Het debutanten-Jubileum

Theater

Als toneelregisseur kun je al 25 jaar debuteren bij Fact in Rotterdam. De debutant komt met eigen materiaal (bestaande tekst of tas vol ideeën), zoekt eigen acteurs uit, een kleine maar effectief werkende organisatie helpt bij de productie en telefoneert een tournee van zo’n twintig voorstellingen bij elkaar. Daarna mag de debutant nog één keer terugkomen, vervolgens moet-ie op eigen benen verder. Een en ander heeft mooi en minder mooi toneel opgeleverd, gemaakt door een veelvoud aan gekken die tegen de keer van het medium toneel bleven houden. Nu bestaan ze een kwart eeuw en dat moet gevierd. Het debutantenjubileum. De jongens en meiden van Fact zijn niet van de straat en opereren allang niet meer exclusief in kleine toneelzaaltjes, dus werd voor het jubileum vier dagen de Rotterdamse schouwburg afgehuurd.

Ik hield er een merkwaardige avond aan over. Met om te beginnen veel vragen. Moet een jubileum gevierd worden? En waarom dan? Omdat je het al die jaren hebt volgehouden? Lijkt me een slecht motief. Een andere reden kon ik aanvankelijk niet ontdekken. De avond opende met een container teksten van de Oostenrijkse schrijver Thomas Bernhard (volgend jaar twaalfeneenhalf jaar dood, weer een jubileum), elektronisch versterkt uitgesproken door de acteur Remco Melles, die cirkels liep op het leeggeruimde grote schouwburgpodium, waar lampen en doeken naar beneden zakten en weer omhoog werden gehesen, en waar een barbiepop (Marleen Stolz) vrolijk kirrend en nippend aan champagne onder een neergestorte piano lag. Is dit een debuut? Nee. Werk van regisseur Bart Danckaert was al elders te zien. Is dit een verwijzing, misschien door die zeepkist (debutantenplek voor sprekers) midden voor op het podium? Nee. Want dan had het simpeler gekund. Nu bleef Op de hoogte/Reddingspoging/Onzin steken in een krachteloos raadsel. Daarna konden we onthand dwalen door dat grote gebouw van Quist.

Hier en daar was een lezing van een oude Fact-tekst, hulpeloos gebaar van een jubileumorganisator met gebrek aan ideeën. Er was een tentoonstelling met glazen vitrines en monitoren-met-koptelefoon (is dit het Theatermuseum, dat ligt toch in Amsterdam?). Er was een jubileumboek, dat er eerst vooral níet was en daarna toch weer wel. De vraag ‘Waar gaat dit over?’ werd ondertussen almaar hardnekkig níet beantwoord.

Toen ging, tegen tienen, de grote zaal weer open. Het podium was volgebouwd, met een huiskamer, een keuken, heel veel techniek, acteurs (van Toneelgroep Amsterdam) naast enkele vaste performers en vormgevers van de vrouw die en passant opeens dé-regisseur-van-de-avond werd: Carina Molier. Geen debutant, want al tien jaar op eigen kracht haar prachtige, eigen weg zoekend. In december van dit jaar maakt zij haar nieuwste voorstelling, Ruigoord, bij (de dan nog net ‘oude’) Toneelgroep Amsterdam.

Deze avond kregen we een ‘pilot’ van die voorstelling te zien, geen friemeltje van tien minuten, maar meteen vijf kwartier voluit theater: Ruigoord: De geboorte. In deze op een vertelling van Gerben Hellinga geïnspireerde gebeurtenis herbeleeft een van de personages (verklankt door Gerardjan Rijnders) de nacht van zijn geboorte, dezelfde nacht waarin een paard aan de rand van de snelweg sterft door toedoen van een beschonken automobilist, de vader van de kersverse baby. De met live gemixt geluid en fascinerende videobeelden doorspekte nachtmerrie, gespeeld door onder meer Joop Admiraal, Janni Goslinga en Arie de Mol, is met het woord ‘veelbelovend’ nog vrij mager omschreven. Molier onderstreepte met haar theatrale daad in ieder geval glashelder het idee dat altijd vast in het werk van Fact is verankerd: geef talent de tijd, de rust en de adem buiten de gevestigde kaders, en zie welk een rijkdom je oogst.

De enigszins ronkende mededeling dat Fact straks met Toneelgroep Amsterdam optreedt als co-producent van Ruigoord verbleekt bij die kracht, als de mop van de muis en de olifant op de houten brug.