This Amazing Family

Tot het soms bittere eind waren de leden van de Mann-clan met elkaar verstrengeld. In het geprivilegieerde web rondom de Tovenaar was hardvochtigheid aan de orde van de dag.

Medium gettyimages 548179313
De familie Mann, van links naar rechts: Katja, Monika, Michael, Elisabeth, Thomas, Klaus en Erika, op het eiland Hiddensee, 1924 © Ullstein Bild via Getty Images

De familie Mann, met als onbetwiste pater familias Thomas Mann, die in 1901 uiterst succesvol debuteerde met de roman Buddenbrooks, is geen doorsnee gezin. Zes kinderen, die allemaal publiekelijk van zich laten horen, via toneel en cabaret (Klaus, Erika), muziek (de jongste zoon Michael) en via boeken en geschriften (werkelijk alle kinderen). Een ‘hoch bürgerlich’ gezin, met een villa in München, flink wat huishoudelijk personeel en een heuse gezinspsychiater die in voorkomende gevallen wordt ingeschakeld – en er komen veel gevallen voor. En dan is er nog Katia Mann, de echtgenote en moeder, geboren als Katia Pringsheim, dochter van een zeer rijke joodse familie, die de familie beheert en leidt als was het een multinational.

De Britse diplomaat en schrijver Harold Nicolson spreekt in een recensie van ‘this amazing family’, en dat is een treffend oordeel van een buitenstaander. Maar het merkwaardige is dat de familie Mann zichzelf in (dag)boeken en brieven ook zo gaat noemen. Soms spreekt daar een lichte ironie uit, maar meestal toch treft het dat die zelffelicitatie volkomen ernstig wordt genomen. Elke vorm van bescheidenheid moet de Mann-clan vreemd zijn geweest; vader Thomas heet in huiselijke kring de Tovenaar, en bijna alle nazaten, misschien met uitzondering van de schrijver en historicus Golo Mann, gedragen zich als koningskinderen, voor wie uiteraard prerogatieven zijn weggelegd die gewone stervelingen ontberen. Ontelbaar zijn de bedelbrieven van de kinderen aan moeder Katia, ook wanneer ze al ruimschoots volwassen zijn. Er zijn altijd enorme hotelrekeningen die betaald moeten worden, onontbeerlijke zaken als ‘manchetknopen, een Arabisch tapijt, een leren vest en chique zakdoeken’ worden aangeschaft op rekening van vader en moeder. Wanneer de jongste zoon Michael als student een auto nodig heeft moet dat ook meteen een Bugatti zijn. Hij schrijft zijn moeder: ‘Als ik een motorfiets zou kopen, zou dat toch veel erger zijn.’

Praktisch al deze smeekbeden worden grommend verhoord.

De auteur van De familie Mann, Tilmann Lahme, die eerder een biografie over Golo Mann schreef, kreeg de beschikking over nog ongepubliceerde brieven en dagboekfragmenten, en weet zo met welgemikte citaten de vanzelfsprekend geprivilegieerde wereld van de Manns te schetsen.

Aan de schrijfkwaliteiten van Thomas Mann hoeft niemand te twijfelen, in 1929 al ontvangt hij de Nobelprijs voor literatuur; over die van Klaus en Erika valt te steggelen, eigenlijk is het vooral Golo Mann die zich kan meten met zijn beroemde vader. Het is overigens juist deze zoon over wie vader Thomas opmerkt: ‘Ik constateer telkens weer de vreemdheid, kou, ja afkeer jegens onze jongste zoon.’ Het jochie is dan net één jaar oud. Pas later, wanneer Golo successen boekt als auteur en historicus, mag hij op wat meer genegenheid rekenen.

De grootste verrassing van dit boek is het portret van echtgenote Katia, die er in veel monografieën over de Manns bekaaid vanaf komt. Zij is niet zomaar de sterke vrouw achter de schrijver, die hem in alles ontziet en de kinderen van hem weg houdt, want de Tovenaar moet ‘scheppen’, ze blijkt ook over een levendige, vileine schrijfstijl te beschikken, als we haar brieven en kattebelletjes lezen. Zo ziet zij er geen been in tegenover haar kinderen Erika en Klaus minzaam te schrijven over haar andere, minder geliefde kinderen: ‘Dat het Mönli (zus Monika) aan talent ontbreekt, daaraan hoeven we niet te twijfelen, maar mijn hemel, dat is niet het enige, en het samenleven met dat egocentrische, geëxalteerde, narcistische en bovendien vaak merkwaardig agressieve en ongenadige schepsel heeft iets troosteloos.’ Daar zijn nog wel wat pedagogische tips te vergeven. Sowieso laten alle familieleden zich ongenadig over elkaar uit; je kunt dat eerlijk noemen, maar dan toch grenzend aan wreedheid.

Het leven van de familie Mann draait om de twee wereldoorlogen: voor die eerste betoonde Thomas zich aanvankelijk enthousiast, zoals ook valt op te maken uit zijn beroemde essay Betrachtungen eines Unpolitischen, waarin hij het Duitsland van Hölderlin en Wagner verdedigt, en in één moeite door ook zichzelf, want Mann ziet zichzelf als ’s lands representant bij uitstek. In de jaren dertig zal het lang duren voor Thomas Mann zich duidelijk tegen Hitler uitspreekt, terwijl zijn kinderen Erika en Klaus veel eerder hun conclusie hebben getrokken.

Uiteindelijk worden de Manns van hun bezittingen en paspoort beroofd, ze vertrekken eerst naar Zwitserland, om zich uiteindelijk in Amerika te vestigen. Hoe vernederend en ingrijpend deze gebeurtenissen ook zijn, het ego van Thomas Mann loopt er nog geen deukje van op. In The New York Times verklaart hij: ‘Where I am, there is Germany.’

‘Ik constateer telkens weer de vreemdheid, kou, ja afkeer jegens onze jongste zoon.’ Het jochie is dan net één jaar oud

En dan is er nog de politieke intuïtie van Thomas Mann, of liever gezegd, het gebrek daaraan. Schoorvoetend, en veel dubbelzinniger dan zijn broer Heinrich Mann, bekent Thomas zich tot de Weimarrepubliek; hij ziet het gevaar van Hitler later dan veel van zijn schrijvende collega’s, en na de Tweede Wereldoorlog verwacht hij weer alle heil van het communisme. Mann noteert: ‘Ik zou loyaal zijn aan het communisme & me (…) met vreugde onderwerpen aan de dictatuur ervan als dat het alternatief voor het nazisme zou zijn.’ Want, zo profeteert Mann, de wereld wordt onmiskenbaar steeds meer één: ‘Iedereen rookt dezelfde sigaretten, eet dezelfde icecreams, kijkt naar dezelfde movies, luistert op de radio naar dezelfde muziek…’ Over hongersnood en censuur onder communistische regimes heeft de grote schrijver zich kennelijk nooit het hoofd gebroken. Zo’n groot literair talent, zo politiek onnozel.

Het beeld dat oprijst uit De familie Mann is er een van onverbiddelijke symbiotische verstrengelingen. Ondanks de ongenadige kritiek die alle leden op elkaar uitoefenen, slaagt bijna niemand erin zich ook maar enigszins uit dit familieweb terug te trekken. Het is alsof ze bij alle narigheid die passeert telkens blijven mompelen: ‘Maar toch zijn wij amazing.’ En daar kan eigenlijk niemand aan tippen die niet tot de familie behoort.

In het huwelijk van Thomas en Katia Mann wordt al snel duidelijk dat Thomas meer de homoseksuele liefde is toegedaan dan de heteroseksuele. Zijn novelle De dood in Venetië laat daar geen misverstanden over bestaan, en ook zijn er diverse verliefdheden van Thomas, op passerende jongemannen en kelners, of een zeventienjarige die hij ontmoet tijdens een vakantie waar zijn vrouw Katia minder romantische herinneringen aan bewaart. Toch heeft Thomas voor zijn huwelijk gekozen want homo-erotiek is ‘libertinage, zigeunerdom, wispelturigheid, immoreel’, en ook een uiting van ‘onvruchtbaarheid, uitzichtloosheid, gebrek aan consequentie en verantwoordelijkheid.’

Dat is een geharnast standpunt, ook als we de toenmalige mores in ogenschouw nemen. Thomas Mann kiest voor stabiliteit, het huwelijk, het bourgeois leven. Daar schuilt ook iets heldhaftigs in. Maar ‘de kalmte, liefde en onverschilligheid’ waarmee volgens Thomas zijn vrouw Katia de ‘kwestie’ opneemt, na een aantal huwelijksjaren waarin zijn ‘impotentie in het huwelijksbed’ steeds vaker opspeelt, lijkt toch op wishful thinking. Katia zal zich later afvragen of ze wel goed heeft gedaan aan dit huwelijk, maar dan is zij al lang de president-directeur geworden van de firma Mann.

Pijnlijker is het volmaakte gebrek aan begrip waarmee beiden hun zonen Klaus en Golo tegemoet treden, die wel openlijk kiezen voor mannelijke geliefden. Er kan eigenlijk niet over gesproken worden, en ontkenning en verdringing zijn de sleutelwoorden binnen het gezinsleven. Ook moeder Katia blijft onverstoorbaar aandringen op een goede vrouw voor Golo, terwijl ze beter weet, en dat ondanks alle vernederingen die zij zelf in de liefde heeft ondervonden.

Hardvochtig is ook de reactie op de zelfmoord van Klaus Mann in 1949, de zoon die net als zijn zus Erika en zijn vader Thomas dol is op legale en illegale drugs, en die er niet in slaagt een stabiele liefdesrelatie te onderhouden. Klaus neemt in New York een overdosis slaapmiddelen.

Er is zegge en schrijve één familielid dat de moeite neemt zijn begrafenis in Cannes bij te wonen: de jongste zoon Michael. Vader Thomas geeft op dat moment een lezing in Uppsala, zijn vrouw en een dochter houden hem gezelschap, de andere kinderen zijn ook beschäftigt. Nadien moet de naam Klaus zo veel mogelijk vermeden worden. Wel zijn er de verwijten van vader Thomas: het ‘krenkende, lelijke, gruwelijke, het gebrek aan consideratie en verantwoordelijkheid’ van Klaus’ handelen. Hij had het zijn moeder en zuster Erika, met wie hij het intiemst was ‘niet mogen aandoen’.

Machteloze woede na een zelfmoord is begrijpelijk, maar deze postume afrekening, waarin alles draait om de reputatie van de Manns, met voorbijgaan aan de drijfveren van de zoon, is gruwelijk. Het is alsof de vader de zelfverloochening verwachtte van zijn zoon die hij zichzelf seksueel oplegde. Dit is mijn interpretatie; Tillman Lahme doet daar niet aan.

Lahme heeft veel lof geoogst met zijn boek. Zeker is dat hij veel details boven water heeft gekregen, die niet of nauwelijks bekend waren. Maar hoe leesbaar ook, het is en blijft een aaneenrijging van anekdotes en gelukkig gekozen citaten. Er wordt veel getoond, en hoegenaamd niets geduid. Show, don’t tell. Dat mag het hoogste goed zijn voor scenarioschrijvers, voor een dergelijke familiekroniek is het echt te weinig.