5 mei 1924 – 9 oktober 2012

Theo Olof

In 1933 vluchtte de Duitse jood Theo Olof naar Nederland, waar hij debuteerde bij het Concertgebouworkest. Toch werd hij niet de wereldberoemde violist die hij gemakkelijk had kunnen zijn.

Zo’n dertig jaar terug kwam een mooie vaderlandse violist, een der grootsten, naar Zaandam om in theater De Speeldoos zijn programma Theo Olof Klapt Uit De Keuken Van Het Muziekleven te presenteren. Het is gebeurd, ik was erbij. De Speeldoos was een zelfmoordplek die als theaterzaal aan een grote scholengemeenschap was geplakt, vermaakdoos met de charme van een aula. Het publiek bestond voor negentig procent uit zo goed als dode bejaarden. Wie er als jongere verzeilde had uit wanhoop naar een mitrailleur gegrepen. Zo’n jongere was ik.

Maar Theo klapte uit, in een moeilijk classificeerbaar format dat zich het best laat omschrijven als een kruising tussen workshop en onemanshow. Didactisch en toch leuk, helemaal Hollands. Als een knuffelige schoolmeester, er was ook iets gezellig diks aan hem, had hij de onderdelen van de viool aan een waslijn laten hangen. Met een aanwijsstok en zijn klassiek decente dictie met die toon van Polygoon-journaals behandelde hij ze een voor een, één grap per onderdeel. ‘Dit zijn dus de hb’tjes, die hebben dezelfde functie als bh’tjes.’ Een schorre roes van lach steeg op. De uitgerukte bejaardenhuizen genoten. Schuins en toch netjes. De jaren vijftig, quasi. Hij zou de doelgroep later naar orgiastische hoogten drijven met zijn autobiografie Flarden, waarin hij beschreef hoe hij als vierjarige tot genoegen het dienstmeisje van zijn moeder bij een borst greep. ‘Die voelde warm en prettig aan.’ Wat daarna gebeurt, je durft het nauwelijks te herhalen. De verhitte turf bespringt de keukenbezem en voltrekt hop-paardje-hop symbolisch prematuur wat… Nee – zalig zijn de doden.

Ik schaamde me verstolen voor mijn woede. Ik dacht: daar staat een groot violist die jou, de provinciaal, op huisbezoek komt uitleggen hoe het echt zit, met de viool. En jij, ondankbare, gaat stennis zitten schoppen.

Sindsdien had ik vooroordelen tegen Theo Olof, de anekdotentapper van gezellige muziekkronieken als Daar sta je dan, de populist die zo laagdrempelig ondeugend grapte dat zijn instrument net op een vrouw leek, hoeder van de onverkwikkelijke alliantie tussen burgerhumor en muziek die alles stukmaakt wat van waarde is – Reinbert de Leeuw getuigde in een interview ooit van dezelfde walging.

De vooringenomenheid was van de baan toen ik Olof vele jaren later Bach-partita’s hoorde spelen in de Waalse kerk. Het was verschrikkelijk prachtig en intiem geconcentreerd, met de cultuur van de ouden en soeverein gedragen ouderdomsrafels die het patina nog meer allure gaven. Daar was een leven lang aan gewerkt, en wat was het hoorbaar dat hij nooit had opgegeven. Maar het wonder Theo Olof werd pas echt mirakels als je wist hoe hij zijn jeugd was doorgekomen. Drama’s.

Theo Olof, afgelopen week overleden in Amstelveen, werd op 5 mei 1924 in Bonn geboren als Theodor Olof Schmuckler, zoon van de violiste Elvira Wolfsberg-Schmuckler. Duitser, en jood. Daar kwam hij achter. In 1933 namen Olof en zijn moeder de wijk naar Nederland, waar hij leerling werd van Oskar Back en debuteerde bij het Concertgebouworkest, zoals het wonderkinderen betaamt. In de Tweede Wereldoorlog kroop hij naar eigen zeggen zo vaak ‘door het oog van de naald’ dat hij van de weeromstuit relativist werd. Olof overleefde door zich aan het goede leven vast te klampen. Mevrouw Boissevain, moeder in het gezin waar hij voor de oorlog op voorspraak van zijn leraar Back werd ondergebracht, zei het goed: ‘Jij kunt zo genieten.’

De man bleef heel, met de muziek in hem; in 1951 won Olof de vierde prijs op het Elisabeth-concours in Brussel. Niet met de obligaat-romantische concourskost maar met Bartók, een voor die tijd gewaagde keuze.

Daarna werd hij niet de beroemde violist die hij gemakkelijk had kunnen zijn. Samen met zijn studiegenoot Herman Krebbers, ook een Back-pupil, was hij als concertmeester van het Residentie Orkest en het Concertgebouworkest tot zijn pensioen de degelijke en gerespecteerde hoeksteen van het Nederlandse muziekleven. Soleren deed hij nebenbei, zij het wel onder grote dirigenten als Van Otterloo, Haitink en Giulini, en met het eergevoel van de bovenklasse. Olof was de naamloze meester van de platen uit je jeugd. Vijfde vioolconcert van Mozart, Bachs dubbelconcert; grote muziek, gespeeld op het hoogst denkbare niveau. Je dacht: dat moet van ver komen, zo hoog. Je stond er niet bij stil dat de kolos van dienst haast om de hoek woonde.

Hij was niet eenkennig. Olof speelde ook wat ‘de modernen’ heette. Die schuinse schoolmeester keek niet op een dissonant meer of minder. Hij had de goede houding voor een muzikant. Die belangstelling voor het nieuwe was er altijd al, zei hij op zijn oude dag op tv. Je wist nooit wat het waard was. Kox, Badings en Maderna schreven vioolconcerten voor hem. Of Maderna voor eeuwig was, durfde hij niet te zeggen. ‘Er zit niet een melodie in die je bijblijft.’ Maar hij deed zijn plicht. ‘Zo vaak als dat kon.’ Met plezier.

Het vpro-programma Vrije geluiden, dat hem ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag interviewde, vertoonde een tv-opname van het langzame deel uit Bachs dubbelconcert met Olof en Krebbers. Frappant, naast de intense muzikaliteit, de volledige versmelting van twee zielen. Als Krebbers naar hun opnamen luisterde, wist hij niet eens wie wie was. Ze waren de Van Gend Loos van het orkestwezen, grapte Olof. Over de oorlog, waarin Krebbers als niet-jood gewoon had doorgespeeld en niet per definitie in de fijnste kringen, spraken ze nooit. Olof vond het sop de kool niet waard. Een genereus mens. ‘Haat heb ik eigenlijk maar zelden gevoeld.’ Ook dat hoor je.

Ik heb hem ooit een hand gegeven, ergens. Aardige man. Ik zei: wat speelt u goed Bach. Hij glimlachte, met de wellevendheid van ooit.

Die schuinse schoolmeester keek niet op een dissonant meer of minder