We vragen het Hans Wiegel

‘Theo Joekes moest de schoenen poetsen’

Nog lang na zijn vertrek als partijleider in 1982 was er in de VVD een stil heimwee naar Hans Wiegel. Waaraan ontleende hij zijn gezag? ‘Het is nu minder stijlvol en humoristisch.’

Medium 61305

‘Waarover wil je mij ook al weer spreken?’ vraagt Hans Wiegel meteen bij de binnenkomst van zijn gast. ‘Over leiderschap’, luidt het antwoord. Met een grijns reageert hij: ‘Maar waarom kom je dan bij mij?’

Wiegel houdt wel van luchtige zelfspot en zelfrelativering. Hij weet natuurlijk donders goed dat het hem aan leiderschapskwaliteiten niet ontbreekt. Hij was nog maar net dertig toen hij in 1971 eerste man van de vvd werd. Onder zijn voorgangers Pieter Oud, Edzo Toxopeus en Molly Geertsema was de vvd nog vooral een partij van ‘zindelijke burgerheren’, naar een woord van de dichter Jan Greshoff. Wiegel wist van de vvd een brede volkspartij te maken.

‘Een hyperintelligente boer Koekoek met moreel verantwoordelijkheidsgevoel die de taal van de massa spreekt’, zo karakteriseerde de excentrieke vvd-senator Harm van Riel de gewenste nieuwe leider toen. Van Riel zag veel in het jonge Kamerlid uit Amsterdam, en hij vergiste zich niet. Ook na zijn vertrek als partijleider in 1982 was in de vvd nog lang een stil heimwee naar Wiegel merkbaar. Helemaal vertrokken was hij nooit, ook omdat hijzelf zijn terugkeer nimmer uitsloot: ijdelheid is hem niet vreemd.

Onder Wiegel brak de vvd door naar kiezers voor wie de partij tot dan toe een vreemd huis was, zoals katholieken in Noord-Brabant en Limburg en geschoolde arbeiders die hun pas verworven welvaart koesterden. Daarmee legde hij een stabiele machtsbasis voor zijn partij en vergrootte hij de politieke invloed van de liberalen. In 1977 vertoonde hij zijn meesterstuk. Nadat cda-leider Dries van Agt was moegebeukt in maandenlange formatieonderhandelingen met de pvda ontving Wiegel hem met open armen en was de formatie van een kabinet onder leiding van hen beiden in luttele weken geklaard. Al die tijd had Wiegel rustig afgewacht. Hij zag hoe machtsarrogantie de blik van de pvda vertroebelde, waardoor de sociaal-democraten één belangrijk politiek feit negeerden: het cda had met een mogelijke oversteek naar de vvd een alternatief achter de hand dat evenzeer als een coalitie met de pvda kon steunen op een Kamermeerderheid.

In die formatie hanteerde Wiegel de stelregel die hem al zo vaak van pas was gekomen: ‘Het slimste dat je kunt doen is iets te eisen waarvan je van tevoren weet dat je het zult krijgen. Dan ben je gegarandeerd de winnaar.’ Volgens hem is dit de fout die de pvda in die krachtmeting met Van Agt had gemaakt: ‘Dingen eisen hoewel je weet dat je het niet haalt: nooit doen!’

Een politiek leider moet in de eerste plaats beschikken over strategisch inzicht, zegt Wiegel, en een soort boerenslimheid, intuïtie, om te weten wat het juiste moment is om toe te slaan. Meteen na zijn raillerende grapje bij de entree van zijn gast in zijn huis in het Friese Oudega, met uitzicht over de Skûtelpoel, haalt Wiegel een oud briefje te voorschijn waarop hij ooit zijn ‘Tien geboden voor leiding geven’ heeft neergekrabbeld. In het gesprek zullen ze impliciet of expliciet aan de orde komen.

Een leider verwerft volgens hem met zijn woorden en daden erkenning van zijn autoriteit, niet door het leiderschap geforceerd op te eisen. ‘Wie zich genoodzaakt voelt te zeggen dat hij de leider is, is het dáármee al niet’, zegt hij. ‘Stijl, humor, zelfspot, incasseringsvermogen, respect voor de tegenstander, dat zijn allemaal kwaliteiten waarmee je je leiderschap gaandeweg vestigt, maar ook crisisbestendigheid, het vermogen hoofd- van bijzaken te onderscheiden, de bereidheid desnoods druk op de ketel te zetten. En je moet het leuk vinden om met mensen om te gaan… Dat is echt essentieel. Je kunt alleen de nummer één zijn als de anderen je dat ook vinden.’

Hij vertelt dat hij direct na zijn benoeming tot fractievoorzitter vijf fractiegenoten op zijn buitenhuis had uitgenodigd, een boerderijtje in Ee, om hem in te wijden in de geheimen van de economie. ‘Daar wist ik niet zo veel van. Dat vonden zij ook, al zeiden ze dat natuurlijk niet. Drie dagen hebben ze op me ingepraat. Dat waren fantastische bijeenkomsten. We hebben heerlijk gegeten. Ieder kreeg zijn taak. De een moest de glazen inschenken, de ander de pannen afwassen. Theo Joekes had de opdracht de schoenen te poetsen als we in de weilanden hadden gelopen. We hebben enorm gelachen. Je moet, als je jong fractievoorzitter bent, zo’n positie bij de oudere fractiegenoten creëren, want je krijgt alleen vertrouwen als je dat ook geeft.’

Hij zegt dat hij ‘quasi-nonchalant’ leiding gaf aan de fractie. Met dat ‘quasi’, erkent Wiegel, bedoelt hij dat de nonchalance bewust was gekozen, mede als methode om zijn leiderschap onbetwist te maken. ‘Fractieleden hoefden echt niet van tevoren hun speeches bij mij in te leveren, zoals tegenwoordig de praktijk schijnt te zijn. Ik wilde het alleen weten als er iets politiek gevaarlijks in zat. Mijn fractiegenoten hadden een grote vrijheid om hun eigen verhaal af te steken. Dat vertrouwen is wezenlijk. Verantwoordelijkheid geven, vrijheid en kansen bieden, plezier hebben. Dat is het. Je moet het haantje de voorste af en toe op de vingers tikken en de mensen die te bescheiden zijn een duwtje in de rug geven. En je moet toegankelijk zijn voor iedereen. Zo maak je er een mooi geheel van. Dat heb ik erg leuk gevonden.’

In de wekelijkse fractievergadering wees hij per toerbeurt iemand aan die bij fractiebesluit die dag jarig was. ‘Hij of zij moest trakteren. Op sherry. Daar trakteerde de vvd altijd op. De gereformeerden dronken jenever, de katholieken bier, wij sherry. Om half twaalf kwamen de bladen met de glazen binnen. Een oudere bode vertelde me eens dat een jonge collega van hem vroeg waarom er zoveel gelachen werd achter die ene deur. “Nou, daar zit de vvd-fractie.” Mijn opvolger, Ed Nijpels, liet een rood lampje boven zijn deur maken en als dat brandde mocht je er niet naar binnen. Bezopen. Bij mij kon iedereen altijd naar binnen lopen. Ik vond het vooral leuk om met journalisten te praten, of het nu jongens van De Telegraaf waren, dan wel Jan Joost Lindner van de Volkskrant of Jan Tromp van de Haagse Post. Het was natuurlijk ook wel zo leuk dat ik via hen de boel een beetje kon opstoken.’

Ook tijdens zijn ministerschap van Binnenlandse Zaken (1977-81) streefde hij ernaar ‘goede mensen’ om zich heen te verzamelen. Voor hem gold als voornaamste kwaliteit dat zij hem niet naar de mond praatten.

‘Ik wilde mensen om me heen die op grond van gedegen kennis hun mening durfden te uiten, ook als die afweek van de mijne. Voor de toen net gevormde directie minderheden heb ik het pvda-Kamerlid Henk Molleman gevraagd, een buitengewoon kritische geest. We zijn heel goede vrienden geworden. Een ander voorbeeld? Op een gegeven moment kwamen mijn mensen terug van begrotingsonderhandelingen met Financiën en ze hadden niets gekregen, nul komma niks. “Hoe kan dat nou?” wilde ik weten. “Ja, ja, die man daar had wel erg goede argumenten, die konden we niet pareren.” Ik vroeg: “Wie is die vent die dat voor elkaar krijgt?” Dat bleek Arthur Docters van Leeuwen te zijn, die later bekendheid verwierf als hoofd van de binnenlandse veiligheidsdienst. Dus ik belde hem: “Meneer Docters, ik heb veel goeds over u gehoord.” Ik vroeg hem of hij de directie politie wilde gaan leiden. Hij kwam. Hij had een enorme loyaliteit aan mij.’

Ook aan Elco Brinkman bewaart hij goede herinneringen. Als twintiger begon de latere cda-leider als ambtenaar op Binnenlandse Zaken. Wiegel: ‘Op het ministerie had je het bureau van de secretaris-generaal, drie jonge ambtenaren. Elco Brinkman was hoofd. Zij keken alle stukken die uit het ministerie kwamen na en noteerden dan: “Heer minister, u hoeft dit niet te lezen, maar let wel even op bladzijde 122. Daar staat iets wat niet in uw politieke kraam past.” Dat is geweldig, natuurlijk, zo’n prettige vorm van dienstbaarheid. Dat konden ze ook doen dankzij de politieke antenne van Elco. Toen ik hem voor het eerst zag, zei ik hem: “Ik vertrouw u volledig. Als u dat vertrouwen beschaamt vliegt u eruit. Dat zult u begrijpen.” Dat begreep-ie.’

Een leider bouwt zijn gezag ook op het respect dat hij zijn mensen betoont, zegt Wiegel. ‘Ik wist werkelijk niet wat de politieke kleur van mijn medewerkers was. Dat interesseerde me ook niet. Zijn het aardige mensen? Passen ze in het team? Kennen ze hun zaken? Laten ze zich niet de mond snoeren? Daar ging het mij om. Dick Houwaart, het toenmalige hoofd voorlichting, zei me direct bij onze kennismaking dat hij een ouderwetse voorlichter was die aan journalisten waarheidsgetrouw meldde wat er op Binnenlandse Zaken speelde. “Ik ben niet uw propagandist”, zei hij. Ik reageerde: “Daar hebt u volkomen gelijk in. Dus wij spreken het volgende af: u doet de voorlichting, ik de propaganda.” Houwaart was een voorbeeld voor zijn vak. Al die spindoctors en andere types die tegenwoordig rond een minister rennen: gooi ze eruit! Het is heel onverstandig om als minister zo’n inner circle van partijgenoten rond je te verzamelen. Dan ontstaat een sfeer van enorm wantrouwen op zo’n ministerie.’

Ook een politiek leider zelf moet zijn verhaal niet louter afstemmen op wat hij veronderstelt dat de mensen willen horen, meent hij. ‘Wouter Bos reisde destijds stad en land af om naar de mensen te luisteren. Hij wilde in de Kamer doorgeven wat hij in een koffiehuis in het Laakkwartier oppikte. Fout.’ Uit de stijgende trend van Angela Merkel in de gepeilde kiezersgunst blijkt dat een politicus die staat voor zijn zaak, ook al moet hij weerstanden bij de kiezers overwinnen, uiteindelijk waardering zal oogsten. Wiegel: ‘Natuurlijk, een politiek leider moet een antenne hebben voor wat de publieke opinie is, hij moet ook zeker aanhoren wat de mensen willen, maar niet dan nadat hij zelf heeft gezegd wat hij ervan vindt. Eerst moeten ze naar hém luisteren.’

Volgens de politicologe Chantal Mouffe is het kenmerk van een goed functionerende democratie dat ze van vijanden tegenstanders maakt. Met een tegenstander kun je hartgrondig van mening verschillen, dankzij het besef dat hij en jij deel uitmaken van een gemeenschappelijke democratische ruimte waarin iedereen op gelijke voet verkeert. Spiegelbeeldig geredeneerd is waakzaamheid geboden als politici het platform van de democratie juist gebruiken om conflicten op te poken en vijandbeelden te creëren, bijvoorbeeld door die gemeenschappelijke democratische ruimte smalend af te doen als een ‘nepparlement’.

‘Je kunt een tegenstander die niet je vijand is ook stevig de waarheid zeggen, zonder dat de onderlinge verstandhouding daaronder hoeft te lijden’, zegt Wiegel. ‘Tegen Joop den Uyl zei ik: uw kabinet is een ramp voor het land, maar een feest voor de oppositie! Dan wist Den Uyl ook wel: hij overdrijft, dat hoort erbij. In zo’n sfeer kun je heerlijk vrijuit debatteren. Ik vind het altijd prettig als ik respect kan betonen aan iemand voor wie ik dat respect ook heb.’

Bij Den Uyl kostte hem dat geen moeite. ‘In het begin vond ik hem te drammerig, te opgewonden, maar naarmate de tijd vorderde raakten we op elkaar gesteld en konden we elkaars trucs waarderen. Met zijn wijze van politiek bedrijven begeesterde hij de mensen. Hij heeft de politiek in hun hart laten leven. De mensen hadden een duidelijke keuze. Je was voor of tegen hem en, spiegelbeeldig, voor of tegen mij. We hebben veel aan elkaar gehad. Onze debatten trokken zalen met honderden mensen die plezier hadden met ons gevecht.’

‘Vertrouwen is wezenlijk. Verantwoordelijkheid geven, vrijheid en kansen bieden, plezier hebben. Dat is het’

Algemeen bekend is het debat in Groningen waarin Wiegel naar Den Uyl wijst en diens beleid van ‘potverteren’ bekritiseert met de uithaal: ‘Sinterklaas bestaat! Daar zit hij.’ Minder bekend is dat beiden na afloop samen dineerden bij Isaac Lipschits, een oud-hoogleraar van Wiegel. ‘Den Uyl had wel trek in iets smakelijks, als afwisseling van de gevulde koeken en broodjes kaas waarop hij de dag doorgaans doorbracht. Hij verorberde de biefstuk waarop Lipschits ons trakteerde. “Zo, Joop, toch een biefstuksocialist?” pestte ik hem. Hij pakte me meteen terug: “Nee, loon naar prestatie!” Het was reuze gezellig, die avond.’

In dankbaarheid denkt Wiegel terug aan het warme gebaar waarmee Den Uyl hem troostte toen hij live op tv in tranen uitbarstte. Het was vlak na het dodelijke auto-ongeluk van zijn eerste vrouw, Jacqueline, en een vraag uit het publiek riep plots een heftige emotie over dat verlies bij hem op. De anderen aan tafel zaten er bedremmeld bij, met uitzondering van Den Uyl, die opstond en zijn hand op Wiegels arm legde, om hem niet alleen te laten in zijn verdriet.

‘Dat was lief van hem. Ik hecht enorm aan dat soort kameraadschap. Na het overlijden van Marcus Bakker, een rasparlementariër, maar als leider van de communistische partij politiek ver van mij verwijderd, belde de uitgever van het boek dat over hem was geschreven: Marcus’ vrouw zou het fijn vinden als ik het eerste exemplaar in ontvangst zou nemen. Dat maakte grote indruk op me. Ik was ontroerd. Nee, buiten de Kamer hield Bakker het contact af. We kwamen elkaar soms tegen in Amsterdam en dan gaf hij er de voorkeur aan mij niet te zien. Maar in de Kamer, achter het gordijn van de oude vergaderzaal, spraken we elkaar geregeld. Hij heeft nog wel eens een shaggie voor me gerold, van het merk Twin, toen ik m’n sigaren was vergeten.’

Het kost hem geen moeite het persoonlijke van het politieke te scheiden: ‘Ik heb nog nooit met iemand in de politiek te maken gehad van wie ik dacht: wat een verschrikkelijke vent is dat! Er zaten ongetwijfeld vreselijke lui tussen, maar daar ging ik dan blijkbaar niet mee om. Fred van der Spek van de psp, extreem-links, reed ’s avonds geregeld met mij terug naar Amsterdam. In de auto kletsten we honderduit en hadden we veel pret. Dan zette ik hem af op het Olympiaplein en sjeesde door naar de Bloemgracht. De eerste keer zei hij wel: “Ik rijd graag met je mee, maar laten we dat wel onder ons houden.” Ha, nou, ik kan wel een geheim bewaren…’

Tijdens een spreekbeurt in Nijmegen slingerde iemand in de zaal Wiegel eens naar het hoofd: ‘Lul! Lul!’ Wiegel reageerde: ‘Wat ontzettend aardig dat u zich voorstelt, mijn naam is Wiegel.’ Volgens hem ontleent een politiek leider zijn gezag ook aan een stijlvol optreden dat hij met humor weet te larderen. Voorzover hij daarover kan oordelen, zegt hij, gaat het politieke debat van tegenwoordig gebukt onder het ontbreken van die kwaliteiten.

‘Het is venijniger. Meer op de man gespeeld. En daardoor minder stijlvol en humoristisch. Ik heb me geërgerd aan het optreden van Mark Rutte op het vvd-congres van november. Met zijn conduitestaat in de politiek zou hij zich boven de partijen kunnen verheffen en als een staatsman spreken. Ingehouden, zelfverzekerd. In plaats daarvan ging hij met een soort cabaret-act de andere lijsttrekkers te lijf. Het dieptepunt was dat hij cda-leider Sybrand Buma een pruilende peuter noemde. Dat kan toch niet! Iemand voor gek zetten! Helemaal verkeerd. Het is tot daaraan toe dat een of andere gek in het campagneteam zoiets platvloers bedenkt. Die types hebben een beperkte kijk op het politieke leven. Maar dat Mark geen nee heeft gezegd, dat valt me tegen. Ik had beter van hem verwacht.’

Het is politiek ook niet slim zo op de man te spelen, zegt hij: ‘Vroeg of laat krijg je de rekening gepresenteerd. Het cda is een van de eerste partijen die voor coalitievorming in aanmerking komen als de vvd weer gaat regeren. Waarom dan de aanvoerder van die partij zo te kakken zetten? Als je zoiets in de kroeg over elkaar zegt, is dat iets anders dan dat je dat met het hele land deelt. Dit was kroegpraat op de tv uitgezonden.’

Hans Wiegel beaamt dat ‘hoed je voor cynisme’ als extra gebod aan zijn lijstje van tien kan worden toegevoegd. Hij zegt dat in een reactie op de storm van positieve reacties die het tv-optreden van Jan Terlouw bij De wereld draait door ontketende. ‘Bewonderenswaardig en ontroerend! Ik begreep dat zijn optreden binnen een dag meer dan een miljoen keer is bekeken op Facebook. Waarom zoveel reacties? Ik denk dat jonge mensen zoiets nog niet eerder van een politicus hebben gezien. Een verhaal van een 85-jarige, uit het hoofd en met zichtbare emotie, doorleefd verteld, over onrecht, over de bedreigde wereld, en eindigend met een idealistische blik op de toekomst. Een verhaal met geen spatje cynisme. De mensen missen dat. Dus ik hoop op een neveneffect. Dat de politici van nu deze uitzending nog geregeld bekijken en zich realiseren: verrek, zo kan het ook.’


Hans Wiegels 10 Geboden voorleiderschap

  1. Kunnen en durven besluiten. Crisisbestendig zijn.

  2. Hoofdlijnen onderscheiden van bijzaken. Weten wat je wilt.

  3. Kunnen en willen delegeren.

  4. Medewerkers verantwoordelijkheid, dus de kans, geven.

  5. Toegankelijk zijn.

  6. Niet naar de mond gepraat willen worden.

  7. Goede medewerkers kiezen.

  8. Druk op de ketel willen zetten.

  9. Consensus nastreven. Anders de knoop doorhakken.

  10. Bovenal: een bezielend aanvoerder zijn, enthousiasmeren, achter je mensen blijven staan, het heerlijk vinden met anderen om te gaan. En in je kamer mag je iemand op zijn duvel geven, buiten vorm je één front.


Beeld: Hans Wiegel tijdens de Tweede-Kamerverkiezingen waarbij de VVD met zes zetels groeide en de derde partij van Nederland werd, 1972 (Spaarnestad Photo / HH)