Essay: Pleidooi voor het iets-isme

Theologie van de leunstoel

Theïsten en atheïsten hebben de waarheid al. Agnosten nog niet, die wachten gelaten af. Een vierde groep is vurig op zoek. Pleidooi voor het iets-isme.

Er waart een spook door Nederland. Het is het spook van het iets-isme. Dit spook is ontdekt door Ronald Plasterk, maar de kennis ervan is gepopulariseerd door Rudy Kousbroek en intussen vele anderen. Het iets-isme is het verschijnsel dat veel mensen de vraag naar hun (on)geloof in God beantwoorden met: «Er moet wel iets zijn dat onze kennis- en ervaringsmogelijkheden overstijgt.» Het zijn geen klassieke gelovigen, maar zij zullen zich ook niet snel atheïst noemen. (A)theologisch gezien zijn zij vlees noch vis. Reden genoeg voor de belijdend atheïst Kousbroek om hun lafheid te verwijten in het zicht van het heldere dilemma: God bestaat of hij bestaat niet.

Kousbroek noemt zichzelf rationalist. Hij zweert dus bij logica en bewijzen. Het is flauw om dat ook een geloof te noemen, ook al zou menig postmodernist Kousbroeks rationalisme als een van de grote verhalen beschouwen die elk slechts een van de vele waarheden bevat. Maar ook in het rationalisme van Kousbroek is het onmogelijk te bewijzen dat God niet bestaat. Dat is even onmogelijk als het leveren van een godsbewijs. In de logica is de stand tussen theïsme en atheïsme 0-0.

Waar de logica ons in een patstelling voert, kan wellicht een meer pragmatische en empirische benadering ons verder helpen. Hoe doen theïsme en atheïsme het in de praktijk? Dan moeten we constateren dat onder regimes die het atheïsme tot staatsgodsdienst hadden verheven, met name communistische regimes, veel meer mensen het slachtoffer zijn geworden dan onder welk theïstisch regime dan ook. En dan onder alle theïstische regimes bij elkaar opgeteld. Ik schat hier de stand op 2-1 in het voordeel van het theïsme.

Alvorens de eindstand op te maken is het goed om na te gaan of theïsme en atheïsme wel de enige deelnemers zijn aan deze competitie. Inderdaad, er is nog een concurrent: het agnosticisme. Dat beantwoordt de vraag naar het bestaan van God met: «Ik weet het niet» of «Ik sta daar onverschillig tegenover». Dat lijkt de onontkoombare conclusie van de logica (dus: 0-0-1) en van de geschiedenis, die geen gewag maakt van slachtoffers van het agnosticisme. Hier is de voorsprong van het agnosticisme niet meer in getallen uit te drukken.

Toch zit er een raar smaakje aan deze overwinning van het agnosticisme. Het is alsof de toeschouwers tot de winnaars van de wedstrijd worden uitgeroepen. Of beter nog: het is alsof je de toeschouwers na de wedstrijd nog de gelegenheid geeft om weddenschappen over de uitslag af te sluiten. Voor hen is elke match risicoloos, want zij kunnen niet verliezen. Dat is de lafheid die Kousbroek de iets-isten verwijt.

Agnosten kun je dit verwijt inderdaad maken. Agnosticisme is de theologie van de leunstoel. Afwachten tot de ene of de andere richting met iets nieuws komt. De kat uit de boom kijken. Uiteindelijk zijn zij vaak de meelopers die elke trend oppikken en nooit op het verkeerde paard hebben gewed. Zonder meelopers zouden theïstische en atheïstische regimes aanzienlijk minder slachtoffers hebben gemaakt. Hannah Arendt heeft lang geleden betoogd dat de onverschilligen de grootste steunpilaar van totalitaire regimes vormden.

Heeft Kousbroek dus gelijk als hij een eenduidig ja of nee verwacht op zijn catechismusvraag? En is het iets-isme vergelijkbaar met het agnosticisme in zijn intellectuele lafheid? Het antwoord op beide vragen is nee.

Het agnosticisme heeft het zoeken naar de waarheid opgegeven: we zien wel wat er uiteindelijk uitkomt. Het iets-isme is volop op zoek naar de waarheid, in de wetenschap dat het die waarheid nog lang niet in pacht heeft. En misschien ook nooit zal krijgen. In dat opzicht is het iets-isme buitengewoon redelijk. Maar het heeft alleen zin als je gelooft dat er een waarheid is. Dat geloof zal geen ouderwetse rationalist betwisten.

Dat geloof wordt wel betwist in het postmoderne denken. In dat denken kan de Amerikaanse waarheid een andere zijn dan de Europese. De waarheid is afhankelijk van de culturele context waarin zij wordt verkondigd. Universele waarheden bestaan niet. Of beter: universele waarheden bestaan pas als daarover wereldwijde overeenstemming is.

De Amerikaanse filosoof Richard Rorty verdedigt al vele jaren de stelling dat, bijvoorbeeld, de wetenschappelijke waarheid bestaat uit datgene waarover de meeste wetenschappers het eens zijn. Er is geen andere maatstaf. Op die manier is het atheïsme een aperte universele onwaarheid. Zo’n negentig procent van de wereldbevolking zegt in God te geloven. Dan moet God wel een universele waarheid zijn. En er is eerder sprake van een terugkeer naar dat geloof. De revanche van God, zo noemt de Franse onderzoeker Keppel dat verschijnsel.

In het postmodernisme vinden atheïsten dus weinig steun. Zij kunnen beter vasthouden aan de stelling dat er zoiets als een absolute waarheid bestaat. Daarin zijn zij het dan eens met de meest orthodoxe en fundamentalistische God-gelovigen. Dat gemeenschappelijk gelijk is goed te verdedigen. Neem de stelling: er bestaat geen waarheid. Als deze stelling beoogt zelf een waarheid te zijn, dan spreekt zij zich tegen. Het kan niet waar zijn dat er geen waarheid is.

Logicadeskundigen betwijfelen overigens of deze tegenspraak de omgekeerde conclusie rechtvaardigt, namelijk dat er wel een waarheid is. De liefhebber zou zich door die twijfel genoodzaakt zien om het waarheidsgehalte van de logica te onderzoeken. Waarom accepteren we zonder discussie de stelling: iets is waar of iets is niet waar? Waarom accepteren we het «tertium non datur», dat een derde mogelijkheid tussen waar en onwaar uitsluit?

Dat brengt ons terug bij het iets-isme, het geloof dat er een waarheid is die buiten het bereik van onze intellectuele vermogens ligt. Als beschrijving van de actuele situatie zal niemand de waarheid van dat geloof ontkennen. Er valt nog veel te onderzoeken en te ontdekken wat we niet weten. Het feit dat we de waarheid nog niet kennen is de motor van onze nieuwsgierigheid. We zoeken telkens betere verklaringen op weg naar een theorie voor alles. Het gekke van die zoektocht is dat iedere verklaring weer nieuwe vragen oproept. Misschien is er een wet op het behoud van het onverklaarbare. Maar wellicht heeft de wetenschapsfilosoof Karl Popper gelijk en naderen we de waarheid als een asymptoot: we komen dichterbij zonder ooit op een lijn met de waarheid te komen. Dat zou een mooie verklaring kunnen zijn voor de theorie dat de vooruitgang van de fundamentele kennis geleidelijk afneemt.

Als de wetenschap ons iets te leren heeft, dan is het wel dat er gradaties van waarheid bestaan. De ene bewering is waarder dan de andere. De ene theorie voldoet beter dan de andere. Zo kun je het iets-isme zien: als een houding die de gradaties onderzoekt van de waarheid dat God bestaat.

De bekende econoom John Maynard Keynes is minder bekend als schrijver van een verhandeling over waarschijnlijkheid. Voor hem was waarschijnlijkheid niet interessant als kans op een zes bij het gooien van een dobbelsteen. Maar hij hield zich bezig met de waarschijnlijkheid dat iets waar is. Hij vond dat de logica ook ruimte moest bieden voor een «degree of rational belief». In de gewone logica volgt de conclusie uit de premisse. Volgens Keynes moest het ook mogelijk zijn dat een conclusie gedeeltelijk of met meer of minder waarschijnlijkheid volgt op de voorafgaande aannames. Hij beschreef daarmee de weg van de waarheidsvinding in de wetenschap. Het zoeken is een kwestie van intuïtie, gevoel voor het waarschijnlijke en fantasie. De in logica gehulde rationalisatie van de wetenschappelijke ontdekking komt pas achteraf. Zo is het iets-isme een vorm van openheid voor nog niet gecanoniseerde inzichten. Dat is natuurlijk een gruwel voor de gevestigde orthodoxie, die het allang weet, theïstisch of atheïstisch. Die orthodoxie heeft eeuwen de tijd gehad om haar waarheid te rationaliseren. Haar traditie is een sterk argument. Traditie is immers de uitkomst van een evolutionaire ontwikkeling die haar vermogen tot overleven heeft bewezen. Dat argument spreekt overigens sterker voor het theïsme dan voor het atheïsme (stand: 3-1). Het theïsme weet zich in uiteenlopende (zelfs vijandige) omgevingen beter te handhaven dan de goddeloosheid.

Maar ook dat is niet doorslaggevend bij de keuze tussen God of niet-God. Het is geen kunst een abstracte god als hypothese te accepteren. Als het daarom gaat, is de tegenstelling tussen gelovigen en ongelovigen een kwestie van semantiek. Voor Kousbroek is de Ratio god. Deze Verlichtingsgod kan het maar niet verkroppen dat de god van de Middeleeuwen nog voortleeft. Het is een discussie van goden en theologen onder elkaar.

Anders is het voor God-zoekers. Voor hen verschilt onze tijd nogal van de Middeleeuwen en de tijd van hun (groot)ouders. Toen was God vanzelfsprekend. Hij was er, met alles d’r op en d’r aan. Gelovigen en theologen moesten deze opgetuigde God terugbrengen tot de proporties die zich verdroegen met de nieuwe wetenschap en cultuur. Vandaar dat de theologie van de vorige eeuw vooral een negatieve theologie was: God losweken uit een verouderd wereldbeeld, uit elk wereldbeeld. Want God was de totaal andere.

De God-zoekers van nu starten met die negatieve theologie. God, wie is dat? Vanuit die positie is het iets-isme de eerste stap. In de termen van de negatieve theologie betekent het iets-isme: God is niet niks. Misschien is dat wel de belangrijkste conclusie uit het iets-isme-debat.