Hoofdcommentaar

Theaterbrand

‘EEN VOLTAIRE ARRESTEER JE NIET’, schijnt Charles de Gaulle te hebben gezegd toen Jean-Paul Sartre zich in 1960 weer eens van zijn dwarse kant liet zien. De filosoof had een oproep tot onafhankelijkheid voor de toenmalige Franse kolonie Algerije ondertekend. Diverse ministers drongen aan op zijn arrestatie, maar de president voorkwam die en bewees daarmee de Franse democratie een dienst. Politieke controverses moeten in de publieke arena worden uitgevochten, niet weggemoffeld met administratieve maatregelen.
Veruit de meeste Europeanen zullen dit standpunt onderschrijven. Een Voltaire moet vrijuit kunnen spreken. Maar mag je het onnozele achterneefje van Voltaire wel het land uitzetten, zoals de Britten hebben gedaan? Dat neefje maakt films, schrijft ingezonden stukken en houdt toespraken om te waarschuwen tegen wat hij de ‘islamitische ideologie’ noemt. Erg verheffend is het allemaal niet, maar dat zijn de reacties die hij oproept ook niet. Dat maakt het onophoudelijke circus rond Geert Wilders zo verontrustend: het gebrek aan weerwoord van zijn tegenstanders.
De redenen die de Britse regering aanvoerde om hem te deporteren zijn van bedroevend niveau. Zo bedroevend dat je de indruk krijgt dat Whitehall een smoes zocht om tegemoet te komen aan de inmiddels gebruikelijke chantage van de vertegenwoordigers van islamitisch Groot-Brittannië. Een prominent islamitisch Hogerhuislid van Labour, Lord Nazir Ahmed, dreigde zelfs dat hij zijn achterban niet in de hand zou kunnen houden als Wilders werd toegelaten. Diezelfde Lord Ahmed misbruikte in 2005 het Hogerhuis om een boek van de notoire Russische antisemiet Israel Shamir te promoten.
Minister van Buitenlandse Zaken David Miliband had Fitna niet gezien. Niettemin oordeelde hij dat de film ‘extreme moslimhaat’ propageert en dat Wilders ‘niet het recht heeft om brand te roepen in een vol theater’. De man die hij onvolledig en onterecht citeerde is de legendarische Amerikaanse opperrechter Oliver Wendell Holmes. De woorden stammen uit de opinie die Wendell Holmes schreef in de zaak Schenck v. United States uit 1919.
Charles Schenck, de secretaris van de Amerikaanse Socialistische Partij, had zes maanden gevangenisstraf gekregen omdat hij in oorlogstijd had opgeroepen tot desertie. Schenck beriep zich op het eerste amendement op de Grondwet, dat vrijheid van meningsuiting garandeert.
Wendell Holmes wees het herzieningsverzoek af omdat Schencks oproep een ‘onmiskenbaar en onmiddellijk gevaar’ voor de samenleving opleverde. ‘Zelfs de rechtlijnigste verdediging van de vrijheid van meningsuiting biedt geen bescherming aan een man die valselijk brand roept in een theater en paniek veroorzaakt’, schreef Holmes letterlijk. ‘Valselijk’. Dat woord was cruciaal. In de daaropvolgende jaren ergerde Holmes zich groen en geel omdat dit woord vaak werd weggelaten wanneer hij werd aangehaald. Toen hij na een reeks theaterbranden met dodelijke slachtoffers wederom met het onvolledige citaat om de oren werd geslagen, riep hij uit: ‘Als de boel verdorie in de fik staat, mag je brand roepen zo veel je wilt.’
Europa staat niet in brand door toedoen van islamitische infiltratie en geestdrijverij, zoals Wilders meent, maar het stinkt er wel een beetje. Hier en daar kringelt rook uit de ventilatieroosters en de brandweerman die normaliter in de coulissen zit, is in geen velden of wegen te bekennen. Onder het personeel bevinden zich enkele notoire pyromanen, maar het management wil daar niets van weten en maant op hysterische toon tot rust. Wie onder die omstandigheden lekker op zijn stoel zit, mag het zeggen.