Essay: Heldenmoed en heldendom

Theedrinker met wandelstok

Waar de klassieke held zich fier te paard op het slagveld begaf, trok de held van de Romantiek rusteloos over bergen en door dalen, al treurend om de vergeefsheid van zijn daden. Deel 2 uit de serie Heldenmoed: De byroneske held.

Medium loureed1

TWEE MAANDEN TERUG stierf in New York de 44-jarige brandweerman John McNamara aan kanker. Hij was een van de vele helden die tijdens 9/11 in actie kwamen om mensen uit de brandende en ineen zijgende torens van het World Trade Center te sleuren. Bij zijn begrafenis stonden honderden collega’s in uniform langs Fifth Avenue om hem de laatste eer te bewijzen. Hij kwam voorbij op een door politie geëscorteerde brandweerauto. Zoon Jack, drie jaar oud, droeg zijn vaders helm naar het graf.

McNamara was ongetwijfeld een moedig man. Maar wanneer is een moedige man of vrouw een held? Dat gebeurt pas op het ogenblik dat hun daden publiekelijk als dapper gedrag worden erkend en geprezen. Een van de gebroeders De Goncourt heeft er eens op gewezen dat een boek nooit bij verschijnen een meesterwerk is, het moet dat altijd eerst worden. ‘Le génie est le talent d’un homme mort’, schreef hij wat somber. Precies zo is de held pas een held wanneer hij door anderen tot held is gemaakt, en net als bij schrijvers is dat meestal niet voordat hij sterft. Bij de New Yorkse brandweermannen lag dat iets anders; ze hoefden niet allemaal meteen dood om hun heldenstatus te bereiken. Want de geschokte Amerikaanse gemeenschap had troost nodig en zelfvertrouwen en helden worden op zo’n moment uitgevonden om die troost te bieden en dat vertrouwen te herstellen. Dus niet alleen de dode, ook de nog levende brandweermannen kregen een heldenstatus.

Met deze psychologie van de koude grond wordt het verschijnsel van de heldhaftige brandweerman een tijdloos fenomeen, net als helden uit de vele oorlogen die sinds mensenheugenis zijn gevoerd. Toch zijn helden door de eeuwen heen niet van dezelfde snit. Je kunt zelfs volhouden dat elke tijd zijn eigen held heeft en dat het je pas lukt een historische periode te begrijpen als je de held van die periode in kaart hebt weten te brengen. Zo beschrijft Johan Huizinga in Herfsttij der Middeleeuwen de held van de veertiende eeuw als een ridder die bij toernooien fier te paard de sluier bij zich draagt van de vrouw wier eer hij verdedigt, een ruiter in glanzende wapenrusting, wiens moed op het slagveld in romances wordt bezongen, terwijl het alledaagse vuile werk van oorlog en politiek in die zangen buiten beschouwing blijft.

De held van de Renaissance is nog wat geciviliseerder. Hij wordt de verfijnde hoveling, die zowel schermen kan als dansen, jagen en poëzie schrijven; hij toont met andere woorden zijn moed in oorlogs- en in vredestijd. Het in vele talen verschenen en in de zestiende eeuw in zo’n honderd edities uitgekomen Boek van de Hoveling (1528) van de Italiaanse diplomaat Baldesar Castiglione beschrijft hoe de held van de Renaissance zich van het traditionele ideaal van de Great Warrior afkeert. Wanneer in dit boek een vrouw aan het hof zich door een ridder ten dans wil laten vragen, en hij stuurs reageert omdat zulke wuftheden buiten zijn beroep vallen, informeert ze wat zijn beroep dan eigenlijk inhoudt. ‘Vechten’, zegt de man, waarop ze hem aanraadt zichzelf, nu het geen oorlog is, goed in te vetten en met wapens en al in een kast te laten opbergen, ‘tot men u nodig heeft, anders raakt u nog erger vastgeroest dan u nu al bent’.
Een tijdgenoot van Huizinga, de Franse historicus Paul Hazard, wees op een verandering in het ideaalbeeld van de mens rond het begin van de achttiende eeuw. Gaandeweg komt gedurende deze eeuw de bewondering voor de aristocratische levenswijze onder druk te staan. Lang voordat duizenden adellijke hoofden in het mandje van de guillotine rolden, was het gewelddadige karakter van de held reeds ingewisseld voor iets anders. Het aristocratische ideaal werd vervangen door dat van de burger; men verving, aldus Hazard, zijn degen door een wandelstok, men bezocht het koffiehuis en las de krant.

Nu is het de vraag of we dit nieuwe ideaal van de kritische, zelfbewuste, handel drijvende burger nog wel met heldendom in verband mogen brengen. Is niet een zekere fysieke weerbaarheid een noodzakelijke voorwaarde voor heldendom, ik bedoel, kan een held wel bestaan zonder af en toe een flinke knokpartij? Kunnen we de bewandelstokte burger en zijn Engelse variant, de gentleman, nog wel een held noemen? En als elke tijd zijn eigen helden heeft, wat zijn dan daarna, of om het wat scherper te stellen: tegenwoordig onze helden?

WIE DOOR HET onderwerp wordt aangestoken en bereid is met een wat al te grootse en weidse blik op het verleden terug te kijken, ontwaart de held in drie verschijningsvormen. Om te beginnen de klassieke held, die door Baldesar Castiglione beschaafd terzijde werd geschoven, waarna het karwei door Miguel de Cervantes in zijn Don Quichot meesterlijk werd afgemaakt. Ten tweede de romantische held, die we in zijn meest spectaculaire en invloedrijke vorm in de vermomming van de Byronic Hero aantreffen, en ten slotte de hedendaagse held, die zich nooit meer helemaal los kan maken van Lord Byrons talloze onhebbelijkheden.

De klassieke held is in de eerste plaats een strijder, vaak van goddelijke afkomst, zoals Heracles, die de veelkoppige Hydra doodde en de Leeuw van Nemea. Of zoals Achilles, de grootste vechtersbaas van de Trojaanse Oorlog. De klassieke held is niet alleen oersterk, hij bezit soms ook magische krachten en weet anders wel het nodige door list te bereiken. Odysseus’ trucs zijn bekend: hoe hij het plan bedacht om Troje met het houten paard te veroveren, hoe hij op zijn schip aan de onweerstaanbare Sirenen ontsnapte door zich aan de mast te laten binden terwijl zijn mannen hun oren met bijenwas hadden dichtgestopt. De klassieke held is een man, meestal van uitzonderlijke geboorte. Meestal groeit hij op in een ver land voordat zijn optreden begint; hij wordt op de proef gesteld en slaat zich er al dan niet letterlijk doorheen, waarna hij een of meer heldendaden met de dood moet bekopen.
Het idee van de klassieke held als een voorbeeld van moed houdt lang stand. Ook bij dat geciviliseerde voorbeeld van de hoveling van Castiglione, bij wie de brute kracht op de achtergrond is geraakt. Eigenlijk is de Don Quichot het eerste verontrustende teken dat het niet zo goed meer gaat met de held en dat zijn bewonderenswaardigheid in beklagenswaardigheid dreigt om te slaan.

Wie kent hem niet, de onvergetelijke ridder op zijn schriele knol, ronddolend met de flegmatieke zuiplap Sancho Panza? Hij is natuurlijk een persiflage op de held als ridder, maar wel een dubbelzinnige persiflage. Want een held werd hij ook. Of het nu gaat om de roemruchte Amadis van Gaule, volgens Don Quichot ‘ver verheven boven de ridders van zijn tijd (…), de noordster, de morgenster, ja, de zon der dappere en verliefde ridders’, of om de moedige Palmarijn van Engeland dan wel om andere draken dodende of de Graal najagende ridders en avonturiers, na lezing van het boek valt het je voortaan lastig ze nog helemaal serieus te nemen. Niet alleen worden deze helden door Don Quichot de vergetelheid in gedreven, het heldendom zelf gaat met dit boek voorgoed op de helling.

Medium loureed3

WIE DENKT AAN de eeuwen erna, vooral aan de eeuw waarin de held was gedegradeerd tot een thee drinkende, de beursberichten lezende gentleman, tot iemand met een wandelstok, begrijpt dat de Romantici rond 1800 het gemis aan echte helden als een probleem begonnen te ervaren. Zij zochten en vonden nieuwe helden en ontwierpen een nieuwe heroïek. Maar hoe dubbelzinnig en ironisch werd deze heroïek! De Romantici vonden hun helden in de eerste plaats namelijk in de literatuur, bij de in reputatie zo gedaalde Shakespeare. Othello, MacBeth en Hamlet konden best een potje vechten, alleen werden ze pas helden omdat ze in de greep raakten van een destructieve passie die hun het leven kostte, terwijl ze in één moeite door dat van hun naasten meesleepten in hun val. En Don Quichot werd in de Romantiek misschien de grootste held, juist vanwege zijn tragiek, een held te willen zijn zonder het te worden, waardoor hij de Romantische held bij uitstek was.

Vanzelfsprekend bleven de klassieke helden bestaan, de Great Warriors, want een oorlog kan niet zonder en in Europa was men nog lang niet uitgeknokt. Engeland had zijn zeeheld, Lord Nelson, en Frankrijk natuurlijk Napoleon. Een filosoof als Hegel had nog grote bewondering voor de laatste, al was dat eerder omdat hij hem als kristallisatiepunt van de geschiedenis opvatte dan omdat hij zijn militaire prestaties zo waardeerde. Na Napoleons overwinning in Jena schreef Hegel: ‘De keizer – deze wereldziel –, ik zag hem door de stad rijden om zijn troepen te inspecteren. Het is fantastisch om een mens te zien, die geconcentreerd in één punt, zittend op zijn paard, zich uitstrekt over de hele wereld en die regeert.’

Eigenlijk was Hegels blik op Napoleon als held niet zo nieuw. De geschiedenis was al lang een geschiedenis van grote mannen, en die mannen werden als helden beschreven, koning of niet, en tot ver in de negentiende eeuw. Pas toen de geschiedenis steeds meer als een sociaal en economisch proces werd opgevat, zoals bij Karl Marx, of als evolutie, zoals bij Herbert Spencer, raakte die persoonsgerichte geschiedschrijving op de achtergrond. In de loop van de negentiende eeuw kreeg de nieuwe, ambivalente blik op de heldhaftigheid overal de overhand. Het scharnierpunt is hier de Romantiek.

Dat kunnen we mooi zien in de schilderkunst, waar het neoclassicisme snel wijkt voor de Romantische heroïek van de ondergang. Eind achttiende eeuw deed ondubbelzinnig geschilderd heldendom het nog goed. Enkele decennia later was die bewondering voor de onaantastbare moed van de held echter zelden nog op schilderijen te vinden. Neem het enorme paneel dat Antoine-Jean Gros in 1808 voor Napoleon maakte van de slag bij Eylau, waar 25.000 soldaten omkwamen. Napoleon zit hier als een klassieke held te paard, maar we zien hem op het moment dat de slag al voorbij is. De lijken zijn akelig prominent in beeld. Duidelijker nog is dat bij een ander icoon van de Romantische schilderkunst, Géricaults Vlot van de Medusa (1819), waar heroïek en menselijke ellende synoniem geworden zijn. Het schilderij toont het dramatische moment waarop de uitgedroogde en uitgeputte schipbreukelingen een boot aan de horizon voorbij zien varen zonder hen op te merken. Of denk aan Goya’s De derde mei 1808 (1814). De helden op dit doek zijn niet de schutters maar de geëxecuteerden; niet overwinnaar maar verliezer. Wie op zulke schilderijen afgaat, ziet dat heldendom een stuk complexer is geworden dan het was.

OM IETS VAN die complexiteit te snappen is het goed om bij de held van Byron stil te staan: de held die hij in zijn werk schiep en die hij zelf ook probeerde te zijn – of werd ondanks zichzelf. Lord Byron ontvluchtte zijn vaderland zo gauw hij meerderjarig werd en bracht het grootste deel van zijn verdere, niet al te lange leven zwervend door. Hij had het meeste van zijn geld er al door gejaagd en zich aan jongens en getrouwde vrouwen vergrepen, bij feesten op zijn landgoed dronk hij uit een schedel. Op reis kreeg hij belangstelling voor de slagvelden van Europa. Ze keren tenminste geregeld terug in het al snel populaire, lange autobiografische gedicht Childe Harold’s Pilgrimage. Uiteindelijk sneuvelde Byron zelf op een slagveld, al is de werkelijkheid meestal prozaïscher dan de veronderstelde heroïek. Byron werd aanvoerder van een legertje dat Griekenland moest helpen bevrijden en stierf niet in een woest gevecht op een steigerend paard, maar op een veldbed, aan malaria (sommigen denken tegenwoordig aan de ziekte van Lyme), bedolven onder de bloedzuigers waarvan zijn lijfarts hem zonder veel terughoudendheid bleef voorzien.

In 1816 had Byron Waterloo bezocht, een klein jaar na de slag waarin hij een familielid, majoor Howard, verloor. Byron beschrijft in Childe Harold’s Pilgrimage een leger met tromgeroffel en doedelzakmuziek, hoe het bij dag en dauw met frisse moed over het gras oprukt, en slaat de lezer dan elke hoop uit handen:

’t Ardenner woud wuift met zijn loof, bedauwd
Door tranen die Natuur hier heeft gestort.
Het rouwt – als iets dat onbezield is rouwt –
Om elke krijger, ach! die binnenkort
Vertrapt zal zijn zoals het gras nu wordt
Geplet door hem, die niet meer op zal staan.
Het gras herleeft en zal deze cohort,
Die vurig hoopt de vijand te verslaan,
Bedekken wanneer zij tot stof zal zijn vergaan.

Een dramatisch beeld, dat gras dat nu vertrapt wordt door soldaten die er binnen de kortste keren zelf onder zullen liggen. Een aantal jaren eerder was Byron met zijn vriend John Cam Hobhouse te paard van Lissabon via Sevilla naar Cádiz gereden, terwijl de Fransen, Spanjaarden en Engelsen er slag leverden. Ironisch doet hij verslag en bezingt hij hoe het er onder helden aan toegaat (hier in de mooie vertaling van Ike Cialona):

Bij God! Het is een feest om te aanschouwen
(als niet een vriend of broer zich daar bevindt)
Hoe bontgekleurde vanen zich ontvouwen,
Hoe ons de glans der wapenen verblindt
En hoe de meute, voor de jacht begint,
Al knarsetandt met prooibeluste kaken,
Maar tevergeefs: de Dodenakker wint,
Hij zal zich van de hoofdprijs meester maken.

Het is hetzelfde beeld dat Antoine-Jean Gros ons voorschotelde van het slagveld bij Eylau. En wanneer Byron een ode aan de heldhaftige Napoleon op dat schilderij schrijft heeft die een heel andere toon dan Hegels opgewekte historiserende bewondering. Op 16 april 1814, als Napoleon net, schijnbaar voorgoed, verslagen is, publiceert hij een ode die zo begint:

’tis done – but yesterday a King!
And armed with Kings to strive –
And now thou art a nameless thing:
So abject – yet alive!

Natuurlijk spreekt er stompzinnig triomfalisme uit zulke regels, en haat jegens de net verjaagde tiran die Napoleon inmiddels was. Alleen maakt dat bij Lord Byron niet uit. Deze regels en de volgende, iets verderop, honen misschien het kortstondig heldendom van Napoleon, maar de vergankelijkheid van diens roem en de vergeefsheid van diens grote onderneming zouden net zo goed op andere helden kunnen slaan – en op Byron zelf:

The triumph, and the vanity,
The rapture of the strife –
The earthquake-voice of Victory,
To thee the breath of life;
The sword, the sceptre, and that sway
Which man seem’d made but to obey,
Wherewith renown was rife –
All quelled! – Dark Spirit! what must be
The madness of thy memory!

Niet voor niets rijmt in deze regels victory op vanity; overwinning op vergeefsheid. De ontgoocheling die we in de Romantische schilderkunst al zagen komt in de nieuwe heldhaftigheid op allerlei manieren terug; als melancholie, als rusteloosheid die tot zwerven aanspoort, als vervreemding jegens de maatschappij en zelfs haat tegen elke conventie, als eenzaamheid en trots en arrogantie. Dit alles is bij Lord Byron rijkelijk aanwezig.
Volgens een voormalige minnares, Caroline Lamb, was Byron ‘mad, bad, and dangerous to know’ en misschien was dat slechts een understatement. Zijn talloze verhoudingen, onder andere met zijn halfzuster en met enkele jonge mannen, werden hem nooit vergeven, maar zijn reputatie van slechterik maakte hem tegelijk seksueel aantrekkelijk. Byron mocht een horrelvoet hebben, hij was niet onsportief; een goed ruiter, niet te beroerd om een partijtje te vechten als hij iets op had, en toen hij met een schip voor Constantinopel lag, zwom hij de Hellespont over. Bovenal echter was hij een dichter, die graag treurde bij ruïnes en slagvelden.

De byroneske held is moe van zijn eigen uitspattingen, hij is verveeld in de burgermaatschappij, hij treurt om de vergeefsheid van elke daad, hij haat conventies, hij vecht voor vrijheid waar ook ter wereld en dwaalt rusteloos door onherbergzame streken. En verder is hij zelfbewust, hij verovert aandacht door drieste provocaties en heeft talent om die aandacht vast te houden en steeds opnieuw te genereren. Hij onttrekt zijn excentrieke gedrag niet aan het oog van het vaak verbijsterde publiek.

De byroneske held vertoont zich gedurende de negentiende eeuw in allerlei gedaantes. Een van die gedaantes is de dandy. Een wat minder zich in de openbaarheid manifesterende, maar taaie afstammeling van de byroneske held is wat in de Russische literatuur zo mooi de ‘overtollige mens’ wordt genoemd. Deze figuur krijgt het eerst gestalte in een boek van de sterk door Lord Byron beïnvloede schrijver Michael Lermontov, Een held van onze tijd (1839). De hoofdpersoon van dit boek, ene Pechorin, is een typisch byroneske held: intelligent, arrogant, overgevoelig, rusteloos reizend, een ladykiller en tegelijk verveeld, cynisch en melancholiek. ‘Het leven verveelt mij totaal’, zegt Pechorin ergens. ‘Ik ben als een man die op een feest staat te gapen en alleen niet naar huis gaat, en naar bed, omdat zijn koets er nog niet is.’

De kampioen van deze verveelde overtollige mens is natuurlijk Oblomov, de beroemde romanfiguur die bijna twintig jaar later ten tonele verschijnt in het gelijknamige boek van Ivan Gontsjarov. Hier wordt de rusteloosheid van de byroneske held zozeer door het gevoel van vergeefsheid overwoekerd dat het hem pas na 150 bladzijden lukt om uit bed te komen. Als Oblomov nog een held kan worden genoemd, dan is hij een antiheld. Hij staat net als die andere overtollige mensen en net als de dandy wel mijlenver af van de eerder genoemde tijdloze held die op momenten van dood en verderf manhaftig optreedt, van de soldaten dus en de brandweermannen. Maar de voor de hand liggende conclusie dat de byroneske held door lamlendigheid of morele wankelmoedigheid in het gewoel van de negentiende eeuw oplost en uit het zicht verdwijnt, is een beetje voorbarig. We zien hem nog overal terug.

Medium loureed4

FILMSTERREN ZIJN MISSCHIEN niet meteen filmhelden. Het hangt van de rollen af die ze gespeeld hebben en die hen in onze ogen maken tot wie ze zijn. Wvanneer ze in hun films een beetje om zich heen geslagen hebben – als een klassieke held – en wanneer ze moreel niet helemaal zuiver op de graat zijn geweest – krijgen ze een heldenstatus. Brad Pitt, Bruce Willis en Robert De Niro zijn filmhelden, George Clooney is eerder een ster dan een held en dat geldt nog meer voor komische acteurs. Nicole Kidman is eerder een heldin dan Catherine Deneuve, vanwege haar rol als gangstermeisje in Dogville. Eigenlijk moet je hier, net als bij de volgende twee hedendaagse heldensoorten, onderscheid maken tussen idool en held. Het idool kan ook bewonderd worden omdat hij of zij zo geestig of sexy is, of een ideale schoonzoon. Een held is niet per se geestig, nooit een ideale schoonzoon of dat lieve meisje next door, en zijn of haar eventuele seksuele aantrekkingskracht is een gevolg van het heldendom, niet de oorzaak. Daarom zijn de meeste filmsterren toch eerder idolen dan helden.

Anders ligt dat bij popsterren. Velen van hen zijn de hedendaagse belichaming van de byroneske held bij uitstek. Ze worden verafgood en spelen ermee, met distantie. Ze provoceren graag het publiek, al worden hun provocaties al gauw een eindeloos herhaalde kopie van de vorige, door vele camera’s opnieuw uitgezonden gebaren, zoals wanneer Michael Jackson of Madonna in het eigen kruis graait. De verwevenheid van popmuziek en drugs, de exuberante kleding en het bohémienachtige gedrag van de popartiest, zijn onverschilligheid, arrogantie en drang tot provoceren, zijn rechtstreeks te herleiden tot het optreden van romantische kunstenaars in het begin van de negentiende eeuw, Lord Byron voorop.
Bij popsterren als David Bowie en Lou Reed is dat evident, maar het is niet louter een verschijnsel van de jaren zeventig en tachtig. Neem het provocatieve gedrag van Amy Winehouse en haar onmatig gebruik van drank en drugs, haar depressies en stoornissen, of neem haar evenknie op dit vlak, de zanger Pete Doherty. Doherty is ook dichter, hij is eigengereid, onvoorspelbaar en niet op zijn achterhoofd gevallen. Oscar Wilde heeft enorme invloed op hem gehad, maar hij heeft tegelijk belangstelling voor schrijvers als Jean Genet, Baudelaire en De Sade. Denk aan George Michaels seksuele ambivalentie en drugsgebruik – eigenlijk heeft elk voorbeeld iets willekeurigs, omdat zo veel popsterren de eigenschappen van de byroneske held bezitten.

En sporthelden? Die verenigen altijd al het fysieke met een sterrenstatus. Alleen wordt het sportidool pas een echte held wanneer er een steekje los zit, zijn leven tragisch wordt of zich andere trekjes van het byroneske heldendom voordoen, zodat de mythevorming een kans krijgt. Niet voor niets krijgt Johan Cruijffs onnavolgbare logica zo veel aandacht. Samen met zijn hoge status op de wereldranglijst, het verlies van bijna al zijn kapitaal destijds (door gokgedrag dat in de verte lijkt op dat van Lord Byron) en zijn arrogantie kan hij tot held gemaakt worden. De ster Zinedine Zidane werd een held door zijn beroemde kopstoot, Diego Maradona’s drugsverslaving en vals spelen droegen veel aan zijn heldenstatus bij, net als de overwonnen kanker dat deed bij Lance Armstrong, hoewel zijn positieve instelling en zijn succesverhaal eigenlijk te ongecompliceerd zijn om van deze kampioen een held te maken. Dan is zijn collega Marco Pantani een beter voorbeeld, aangezien deze Italiaanse wielrenner aan doping, drugs en depressie ten onder ging.

Natuurlijk verdienen deze eigentijdse byroneske helden een betere analyse. Wat mij echter fascineert is dat hun heldenstatus aan beeldvorming is te danken die twee eeuwen oud is. Dat geldt trouwens ook voor de manier waarop eeuwige helden als de New Yorkse brandweermannen worden afgebeeld. Hun soort heldhaftigheid is weliswaar van alle tijden, maar wie de beelden ziet die van hen een held maakten, ontdekt dat deze iconografie stamt uit de tijd van Byron. De tot icoon geworden foto van de helden met vlag illustreert wat ik bedoel. Het gedoe met die vlag zie je vaker terug, bijvoorbeeld op de beroemde foto van Russische soldaten op het gebouw van de Rijksdag wanneer ze in het voorjaar van 1945 Berlijn hebben veroverd. Een van de oerbeelden van dat soort foto’s is Eugène Delacroix’ schilderij De vrijheid leidt het volk (1830).

Hadden die brandweermannen niks anders te doen dan een vlag te planten op de puinhopen van het WTC? Neen, het was belangrijk werk, dat gedoe met die vlag: ze konden en moesten met deze beelden tot held worden gemaakt. Dat heeft natuurlijk weinig met de heroïek van Lord Byron van doen. Maar juist onze ambivalente blik op zulke heldhaftigheid hebben wij aan Byron en zijn mede-Romantici te danken.


Maarten Doorman is filosoof en schrijver. Zijn meest recente boeken zijn De romantische orde (2004) en Paralipomena: Opstellen over kunst, literatuur en filosofie (2007).
Dit is een verkorte versie van een lezing in de serie Heldenmoed en heldendom in Paradiso, Amsterdam.

Beeld: Museo del Prado, Madrid / Musee de Louvre, Paris