Theater met eiken

In een land zonder overweldigende bergen en duistere ravijnen prikkelen kreupele bomen de verbeelding. Ze kunnen, weten we uit sprookjes, makkelijk worden gezien als vervaarlijke gestalten die met krakende stem gaan spreken.

Behalve een landschap is het schilderij De twee eiken, van Jan van Goyen, ook een theatraal stuk spektakel, beheerst maar sluw in elkaar gezet. In de verte zien we, onderlangs de horizon, een rivier lopen. De kleur daarvan is licht glanzend blauw maar ook met iets groenigs want het lage weideland dat de rivier omzoomt, is een gedempt en grijzig groen met, voor het evenwicht van toon, nog een spoor van blauw erin. Aan de overkant van de rivier zien we beboste hellingen in dezelfde typische menging van blauw en groen die in de schilderkunst al van oudsher de klassieke kleur is om heiige verte aan te geven. In dit landschap heeft Van Goyen, ook voor een uitgewogen tonaliteit, er nog wat lichtgrijs aan toegevoegd. Vanaf de horizon is de lucht bedekt met grijze wolken. Alleen helemaal links is een lichte plek open gebleven – wat goed uitkomt, want daartegen kan zich dan de spits van een kerktoren beter aftekenen. Die toren is deel van een groep gebouwen die daar staat: die zijn in monochroom bruin geschilderd, net als de rest van die passage verder zanderig land, met ook nog wat geboomte ertussen, dat tussen het groenige land langs de rivier, in de verte, ligt en het duin met de eiken op de voorgrond.

Het landschap bestaat dus uit drie brede stroken. De torenspits staat op een kerkgebouw in het midden van de diepte, maar omdat hij zo duidelijk afsteekt tegen de heldere lucht boven de horizon links werkt hij als een markeerpunt waartegen we (onwillekeurig) de weidse ruimte van de lucht kunnen aflezen. Net zo ruimtelijk functioneert het staande mannetje met een rood wambuis, bij de eiken, die voor een stukje immers ook boven de horizon uit komt. Hij is een kleine vlek rood. Zijn zittende metgezel is blauw. Dat zijn in het monochrome grijs en bruin die de toon van het schilderij hoofdzakelijk bepalen eigenlijk de enige heldere kleuren. Die twee, die elkaar op hun wandeling zijn tegen­gekomen en aan de praat zijn geraakt, maken van het landschap een rustig tafereel. Daarbij helpt ook de wandelaar die we op de rug zien en die dus al weer verder is gelopen. Omdat hij kennelijk naar beneden loopt, naar de gebouwen misschien in het lagere land, geeft zijn aanwezigheid en passant aan dat waar de twee eiken staan een hoger gelegen plek is. Ten overvloede, wilde ik bijna zeggen, maar daar moet je, met verder zo’n sober schilderij, voorzichtig mee zijn.

Natuurlijk zijn de twee knoestige oude eiken het echte hoofdmotief in deze mise-en-scène. Maar het is met de kleinere effecten eromheen (waarvan ik er enkele beschreven heb) dat de kunstenaar langzaam en zorgvuldig de omgeving opbouwt waarin de plaats waar de eiken staan een aparte plek kon worden. Omdat de lucht grijs bedekt is, is het logisch dat de voorgrond, waar het landschap begint, in donkere schaduw ligt. Wat bleek zonlicht valt wel nog net op de glooiing vlak voor de twee bomen waar de grond van rul zand is zodat die lichtplek bijna wit is. Vanaf de rand van die lichtste passage in het schilderij verheffen zich de twee eiken als vreemde, machtige gedrochten. Helemaal links op de voorgrond zien we nog een verhoging van donkerbruine aarde met wat struikgewas als begroeiing (maar ook om ruimte te markeren). Rechts achter de bomen, daar waar het duin het hoogst lijkt, zien we de kruinen van een groep bomen die daar staan waar de helling weer naar beneden loopt. De donkere verhoging links en de boomkruinen rechts begrenzen, samen met de schaduw op de voorgrond, de plek waar de eiken staan. Daardoor lijkt dat, in de weidse ruimte van het landschap, een wat aparte plek. Met de vale belichting op het okerwitte zand en ook, achter de eiken, de vlaag licht die de hoogte van het duin aangeeft, lijkt de plek op een soort podium.

Daarop staan de eiken. In het grijze licht waartegen ze worden vertoond, wordt hun contour getemperd en werken ze als een vreemd vergroeid, knoestig volume – als een boeket van kromme, kronkelende vormen. In de verdere rust van het slaperige zomerlandschap werken ze dramatisch en monumentaal. Ze laten ook zien met welke bravoure Van Goyen schilderen kan. Er moet een reden zijn waarom hij, in de context van een gewoon landschap, een portret maakte van deze twee eiken. In een land zonder overweldigende bergen en duistere ravijnen zijn het zulke kreupele bomen die daarom tot de verbeelding gaan spreken. Ze kunnen, weten we uit sprookjes, makkelijk worden gezien als vervaarlijke gestalten die met krakende stem gaan spreken. Denk alleen maar aan de hoekige zwarte contouren waarin ze zich bij nacht en ontij vertonen, in het harde licht van de bliksem. Dat alles kan ik me voorstellen. Daarom zijn die voorstellingen deel van het schilderij.