagse Conservatieven voeren. ‘Stupid’ kunnen ze in ieder geval niet meer worden genoemd.