Interview: Valeri Gergiev

The Wizard of Os

Alle Nederlandse orkesten met ambitie doen het: spelen in het buitenland. Ook het Rotterdams Philharmonisch Orkest is graag op reis. Vorig jaar naar Japan, deze maand naar Duitsland. Valeri Gergiev – nog drie jaar chef – is de ster. Maar het draait niet om hem, zegt hij. Alleen de resultaten van de samenwerking tellen. «En dit orkest is sterk veranderd.»

BERLIJN – Waarom is het voor het Rotterdams Philharmonisch Orkest zo belangrijk om in Duitsland gehoord te worden? Van de vele goede or kesten die er zijn, beschikt hooguit een handvol over de status en de uitstraling waarvoor buitenlandse concertbezoekers on geacht de dirigent of de solist een vrije avond reserveren. Misschien vallen aan het begin van de 21ste eeuw alleen de Berliner of de Wiener Philharmoniker en misschien de New York Philharmonic nog in die categorie. Gewone orkes ten moeten het in den vreemde hebben van de grote naam op de bok, de virtuoos met de Strad of het beest aan de vleugel.

De kwestie is: heeft reizen voor een Rotterdams orkest dus nog wel zin, behalve voor de dirigent?

Vraag het de chef op weg naar het concert, en in het achtercompartiment van de Mercedes S-klasse steekt ergens tussen Alexanderplatz en het Berlijnse Konzerthaus een docerend laagfrequent gebrom de kop op. «Duitsland», zegt Valeri Gergiev, «kent een van de rijkste, en belangrijkste muzikale tradities die het hedendaagse muziekleven heeft te bieden. Er zijn grote orkesten: Dresden, München en Berlijn. Er zijn vijf tot tien belangrijke concertzalen, de operahuizen.»

Met andere woorden: Duitsland is een veld van eer. Wie zich wil meten met de besten, moet de oostgrens over.

Zo was het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder leiding van chef-dirigent Gergiev er van 8 tot 14 maart op tournee. De muzikantenkaravaan trok per bus en trein van Rotterdam naar Frankfurt, Stuttgart, Dortmund, Berlijn en Essen. Een kleine week lang stonden honderd eersteklas musici bloot aan het enerverende maar vermoeiende ritueel van lange dagen en korte nachten, laden en lossen, in- en uitchecken, repeteren en spelen.

De meereizende buitenstaander zal willen weten wat het effectieve rendement van zulke reizen is. Het is moeilijk te zeggen. Tournees zijn nooit volledig rationeel verdedigbaar. Soms wordt er geld verdiend, soms niet. De gang naar het ereschavot wordt belemmerd of bemoeilijkt door de onaantastbaarheid van een orkestenhiërarchie waarin een Rotterdams orkest voorshands geen factor is, al zou het de complete wereldtop aan flarden spelen. Duitsland heeft ook zelf orkesten die onder leiding van Valeri Gergiev uitstekend uit de voeten zouden kunnen. En het is altijd toch de dirigent die in het buitenland de meeste stemmen trekt.

De praktijk bewijst het. Op de affiches in Berlijn prijkt groot de kop van Gergiev in actie, de tanden blikkerend in maestro-stijl: de Kurfürstendamm hangt er vol mee. Maar in de plaatselijke Uitkrant wordt het Rotterdams Philharmonisch Orkest niet eens genoemd, terwijl twee latere concerten van het Chicago Symphony Orchestra onder leiding van Pierre Boulez in de Berlijnse Philharmonie wel keurig worden aangekondigd. Veelzeggend.

Niettemin hechten symfonieorkesten en hun bazen aan hun internationale uitwedstrijden. Ze leggen hun meer of minder plausibele argumenten op tafel. Reizen vergroot het saamhorigheidsgevoel, bevordert de speelcultuur en stimuleert de drang alles te geven wat je hebt, zoals geliefden doen tijdens hun eerste nacht. Als cultureel ambassadeur van het thuisfront is het orkest onderweg daarnaast heel bruikbaar als visitekaartje voor het Rotterdamse bedrijfsleven: met kunst als lokmiddel is het wellicht goed zakendoen. Je bent, kortom, als culturele instelling op alle fronten in de aanval: nieuw territorium, nieuw pu bliek, nieuwe wingewesten.

Die strijd wordt meestal met beproefde middelen gevoerd. Op avontuurlijk repertoire hoefden de Duitsers dan ook niet te rekenen. De programmering is op dit soort reizen volstrekt ondergeschikt gemaakt aan het succesrecept van Alle Dertien Goed. Op het programma geen Goebaidoelina, Ligeti, Klaas de Vries of Olivier Messiaen, maar de old warhorses waarmee publiek en pers zelf Discotabel kunnen spelen door ter plaatse vast te stellen of de Tweede symfonie van Rachmaninoff, Petroesjka van Strawinsky en het voorspel tot de Lohengrin van Wagner zich in hun Russisch-Nederlandse incarnatie staande kunnen houden naast de platenkast vol Ormandy, Boulez, Von Karajan en Haitink. En mocht dat door een speling van het lot niet lukken, dan kan het peloton de tranen deppen in de open doekjes voor de Griekse meesterstrijker Leonidas Kavakos. Deze besnorde, zwaar bebrilde stripfiguur – die in de verte wat doet denken aan de dwaze, uit het zicht verdwenen pianist Pierre Volondat – speelt met het Rotterdams vijf keer Sibelius’ grofstoffelijk agerende Vioolconcert alsof er werkelijk niets beters is, wat een verdienste van formaat mag heten.

Is Gergiev, als een der grootste maestro’s van zijn generatie, niet bevreesd dat het publiek vooral voor hem komt, en dat de kwaliteiten van zijn Rotterdamse troepen bijzaak zullen blijven? Ontkennend gebrom: «Ik ben niet zo egocentrisch om te denken dat het hier om mij gaat. Als het goed is, voelt het publiek de chemie tussen orkest en dirigent.»

En vreemd genoeg laat Gergiev zelfs zijn gemeenplaatsen zo overtuigend klinken dat je hem onmiddellijk gelooft. Dat is omdat je ziet dat hij voor zijn beginselen wil bloeden en die drang met zelfdestructie niets gemeen heeft, al duidt zijn werklast op het tegendeel. Ook dit seizoen is de agenda van de maestro weer een Gordiaanse knoop van bijna-strijdige belangen. Het begin van de Duitse tournee valt in de beste Gergiev-tradities samen met de staart van een Otello-reeks die Gergiev in de Parijse Bastille heeft gedirigeerd. En uiteraard breekt op de dag van de laatste voorstelling bij de Fransen net een staking uit, waardoor het transport van Parijs naar Duitsland maar nét goed gaat.

Hij is nu 53, en het lijkt een wonder dat hij zo ver is gekomen. Tot een eensluidend antwoord op bezorgde vragen over zijn gezondheid komt het niet. Half ironisch stelt hij vast dat reizen met de trein niet ideaal is, en dat het grauwe weer in Duitsland ook niet meewerkt.

Waarom laat iemand het er altijd zo op aankomen? Is het de ijdelheid? Die is genoeg be vredigd, en zijn bezetenheid dient hoorbaar ho gere verlangens dan kokette zelfbevestiging. Is het stupide innerlijke onrust, doelloos jagen? Daar zijn de rechte lijnen van zijn zendingsdrang te geloofwaardig voor. Dit is een slokop die muziek vreet als een heilsoldaat het evangelie.

Gergiev is een interessant fenomeen. Hij is alleen maar wil. En het is vrijgemaakte wil, die koninklijk regeert op een domein dat hij als zelfbenoemd ambassadeur van Russische muziek en van zijn muzikale gaven in het algemeen op eigen kracht veroverd heeft. Vandaar misschien dat Rotterdam hem nooit heeft opgegeven. Hij komt te laat, belast zijn broodheren voortdurend met de makke van zijn dubbele agenda’s, heeft overal ter wereld potten op het vuur staan die zijn aandacht vragen: festivals, het Mariinski-theater in Sint-Petersburg, de Metropolitan Opera in New York, de Wiener Philharmoniker. Maar hij heeft wisselgeld, de kolossale overtuigingskracht van iemand met één doel: het allerbeste. Hoe je het ook wendt of keert: als deze wereldwijd begeerde dirigent niet zo loyaal was, had hij Nederland veel eerder achter zich gelaten.

Dus gaat het hem misschien toch ook om het orkest. Maar wat zijn dan de specifieke kwaliteiten waarmee het Rotterdams Philharmonisch, naast de verdiensten van zijn dirigent, in Duitsland het verschil kan maken? Gergiev weet het: «Het Rotterdams staat qua klankcultuur relatief dicht bij de Engelse en Franse orkesttradities. Dat heeft te maken met de kracht van het geluid en de lichtheid van toon. De houtblazers hebben een kleurenpalet dat ze heel geschikt maakt voor het uitvoeren van Franse muziek.» Die kleur beviel hem goed, toen hij in Rotterdam kwam kennismaken. Aan de overige tonen in het spectrum heeft hij energiek gesleuteld: «Het koper is enorm veranderd, de strijkers hebben een totaal andere klank gekregen. Dieper, expressiever.»

De S-klasse houdt halt voor de artiesteningang van de zaal, waar Gergiev zijn woorden straks met daden mag bewijzen. Alles gaat verbazingwekkend goed vandaag. Van de angstige hectiek die optredens van Gergiev vaak begeleidt is niets te merken. Kalm converserend begeven we ons, omzoomd door een insectenzwerm van mensen die iets dringends met hem moeten, door het gangendoolhof rond de zaal naar de dirigentenkamer.

Het gesprek komt op Wilhelm Furtwängler, een van de grootste Duitse dirigenten van de afgelopen eeuw. Ik breng zijn dagboeken ter sprake. Of hij die gelezen heeft? Nee. Maar hij is plotseling volledig bij de les. Zijn ze in het Engels leverbaar? En wanneer zijn ze verschenen? Furtwängler beroert een snaar. Hij is een voorbeeld van de rol die een groot dirigent als missionaris van zijn muzikale wortels kan vervullen, net als hij. «Hij is een van de groten wier leven en missie je als dirigent dient te begrijpen. Er zijn in dit vak een handvol tradities. Furt wängler heeft voor het Duitse repertoire betekend wat Toscanini was voor de Italiaanse muziek.» En hij voor de Russische, al zegt hij dat niet met zoveel woorden. Met die ondertoon van manische monotonie belijdt hij, zoals altijd wanneer een journalist het weer eens niet kan laten om te graven in de diepe gronden van zijn raison d’être, andermaal zijn verbondenheid met de hoekstenen van het nationale repertoire. Tsjaikovski en Prokofjev, also very Russian, Sjostakowitsj, Rimsky-Korsakov.

Ook die herhalingsoefeningen komen er zonder morren uit: het doel heiligt de middelen. In alles wat hij zegt legt Gergiev verantwoording af, al moet het duizend keer. Met de Tweede symfonie van Rachmaninoff, die hij in Duitsland dirigeert, wil hij het beeld corrigeren dat van de ernstige componist een Hollywood-figuur heeft gemaakt. Hij heeft de mensen laten zien dat zelfs een hele avond Rimsky niet verveelt – noblesse oblige. Zijn mannen, zijn festivalthema’s in het Rotterdamse. Al wil hij zich niet tot eigen teelt beperken. Hij moet en zal zijn horizon verruimen: «Ik ga naar Linz met Bruckner, naar Parma met Verdi, naar Parijs met Berlioz.» Voelt hij wel eens angst, op vreemd terrein? Een mooie denkseconde. En dan dit: «Geen angst. Verantwoordelijkheidsgevoel.»

In de grote zaal van het Konzerthaus heeft het Rotterdams Philharmonisch Orkest de plaatsen ingenomen voor een korte repetitie. Zodra Gergiev de bok bestijgt, verandert de reizende profeet die ik zojuist een mooie avond heb gewenst in iemand die is thuisgekomen. Hij lacht, maakt grapjes, speelt de clown. Als een welwillende balletmeester danst hij zijn musici op voet van gelijkwaardigheid de malicieuze ritmen van Petroesjka voor, met een fysiek gemak dat prachtig is om naar te kijken. Hij zou een klompendans nog kunnen adelen tot pas de deux. Dit is wat hem op zijn goede dagen maakt tot wie hij is: zijn zin voor klinkende beweging.

Zo’n goede dag is het vandaag. Niet in het voorspel tot de Lohengrin, waarin het onbesuisde bioritme van de dirigent onmeetbaar maar waarneembaar lijkt te dissoneren met de wezenloos extatische pulsering van de trage Wagner, waardoor de kwaliteit van de frasering vreemd suspect wordt. Drie overheersende sensaties: kunde, ongemak, en rafelranden bij de strijkers. De balans herstelt zich in de animale begeleiding van Kavakovs weerbarstige gigantensolo en nog iets sterker na de pauze in Petroesjka, waar Gergiev de orkestrale tinten zo geraffineerd vermengt dat de klank sferen van respectievelijke taferelen elkaar overlappen als de kleuren en patronen op een vloeistofdia met elkaar versmelten; roes met voorbedachten rade. Het orkestgeluid is sculpturaal, een vormentaal die zich van hoekig tot bolrond beweegt tussen Zadkine en Henry Moore.

De open doekjes zijn voor Kavakovs ontwrichtend krachtige Sibelius. Kavakovs toegift – Les Furies uit Ysaÿes Tweede solosonate voor viool – wordt afgedwongen met robuust Berlijns gestampvoet waar Petroesjka, met zijn zachte slot, geheel volgens verwachting naar kan fluiten: publiek wil uitsmijters, geen stille aftocht. Speciaal voor Pruisen speelt het Rotterdams ter afsluiting een mars, een Russische: die uit de Liefde voor de Drie Sinaasappelen van Prokofjev. Ik proef een spoor van ironie: Rus vloert de Duitsers met hun eigen wapens.

En nu moet het Rotterdams Philharmonisch Orkest op jacht naar een nieuwe chef-dirigent. Zelf vindt Gergiev dat het met zijn vertrek over drie jaar zo’n vaart niet loopt. «Ik ga niet weg», zegt hij. «Het Gergiev Festival blijf ik doen.» Maar niet als chef-dirigent, de chef-dirigent die hij toch al nooit echt was, al was het maar omdat het leeuwendeel van zijn verplichtingen in festivalverband werd afgewikkeld. Dus blijft voor Rotterdam de vraag; hoe verder, en met wie, na alle schitterende en verschrikkelijke jaren met de tovenaar uit ver Ossetië?

Een jonge, energieke kracht – zou dat wat zijn?

Cynthia Wilson, sinds deze maand artistiek leider van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, slaakt een zucht. Waarom zegt toch iedereen altijd dat het een jonge dirigent moet zijn?

Misschien omdat een jonge dirigent nog tijd heeft? De energie om serieus, zonder voortdurend naar Parijs of Petersburg te hoeven, met een Rotterdams orkest te kunnen werken? Opdat eens orde heerst waar chaos schitterde?

Wie weet. Maar voorlopig is er niemand. En de lat ligt hoog, misschien te hoog. Dankzij de man uit Ossetië, The Wizard of Os.