Theodore Roszak 15 november 1933 - 5 juli 2011

De geuzennaam van de beweging van de jaren zestig, counterculture, is van hem afkomstig. Hij schreef liever dan dat hij demonstreerde, en documenteerde en verdedigde de tijdgeest van de sixties.

‘IK BEN EEN MENS. Gelieve niet verminken, mishandelen of verscheuren’. Een button met die ludieke slogan werd in de jaren zestig op vele linnen tassen, fluwelen revers of bloemetjesjurken gespeld. Voor de Amerikaanse historicus Theodore Roszak was het een van de vele bewijzen dat er wat aan de hand was in de sixties. In zijn boek The Making of a Counterculture: Reflections on the Technocratic Society gebruikte hij de button als symbool van de Amerikaanse tegenbeweging. Hij prees de jonge idealisten op de universiteitscampussen als een van de weinige bronnen van verzet tegen het technocratisch streven naar winst, efficiëntie en modernisering.

Met The Making of a Counterculture, dat in 1969 (drie weken na Woodstock) verscheen, vestigde Roszak zijn reputatie als chroniqueur van de babyboomers. Begin juli overleed hij in zijn woonplaats Berkeley, Californië aan de gevolgen van kanker.

Zelf was Roszak een counterculturalist van het gematigde soort. Voor hem geen vrije liefde, psychedelica of gewelddadig verzet, maar een sobere levensstijl, een stabiel huwelijk en een leven in de studeerkamer. Zijn tegendraadsheid toonde zich vooral op papier. Begin jaren zestig, Roszak woonde in Londen, was hij redacteur van het pacifistische tijdschrift peace news. Terwijl in 1968 studenten en jonge professoren de straat op gingen, stelde Roszak een boek samen, Dissenting the Academy. Hierin werd de aanval geopend op het geesteswetenschappelijk onderzoek aan de Amerikaanse universiteiten. In de ogen van Roszak was de wetenschap veel te weinig politiek.

Zijn keuze voor boeken in plaats van manifestaties maakte de historicus in de ogen van zijn generatiegenoten misschien square, maar de tegenbeweging staat flink bij Roszak in het krijt. De intellectuele erfenis van de jaren zestig is pover. Het draaide de love generation vooral om dingen anders doen. Anders samenleven, anders eten, anders kleden. Eindeloos zwoegen op een tekst past daar slecht bij. Bovendien was een dik boek natuurlijk weinig fun. Wellicht had de tegenbeweging daarom een voorkeur voor manifesten. Een paar velletjes met klachten en eisen - puntsgewijs, natuurlijk - is snel geschreven.

Mensen als Roszak hebben ervoor gezorgd dat de jaren zestig meer hebben nagelaten dan een handvol schotschriften, mooie herinneringen (voor wie erbij was) en catchy muziek. Zijn boek was de eerste serieuze poging om de tijdgeest van die jaren te documenteren en te verdedigen. Hij gaf de beweging van de jaren zestig zelfs zijn geuzennaam: de term counterculture is van Roszak afkomstig.

Roszaks kritiek op de technocratische samenleving vond brede steun. Zowel linkse studenten als gelovigen konden zich herkennen in zijn beklag over zielloosheid, onderdrukking en vervreemding die hij zag in de naoorlogse welvaartsstaat. Het conservatieve dagblad Christian Science Monitor noemde Roszaks werk 'a sophisticated Roman candle of a book’. Roszak, geboren in 1933 als zoon van een timmerman, bediende zich ook graag van christelijke retoriek. Hij omschreef de tegenbeweging als een zoektocht naar 'bevrijding’. Doel was het afschudden van 'de verdorvenheden van de oude wereld’. Het laat zien dat de idealen van de generatie '68 niet uniek waren. Wat er in de jaren zestig gebeurde was het herverpakken van onbehagen over moderniteit en het romantisch verlangen naar een puurder bestaan.

Terwijl veel van de counterculturalists, eenmaal volwassen, het lange haar afknipten en de door hen zo verfoeide macht naar zich toe trokken, bleef Roszak doen wat hij vanaf het begin had gedaan: de idealen van de jaren zestig verdedigen. Ook in zijn latere werken, waaronder zes cultromans, bleef hij wijzen op de gevaren van vervreemding in de technologische samenleving. Hij verzette zich tegen kritiek op het hedonisme en de zelfingenomenheid van de counterculture. 'Dankzij de afwijkende idealen van de jaren zestig hadden we een burgerrechtenbeweging, feminisme, prostesten tegen oorlog en onrechtvaardigheid, de milieubeweging. Dat is nogal wat om weg te zetten als de pleziertjes van een groep adolescenten’, schreef Roszak in 2001.

Trouw aan idealen betekende voor Roszak ook trouw aan hun oorspronkelijke uitdragers. Hij had een onverwoestbaar vertrouwen in de jongens en meisjes die revolutie hadden gepredikt vanuit hun studentenkamers. In America the Wise (1998) stelde hij dat de babyboomgeneratie, nu op leeftijd, de wereld opnieuw ten goede kan veranderen. In The Making of an Elder Culture (2009) deed hij een laatste poging. Ouderen kunnen hun demografisch gewicht gebruiken om de samenleving rechtvaardiger te maken, meende hij. Het was een knap staaltje met de tijd mee redeneren. Ineens was niet langer jeugdige passie, maar 'wijs en grijs’ het kapitaal van de samenleving.

Zelf zou hij het waarschijnlijk idealistisch noemen, maar Roszaks verwachting dat babyboomers, eenmaal gearriveerd, een samenleving uit de grond zouden stampen waarin welvaart en kansen eerlijker verdeeld zijn, is wat naïef gebleken. Twee dingen zag hij over het hoofd: ook na de jaren zestig en zeventig bleven de universiteiten volstromen met ambitieuze jongeren die hun plekje in de maatschappij opeisten. En was de counterculture nog een mix van hedonisme en idealen, de geldingsdrang van de volgende generaties was gestript van alle franje. Make love not war maakte steeds meer plaats voor naakt eigenbelang. Ook leek Roszak te vergeten dat niets menselijks de idealist vreemd is. Ook de generatie '68 ging het uiteindelijk erom de eigen schaapjes op het droge te krijgen. Eerst komt de hypotheek, de vakantie en de studie van de kinderen. De rest van de wereld volgt later wel.