Camille 1 & 2, Diptych, elke Print 127 x 172 cm, zilver Print, 2006 Onderdeel van de permanente Collectie van Huis Marseille Museum voor Fotografie, Amsterdam © Jeff Cowen. Met dank aan de artiest

Eind 2017 scharrelde ik rond op een drukbezochte boekpresentatie bij de meest protserig ingerichte uitgeverij van Amsterdam. Ik kocht het boek, zei hier en daar iemand gedag. Ik liet mijn wijn bijschenken. Ten slotte voegde ik me toen bij een clubje vrouwen die elkaar goed kennen en die ik graag mag. In sneltreinvaart schoot ons gesprek het station uit, het pauzeerde niet eens bij het zojuist gepresenteerde boek maar arriveerde direct met veel kabaal bij eindstation Harvey Weinstein, over wie The New York Times die week de beschuldigingen van seksueel overschrijdend gedrag had gepubliceerd. Dit was nieuws. Dit was nieuw nieuws, vers-van-de-pers-nieuws, en tegelijkertijd was het day old bread, een verhaal zo oud, dat we al zo vaak hadden gehoord, in alle mogelijke variaties, dat je het kon uittekenen, met je ogen dicht. En bovendien, we waren vrouw, we waren onder elkaar, ons maakte je niets wijs.

Later zou Jessica Durlacher aan een talkshowtafel verklaren dat ze het Weinstein-schandaal onder “the ways of the world” schaart, te beschouwen als een gevalletje het-is-wat-het-is, een uitspraak die werd getekend door een soort hautaine vermoeidheid, nog net niet met begeleidende eye roll. Het werd Durlacher dan ook niet in dank afgenomen, ook door mij niet, al was het precies dezelfde hautaine vermoeidheid die ook ons gesprek op de boekpresentatie typeerde. Day old bread.

De wijn werd nog eens bijgeschonken, het volume van ons gesprek ging omhoog. Mijn gesprekspartners, eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen, wisten er ook van, van die ways of the world. Ze waren eraan gewend geraakt om te relativeren, om oplopende emoties te temperen, om zaken niet alleen van twee maar van álle kanten te bekijken, zoals ook ik bij iedere bewering of mening of nieuwsbericht geneigd ben om te denken: O ja? Is dat zo?

Hautain. Vermoeid. Betweterig. Blasé.

Om ons heen was de protserig ingerichte uitgeverij al wat leger geworden, of althans wat minder overvol. De overgebleven gasten kluwden samen in clubjes van drie of vier. Terwijl wij, eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen anekdoten deelden met brede armgebaren, om ze vervolgens te ontvangen met gul gebulder, zag ik hoe de clubjes verbaasd hun nekken kromden om te zien waar het gebulder vandaan kwam. Ik zag ook dat die clubjes vrijwel uitsluitend uit mannen bestonden.

Een van de eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen vertelde hoe ze ooit, als twintiger, student nog, op haar kont was geslagen door een klant van het restaurant waar ze in de bediening werkte. Kalm had ze haar dienblad neergezet en kalm had ze de man een klap in het gezicht gegeven.

Hilariteit alom. Meer mannen die hun nek kromden.

Maar ze was wel ontslagen.

Na het nieuws over Weinstein had ook ik een kleine inventarisatie gemaakt van voorvallen en anekdoten uit mijn eigen verleden. Het had niets bijzonders opgeleverd. Geen machtsmisbruik, geen seks tegen mijn zin. Veel grijs-gebied-gevallen.

Ik vertelde de eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen over een ex, die tijdens onze driejarige relatie meermaals in elkaar was geslagen, die was beroofd en achtervolgd op straat. Eén keer was ik erbij geweest. Een jongen en zijn vrienden, een wisseling van blikken. Scooters die optrokken, wij die wegstoven. Zij er in hoog tempo achteraan.

Dat is toch óók erg, wilde ik maar zeggen. De eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen riepen: Precies!

Een jongetje op de kermis.
Een collega.
Een klant in de winkel waar ik werk.
De kennis die me uit het niets berichtje na berichtje stuurt – of ik anale seks met hem wil. Of dat hij dat met mij wil – dat weet ik niet precies meer.
‘Daar moet een piemel in.’

‘Ik ruik je kut.’
De nachtwaker van een hotel in Brussel.
De taxichauffeur die om een kusje vraagt.
De jongen die me – per ongeluk, zegt hij later – opsluit in zijn kamer voordat hij naar zijn werk gaat.
De jongen die sorry blijft zeggen, sorry sorry.
Een man op straat.
Mannen in een auto.
De kennis die woedend wordt als ik zeg dat ik niet met hem uit eten wil.

Ik dacht aan de keer dat ik dronken en irritant was en ik een man, die bleu was, en bezet, had meegesleurd naar de kroeg en had verteld hoe aantrekkelijk ik hem vond, iets wat onschuldig klinkt, aandoenlijk zelfs, maar waarvan ik me de dag erna realiseerde dat ik er een grens mee had overschreden – zijn grens. Ik, in een jurk die op strategische plekken openviel, tegen hem aanhangend. Hij, beleefd en lang niet zo dronken als ik. In theorie had ik geen overwicht. Geen enkele macht. Ik had geen noemenswaardige positie, geen geld. Ik kon hem niets bieden of ontnemen. Ik had hem fysiek niet kunnen overheersen.

Tegen de eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen zei ik: Vrouwen hebben een ander soort macht, die ze ook kunnen misbruiken. De eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouwen riepen: Precies!

Wat betekent het om seksuele macht te hebben? Wat houdt het in? Wat levert het op? Waar ruil je die macht voor, hoe zet je deze in?

In mijn gedachten speelt het verhaaltje zich af als een cartoon: een sexy vrouwtjesvogel paradeert over straat, een hitsige mannetjesvogel gaat haar achterna. Zij heeft wat hij wil. Zal hij haar weten te overreden? Zal ze toegeven?

Het is meer dan een verhaaltje, het is een cliché. We vertellen het steeds opnieuw omdat we erin geloven: de sexy vrouwtjesvogel, de hitsige mannetjesvogel, het paraderen. Het overreden, het toegeven. Het is een cliché gebouwd op enkele aannames. Dat hij seks wil, dat hij zelfs niet zónder kan – en zij wel. Dat hij willoos staat tegenover zijn hormonen en dat zij die hormonen bespeelt, zijn willoosheid misbruikt. De aanname dat hij machteloos is en zij, om die reden, machtig.

Op Twitter valt een vrouw over een woord: “overhalen”. Studentenvereniging Vindicat is weer eens in opspraak geraakt omdat hun leden “bangalijsten” opstellen, met daarop de namen van vrouwen “die makkelijk over te halen zijn tot seks”. Maar, meent de twitteraar, een vrouw laat zich niet overhalen – ze wil het of ze wil het niet.

Je kunt het cliché van de vrouwtjesvogel en de mannetjesvogel ook anders interpreteren – namelijk als een spel. En als het een spel is, dan is er de implicatie dat je kunt winnen. Als hij nou maar zijn best doet, de regels volgt, dan wint hij de hoofdprijs: haar “ja”. Maar dat zou betekenen dat haar “ja” niet van haar is, niet haar eigen keuze maar afhankelijk van hoe goed hij het spel speelt. In hoeverre heeft zij dan werkelijk de macht? Is zij dan niet willozer dan hij?

Je kunt vallen over een woord, maar het overhalen is natuurlijk precies het punt. Mannen die bangalijsten maken, willen het spel spelen. Ze willen winnen.

De kennis die me uit het niets berichtje na berichtje stuurt – of ik anale seks met hem wil. Het feit dat ik niet geïrriteerd ben, of zijn berichtjes weglach, maar me schaam. Ik schaam me voor wat ik dan ook heb gezegd, wat ik dan ook deed of uitstraalde dat bij hem de indruk wekte dat hij zijn best niet hoefde te doen, dat hij geen omweg hoefde te nemen via een date, en nog een date, maar dat hij gewoon meteen over kon gaan tot de orde van de dag: anale seks. Ik schaamde me zo dat ik nooit reageerde, op die stroom aan berichtjes, die steeds korter werden, met als laatste wanhopige poging – tot hilariteit van mijn vriendinnen – slechts nog een enkel woord: ‘Anaal?’

De jongen die sorry blijft zeggen, sorry sorry. Het feit dat ik nog steeds aan hem denk, aan die nachtelijke wandeling die zich voltrok in een waas: ik krijsend, rennend, huilend, scrollend door mijn telefoonlijst en hij achter me aan, sorry sorry, naar me uithalend, pakkend wat hij pakken kon, een been, mijn kont. Het feit dat ik er met warmte aan terugdenk, dat ik met warmte aan hém terugdenk, met medelijden en sympathie. Het feit dat ik me beter in zijn wanhoop kan verplaatsen, in zijn sorry sorry, dan in die van mij.

Verwarren we macht niet met verantwoordelijkheid? Als een man werkelijk het hoofd op hol wordt gebracht door een vrouw, als hij werkelijk willoos is, een speelbal van zijn eigen geilheid, als hij zich niet kan inhouden, zich niet kan bedwingen, en als je daaruit de conclusie trekt dat die machteloosheid háár machtig maakt, dan geef je haar dus ook de verantwoordelijkheid voor zijn onmacht. Zij trekt een kort rokje aan en hij is verloren. Hij is zielig en zij had beter moeten weten.

Hij kón niet anders, hij móest wel.

De verhalen die post-Weinstein werden gedeeld, bijeengebracht onder een hashtag, “me too”, als een strik om een bundel brieven, las ik met afgrijzen en verwondering. Niet alleen had ik zelf nooit iets van die aard meegemaakt, niet écht, niets traumatisch; ook mijn vriendinnen hadden nooit zoiets meegemaakt. En ja, ’s nachts lopen we andere routes dan overdag. En ja, we reizen samen, fietsen in groepjes, hebben ontsnappingsroutes in ons hoofd, noodscenario’s, makeshift wapens. Ja, we zijn op onze hoede, kijken naar de grond. We weten hoe het is om op lege stations samen te kluwen met andere alleenreizende vrouwen, we kennen die vanzelfsprekende solidariteit waarover nooit wordt gesproken.

Wat zouden de cijfers ons eigenlijk vertellen? Hoe verhouden gevallen van geweld tegen mannen zich tot #MeToo-verhalen? En hoe zat het ook alweer: worden vrouwen niet vooral door bekenden aangerand en verkracht, binnenshuis, en niet zozeer door vreemden op straat? Waarom gáán vrouwen eigenlijk met sleutels in hun vuisten over straat en hebben mannen die neiging niet? Waarom heerst er onder vrouwen een angst die er onder mannen niet lijkt te zijn?

Het was zo makkelijk mijn mond uitgerold, die anekdote over mijn ex, die zo vaak met geweld werd geconfronteerd. Maar bij nader inzien leek dat verhaal zich helemaal niet te vergelijken met #MeToo. Bij nader inzien was het iets compleet anders. Waar zat dat verschil hem in?


Toen ik begin twintig was richtte ik met drie vriendinnen een bandje op. Amateurs waren we, maar we leerden snel, we waren best goed. Bij ons eerste optreden speelden we voor een publiek van voornamelijk vrienden en familie, in het door onze vriendengroep gerunde kraakcafé in het centrum van Zaandam. Ons tweede optreden was in het plaatselijke filmtheater, waar de versterkers en speakers te wensen overlieten en ons zware gitaargeluid – noisy pedaaltjes op de gitaren, alles in het laag – veranderde in een geluidsbrij waar geen melodie meer in te herkennen was. Maar we stonden er wel, alle vier in power pose, voor een volle zaal die deze keer voor minstens twee derde uit niet-bekenden bestond.

We waren nog niet eens halverwege onze set toen een geërgerde mannenstem bromde: ‘Het is dat jullie tieten hebben!’

Ik was beledigd, gekwetst, maar bovenal verward. Het is dat jullie tieten hebben! Wat betekende dat? Nam hij het ons kwalijk dat hij naar slechte rotmuziek moest luisteren, een geluidsbrij zonder melodie, die hij nooit had gehoord als we gewoon middelmatige muzikanten zonder tieten waren geweest, omdat we dan nooit dit optreden geboekt hadden? Had hij er wat van gezegd als we mannen waren geweest? En wát had hij dan gezegd? Hij wees ons er niet alleen op dat we tieten hadden, maar vooral ook dat hij ze zag, die tieten. Hij had smaak, wij hadden tieten. Hij maakt zich groot door ons klein te maken. Op dat podium zag hij niet vier beginnende muzikanten, in een nogal pretentieloze setting, nee, hij zag vier jonge vrouwen die iets stonden te doen wat compromisloos was, en dapper, zonder enige bemoeienis van mannen, power poses en alles, die ook nog eens tieten hadden. Hij voelde zich machteloos omdat wij macht hadden. Een seksuele macht – tieten – die ons beperkte talent aanvulde.

Had hij gelijk?

Wat is seksuele macht? Hoe werkt het? Ruil je je seksuele kapitaal of zet je het meer impliciet in? Kan het ook tegen je worden gebruikt? En wie bepaalt wat de waarde ervan is?
Als je je seksuele kapitaal als ruilmiddel gebruikt, voor een baan, een promotie, een kans, een filmrol, sierraden, bontjassen – bij wie ligt dan écht de macht? Bij de vrouw wier lichaam van waarde is voor de man? Of bij de man die afneemt wat zij aanbiedt, waarmee hij haar reduceert tot niet meer dan die transactie, niet meer dan ruilmiddel, niet meer dan dat lichaam?

Het is dat jullie tieten hebben!

Waarom gaan vrouwen met sleutels in hun vuisten over straat en hebben mannen die neiging niet? Waarom heerst er onder vrouwen een angst die er onder mannen niet lijkt te zijn?

Dat vrouwen bang zijn op straat, op hun hoede zijn, het zekere voor het onzekere nemen, is precies het punt. Het gaat niet om de cijfers, het gaat niet om risicoberekening – het gaat om angst. Het gaat erom dat vrouwen bang zijn gemaakt.

Daar is een woord voor, en dat woord is onderdrukking.

Dat een man risico loopt als hij ’s nachts op straat loopt of dronken wordt in de kroeg, is voor hem niet meer dan dat: een risico. Voor een vrouw speelt er iets anders. Ook als ze niet wordt verkracht of aangevallen, ook als ze niet direct met geweld te maken krijgt of in levensgevaar is, wordt ze, iedere keer dat ze wordt nagekeken, nagefloten, toegeroepen, achtervolgd, sorry sorry, er constant aan herinnerd dat ze niet meer is dan een lichaam. Een lichaam waarvan de waarde niet door haarzelf maar door mannen wordt bepaald.

Het is dat jullie tieten hebben. 
Of: Je bent niet meer dan een lichaam.
Of: Wij nemen dat lichaam als we willen.
Of: Ken je plek.

Het is precies hoe discriminatie werkt, zoals ook racisme, of de haat en het geweld waar de lgbtqi-gemeenschap mee te maken krijgt. Het gaat er niet om dat je een minderheid bent, het gaat erom dat dat steeds weer wordt benadrukt: je bent een minderheid. Dat steeds weer wordt benadrukt dat je anders bent, minder waard, machteloos.

Ken je plek.

Dat mijn ex steeds in een positie terechtkwam waarin hij in de minderheid was, de zwakkere partij, zei niets over wie hij wezenlijk wás. Het zei niets over zijn positie als witte man in onze maatschappij. Dat maakte zijn situatie niet minder erg maar wel anders. Zijn situatie had niets te maken met systematische marginalisering en onderdrukking van de groep waartoe hij behoort.

Systematisch. Voor mij was dat woord de sleutel tot het probleem van #MeToo. Dat, en de simpele realisatie dat #MeToo niet om seks gaat, maar om macht. Dat het niet gaat om het krijgen van seks maar om het nemen ervan.

Er zit een verschil tussen erkennen dat iets systematisch is, stelselmatig, onderdeel van het weefsel van de maatschappij, en stellen dat het the ways of the world zijn – niets aan te doen, het is wat het is, get over yourself.

Precies! joelden we op de boekpresentatie bij de Amsterdamse uitgeverij.

Het verschil is dit: als je zegt dat het the ways of the world zijn, dat je heus wel weet hoe de wereld in elkaar steekt, dat je nergens meer van opkijkt, als je de zaak steeds van de ándere kant bekijkt, een erg geval contrasteert met een érger geval, of met een ánder geval dat óók heel erg is, als je, als eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente vrouw, alles stuk relativeert, dan neem je de macht terug die je is afgenomen. Dan heb je zélf de touwtjes in handen. Maar je kunt alleen maar je eigenzinnige, hoogopgeleide, intelligente zelf zijn, blasé en betweterig en licht vermoeid, als je je afzet tegen de vrouwen die het niet the ways of the world noemen maar systematische onderdrukking, zoals je jezelf ook alleen maar wereldwijs kunt noemen door anderen naïef te noemen – jij onaantastbaar, zij de slachtofferrol.

Want dat is wat je doet als je je hand opsteekt en aangeeft dat je onderdrukt wordt: je noemt jezelf een slachtoffer. En jezelf een slachtoffer noemen is iets ingewikkelds: je zegt ermee dat iets je werd ontnomen, je geeft toe dat je machteloos toekeek terwijl het je werd afgepakt, dat je niet in staat was om er iets aan te doen.

Maar tegelijkertijd stel je ook het onrecht daarvan aan de kaak. Tegelijkertijd zeg je: ik wil het terug. Als je zegt dat je een slachtoffer bent, zeg je ook: ik wil geen slachtoffer meer zijn. Als je zegt dat je machteloos bent, of dat je dat op een zeker moment bent geweest, dan is dat het begin van het terugkrijgen van die macht.

En weet je wat het ook is? Misschien wil ik wel niet meer blasé zijn.

Dit essay is onderdeel van de essaybundel waar Basje Boer momenteel aan werkt, en die eind 2022 zal uitkomen bij Nijgh & Van Ditmar