Theater van de toekomst schouwburgen die door de herziening van het bestel in onoplosbare problemen komen, worden tegen symbolische bedragen te koop aangeboden aan endemol

I. Eerst gaan we een paar mensen en dingen afschaffen.
De eerste die sneuvelt is Steve Austen, directeur van The Felix Meritis Foundation. Deze zogenaamd op internationale leest geschoeide, prietpraat uitbrakende kobold wordt definitief verbannen naar een verre provincie, het liefst een onbewoond eiland, waar hij het handwerk opnieuw mag leren in een lokaal cultureel centrum zonder publiek.

Zijn prachtige gebouw, het voormalige Shaffy Theater aan de Amsterdamse Keizersgracht, wordt voor onbepaalde tijd overgedragen aan Jan Joris Lamers en Maatschappij Discordia, te beheren samen met een aantal jonge Nederlandse en Vlaamse groepen (zoals STAN, De Roovers, Dood Paard en ’t Barre Land). Het gebouw gaat weer gewoon Felix Meritis heten en Lamers en de zijnen richten er onder meer een Nationaal Instituut voor Theateronderzoek in, in navolging van het fameuze instituut dat Jan Kassies jaren in beheer had.
Dit instituut draagt ook zijn naam: Het Jan Kassies Theaterlaboratorium. Het wordt een huis voor schrijvers, acteurs en actrices, regisseurs, ontwerpers. Je mag er nadenken, uitproberen, stamelen en stotteren, je hoeft er niks. De resultaten zijn er iedere maand te zien, in een sessie die opnieuw de erenaam De Republiek heeft. Naar Steve Austen wordt een plantsoen in de Bijlmermeer vernoemd.
Voorts schaffen we het Holland Festival af. Nu de overheid voor een dergelijk festival nog slechts een fooi overheeft, erkennen we de realiteit: het is over, de ruimte voor een Nederlands festival bestaat niet meer. Rouwig hoeven we daar niet om te zijn. Op het gebied van muziek, muziektheater en dans vinden er in het reguliere Hollandse circuit voldoende boeiende initiatieven plaats, daar hebben we een Holland Festival niet meer voor nodig. Wat we in Nederland echter node missen, is een goed zicht op wat er aan toneel in de ons omringende landen wordt gemaakt.
De huidige subsidie voor het Holland Festival wordt in mijn kleine utopie gehalveerd. De ene helft vloeit naar het Fonds voor de Podiumkunsten, ter stimulering van jong theatertalent. De andere helft wordt toegevoegd aan de subsidie voor Het Theaterfestival, dat er zodoende een stevige buitenlandpoot bij krijgt. Vanaf september 2000 krijgen we op deze manier tijdens het jaarlijkse Theaterfestival niet alleen de meest belangwekkende Nederlandse en Vlaamse toneelvoorstellingen te zien, maar ook interessante toneelvoorstellingen uit (om te beginnen) Frankrijk, Engeland en Duitsland. Theaterfestivaldirecteur Arthur Sonnen kan die buitenlandpoot er voorlopig gemakkelijk bij nemen, bovendien is hij vooralsnog de meest gekwalificeerde persoon voor die taak.
Over de dreigende werkloosheid van de zittende Holland Festivaldirecteur, Ivo van Hove, hoeven we ons geen zorgen te maken. Die wil tegen 2000 vooral een rol spelen in het toneelaanbod binnen de Randstad, dus het komt ook hem goed uit.
II. De totale crisis in het grootschalig geproduceerde toneel in Nederland moet per 2000 echt worden erkend: na de teloorgang van de grote gezelschappen aan het eind van de jaren zestig heeft het grootschalige toneel in Nederland sowieso niet echt veel meer voorgesteld, onder meer doordat de middelen almaar minder werden. Martin van Amerongen heeft vrijwel nooit een volledig bezette Shakespeare kunnen aanschouwen, hij (en velen met hem) werden tureluurs van al die dubbelrollen.
De krachten worden anno 2000 gebundeld, de crisis wordt effectief bestreden. De drie Randstedelijke toneelgezelschappen (Toneelgroep Amsterdam, Het Nationale Toneel en Het RO Theater) plus de na het vertrek van Erik Vos verweesd achtergebleven Toneelgroep De Appel worden per 1 januari 2000 als zelfstandige toneelproducenten opgeheven. Er wordt één Randstedelijk theatergezelschap geformeerd (over de naam schrijven we een prijsvraag uit, ik zou De Zwaan wel wat vinden).
Dit gezelschap bestaat uit enkele kernen, die hun eigen organisatiestructuur hebben. Elke kern heeft een eigen opdracht: het brengen van klassieke en modern-klassieke stukken op grote podia en in middenzalen, het presenteren van nieuwe (als het even kan Nederlandstalige) stukken in middenzalen en op kleine podia, het brengen van experimenteel werk in kleine zalen, etcetera.
De artistiek leiders van de diverse kernen zijn gedeeltelijk autonoom (ook in de besteding van hun budget), ze overleggen regelmatig onder leiding van een ‘wijze man’ (of vrouw). De artistiek leiders van de diverse kernen rouleren om de twee à drie jaar. Er komt één facilitair bedrijf (decor- en kostuumwerkplaats, opslag van decor en kostuums, licht, techniek, vervoer).
Er zijn twee strikte subsidievoorwaarden:
Een. Alle kernen werken minstens één keer per seizoen samen om een groot gemonteerde toneelproduktie uit te brengen;
Twee. Aan alle kernen wordt per periode van twee à drie jaar jong talent verbonden (acteurs, actrices, ontwerpers, technici en regisseurs).
Er gelden voor dit grote Randstedelijke gezelschap beperkte reisverplichtingen. Steeds één kern van de troep strijkt gedurende een bepaalde tijd in een regio neer. Aan de participerende schouwburgen en theaters binnen die regio worden strikte voorwaarden gesteld: veel publiciteit, gedegen publieksbegeleiding, goed georganiseerde nabesprekingen, contact met scholen, toegangsprijzen naar draagkracht. Theaters die aan die voorwaarden niet voldoen, komen op een zwarte lijst. Op den duur worden zij door de kernen van het Randstedelijke gezelschap niet meer bezocht.
III. De zogeheten 'toneelvoorzieningen’ in Groningen, Arnhem, Eindhoven en Maastricht (Noord Nederlands Toneel, Theater van het Oosten, Het Zuidelijk Toneel, Het Vervolg) vertrekken uit de regionale schouwburgen (voorzover dat al niet is gebeurd). Ze bespelen primair de lokale en regionale middenzalen en vlakke-vloertheaters. In deze 'voorzieningen-nieuwe-stijl’ nemen makers (jong en oud) die hun talent hebben bewezen, de artistieke leiding over. Wie dat zijn en hoe lang ze kunnen blijven werken, wordt mede bepaald door de Commissie Theater van de landelijke Raad voor Cultuur, en door lokale en regionale adviescolleges voor de kunsten - op voorwaarde dat de leden van die commissies vaker gaan kijken en qua personele bezetting worden aangesterkt. De artistiek leiders van de regionale theatervoorzieningen rouleren per Kunstenplan (vier jaar) of per twee Kunstenplannen (acht jaar).
De schouwburgen in de regio’s Noord-Nederland, Gelderland en Overijssel, Noord-Brabant en Limburg nemen (mede via eigen programmeringsgeld) regelmatig het initiatief om de regionale toneelvoorzieningen speciale voorstellingen te laten maken voor hun grote zalen, op voorwaarde dat die voorstellingen daar gedurende een ruime, aansluitende periode zijn te zien. Voor de rest moeten de regionale schouwburgen maar zien hoe ze hun zalen vol krijgen. 'Verendemolisering’ is niet uitgesloten. 'Sandwichformules’ ook niet: Herman Finkers, Martine Bijl, Herman van Veen, Youp van ’t Hek naast produkties van 'de commerciëlen’ en de regionale toneelvoorzieningen en naast (als ze aan de hierboven beschreven voorwaarden voldoen) produkties van één van de kernen van het Randstedelijke gezelschap. De rest zullen de regionale schouwburgen moeten vullen met kienavonden en de feesten van de lokale carnavalsverenigingen.
IV. De bestaande Produktiehuizen en Werkplaatsen (zoals: Toneelschuur Haarlem, Nes-theaters Amsterdam, De Vorst Tilburg, Grand Theater Groningen, Het Kruis van Bourgondië Maastricht, InDependance Arnhem etc.) blijven bestaan. Ze worden vierjaarlijks getoetst door adviseurs van de Raad voor Cultuur en door regionale kunstbobo’s - op voorwaarde dat die wel komen kijken. Ik stel voor dat ter nakoming van de verplichting tot 'komen kijken’ aan de adviseurs en bobo’s stempelkaarten worden uitgereikt: ze mogen gratis de voorstellingen in, maar ze moeten hun kaart laten afstempelen. Te weinig stempels betekent onverbiddellijk: adviseur-áf!
Ook de structureel gesubsidieerde kleine groepen (bijvoorbeeld Carrousel, Art&Pro, Theatergroep Hollandia, Mug met de Gouden Tand, Maatschappij Discordia, De Federatie, De Paardenkathedraal, etcetera) blijven in principe voortbestaan. De plaats wáár ze voortbestaan staat overigens ter discussie. Een te hoge concentratie van dergelijke groepen in de Randstad is niet gezond, er mag best wat worden uitgezwermd. Het artistiek recht van bestaan van deze kleinere theatergroepen wordt vierjaarlijks getoetst. De Raad voor Cultuur organiseert regelmatig debatten over de vraag of de artistieke kernen van deze zogeheten 'middengroepen’ zichzelf wel of niet hebben overleefd, of toe zijn aan doorstroming naar ofwel de regionale voorzieningen, of naar één van de kernen van het Randstedelijke gezelschap.
V. Via bovenvermelde operatie komt geld vrij: de overhead van de Randstedelijke gezelschappen (door bezuinigingen in de sfeer van decor- en kostuumwerkplaatsen, techniek en vervoer) vermindert aanmerkelijk, de helft van het Holland Festival-budget komt vrij. Binnen de politieke partijen is langzamerhand ook enige wijsheid ontstaan: de begroting voor de kunsten moet omhoog (vindt ondertussen zelfs de VVD van kunstminnaar Frits Bolkestein). De door deze operatie (en door de politieke wijsheid) beschikbaar komende gelden, worden overgeheveld naar regio’s. Onder twee strikte voorwaarden:
Een. De regio’s besteden het 'nieuwe’ geld primair aan kleinschalige theaters - zowel aan de exploitatie van kleine podia als aan bescheiden 'theaterlaboratoria’ die expliciet zijn gereserveerd voor jonge makers. De voorwaarde aan die jonge makers is dan wel dat ze zich voor een bepaalde tijd in de betreffende regio vestigen - niet iedereen kan almaar in de Randstad blijven plakken;
Twee. De regio’s besteden de rest van de vrijgekomen gelden exclusief aan theater dat voor kinderen en jongeren wordt gemaakt. Sleutelwoord: de opbouw van nieuw publiek. Weliswaar wordt het theater voor kinderen en jongeren in de diverse regio’s al goed gesubsidieerd, maar er zijn op dat terrein in de afgelopen jaren achterstanden ontstaan die nodig moeten worden opgelost.
VI. Toegegeven, deze operatie dreigt een niet onaanzienlijke groep theatermakers werkloos te maken. Op het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen wordt daarom een werkgroep geformeerd (bestaande uit door bovengenoemde operatie in hun werkgelegenheid bedreigde ambtenaren) die een sociaal plan maakt voor de theatermakers die zonder werk komen te zitten.
Gedacht wordt dan vooral aan het plaatsen van acteurs, actrices, ontwerpers, regisseurs en technici op de diverse kunstopleidingen. Daar wordt de ervaring en de kundigheid van veel mensen die hun diverse sporen in het theaterlandschap hebben achtergelaten, node gemist.
De toneelopleidingen worden in dit plan overigens drastisch gesaneerd. Vier acteeropleidingen blijven bestaan: Amsterdam, Arnhem, Maastricht en Utrecht. Voorwaarde is dat iedere school een herkenbaar artistiek gezicht toont - dat mag een stijl zijn, of een doorslaggevende stroming in het theater van de twintigste eeuw die in de volgende eeuw verder kan worden ontwikkeld. Minimaal één van de opleidingen neemt de taak op zich om de invloeden uit andere theaterculturen tot leidraad van haar programma te nemen, de 'theaterantropologie’.
Verder komt er één regieopleiding (een samenwerking tussen Amsterdam en Utrecht) en blijft er één mimeschool (die verhuist van Amsterdam naar de regio) en één zogeheten 'tweede-faseopleiding’ theater, voor mensen die al ervaring hebben opgedaan maar willen doorzoeken (dat blijft Dasarts van Ritsaert ten Cate, maar dan wel als volledig autonoom laboratorium).
De studies Theaterwetenschappen (Utrecht, Amsterdam en Groningen) worden in hun huidige staat opgeheven. Er komt één op de praktijk van het theater georiënteerde wetenschappelijke studierichting, in Groningen.
VII. Schouwburgen (in steden en in de provincie) die door deze herziening van het toneelbestel in onoplosbare problemen komen (ze krijgen de exploitatie niet meer rond, de zalen lopen leeg, het publiek komt niet meer) worden tegen symbolische bedragen te koop aangeboden aan de firma Endemol en andere commerciële uitbaters. Deze zalen gaan bijvoorbeeld dienen als locaties voor landelijke en regionale televisieopnamen, als ontspanningscentra of als locaties voor de Henny Huisman-shows en de Staatsloterij-op-locatiespektakels. De subsidiërende gemeenten delen in de recettes van deze programma’s.
Wanneer deze operatie tegen het jaar 2001 is voltooid, maakt het gezelschap Het Toneel Speelt (onder leiding van Hans Croiset, en tegen die tijd geheel gesponsord door de ING-bank en de Dienst Parkeerbeheer van Amsterdam - die immers helemaal niet meer weet waar hij met de centen naartoe moet) weer een jaarlijkse traditie van Vondels Gysbrecht van Aemstel. Locatie: de Amsterdam Arena. Joop van den Ende in de rol van Gysbrecht, Linda de Mol als Badeloch, en John de Mol als Vosmeer de Spie.
Tegen die tijd heeft het Nederlands toneel per slot van rekening immers iets te vieren!