Thomas Müller en de waarom-vraag

In een woning in Almere trof de politie vorige week een man van 46 en zijn dochters van drie en zeven jaar dood aan. De vader, die om nog onbekende redenen onder behandeling was bij een zorginstelling, heeft vermoedelijk met voorbedachten rade de kinderen en zichzelf vermoord. In mei van dit jaar vermoordde een man in Bavel zijn ex-vriendin, zijn twee kinderen en zijn ex-vrouw alvorens zijn eigen leven te beëindigen.

‘Hoe is het mogelijk?’ luidt de begrijpelijke, maar ook weer niet geheel onschuldige reactie van het grote publiek op zulke voorvallen. Het is een retorische vraag waarin de onwil om na te denken over mogelijke antwoorden besloten ligt. Evenals de onwil om stil te staan bij de kans op een herhaling in onze eigen straat of buurt, laat staan in ons eigen gezin. De uitspraak trekt een denkbeeldige streep tussen de moordenaars en onszelf.

In de omgeving van de daders worden twee standaardreacties genoteerd. De eerste luidt: ‘Uitgerekend van hem (c.q. haar) had ik dit nooit verwacht. Hij was zo’n goede echtgenoot, vriend, collega, buurman, teamspeler, kroegmaat.’ De tweede, die meestal iets later, maar niet zelden uit dezelfde monden komt, luidt: ‘Ik heb het altijd wel gedacht. Er klopte iets niet aan hem.’ Anders gezegd: achteraf gezien hadden we het kunnen weten. Maar achteraf gezien is er aan ieder mens wel iets dat niet klopte. De twee standaardreacties zijn complementair en wijzen vooruit naar een onprettige maar onvermijdelijke slotsom: een mens kan zich niet verplaatsen in een ander. We denken dat we dat kunnen. Tenslotte is empathie de pasmunt van de hedendaagse maatschappij. Maar we kunnen het niet. En als we zo’n drama zelfs bij onze naaste vrienden, echtgenoten en collega’s niet kunnen zien aankomen, dan zien we het wellicht ook bij onszelf niet aankomen. Daarmee hebben we meteen een mogelijk antwoord te pakken op de eerste, retorische vraag naar het waarom. Wellicht zag de dader het ook niet aankomen – totdat het te laat was.

Wat zich in die huizen en gezinnen in Almere of Bavel heeft afgespeeld, is voor een buitenstaander met geen mogelijkheid te beoordelen – nu niet, en waarschijnlijk ook niet nadat de toedracht uitvoerig onderzocht is. Psychologische theorieën zijn ontoereikend. Wie het Zakboek psychische stoornissen van het Trimbos-instituut erop naslaat, komt niet verder dan de constatering dat daders van zulke feiten mogelijk lijden aan de zogenaamde antisociale persoonlijkheidsstoornis. Ze zijn impulsief, gericht op onmiddellijke behoeftebevrediging en geneigd hun problemen te ‘externaliseren’ ten koste van anderen. Daarom zijn ze vaak onderwerp van forensische zorg en dwangopname. De berichten uit Almere en Bavel laten zien waartoe de ‘externalisering’ van iemands emotioneel en verstandelijk onvermogen in het uiterste geval kan leiden.

Wat het zakboek redelijkerwijs niet kan verklaren, is waarom zulke gevallen steeds vaker voorkomen. Meer in het algemeen geldt dat de bekende theorieën niet productief zijn bij de voorspelling van extreem en gevaarlijk psychotisch gedrag. En als er één proef op de som is voor een psychologische theorie, dan is het wel de voorspellende waarde van zijn uitspraken. Er is echter een andere benadering mogelijk die wellicht productiever is. Deze is de afgelopen decennia geïntroduceerd door Thomas Müller, een internationaal vermaarde Oostenrijkse rechercheur, rechtspsycholoog en ‘profiler’.

Müller begon zijn carrière als straatagent en ontwikkelde in die tijd een eigen observatiesysteem, niet gebaseerd op enige psychologische theorie, maar louter op uiterlijke kenmerken en gedragingen van mensen. Je zou die benadering ‘existentieel’ kunnen noemen, omdat de aard van een mens zich volgens Müller openbaart in zijn daden, niet in zijn woorden. Müller laat zich bij het onderzoeken van afzonderlijke moorden niet leiden door veronderstellingen over de menselijke psyche, maar enkel en alleen door zijn kennis van feitelijke regelmatigheden in moordzaken. Zo ontdekte hij bijvoorbeeld de volgende vuistregel: als een moordenaar tijdens zijn daad meer heeft gedaan dan strikt nodig was om de dood te veroorzaken, is er een grote kans op herhaling. Wanneer een moordenaar een paasei of een krans van bladeren achterlaat bij het lijk, verdiept Müller zich dus niet in de eerste plaats in de symboliek van dat ei of die bladeren. De betekenis daarvan is persoons- en situatiegebonden. Hij gaat uit van de statistische wetmatigheid dat hun aanwezigheid duidt op een seriemoordenaar en slaat onmiddellijk alarm.

Zijn systeem heeft hem in staat gesteld niet alleen honderden moorden en gijzelingen in kaart te brengen, maar er ook een aantal te voorkomen. En dat ondanks tegenwerking en onbegrip van rechtspsychologen en forensische psychiaters, die vasthouden aan hun psychologische theorieën en bijbehorende institutionele arrangementen. In zijn eerste boek Bestie Mensch (2004) beschrijft Müller hoe hij eens rond Pasen een studieconferentie van forensische psychiaters op stelten zette door uitvoerig het geval te analyseren van een jongeman die een oude vrouw in haar huis had vermoord, vervolgens uitgekleed en ten slotte opengesneden om een paasei in haar buikholte te ‘verstoppen’. De psychiaters weigerden er op in te gaan. Zulke afschuwelijke gedragingen hadden toch zeker niets meer met psychiatrie te maken? En dat met Pasen. Hoe smakeloos, Herr Müller.

Er zitten ongetwijfeld forensische haken en ogen aan zijn opvatting die een leek als ondergetekende niet kan beoordelen, maar het lijdt geen twijfel dat Müller een punt heeft. Dat punt is ook te illustreren aan de hand van zijn opvattingen over familiedrama’s als boven beschreven. ‘Wanneer veertig of vijftig jaar geleden iemand problemen met zijn buurman, zijn omgeving of andere hem omringende mensen had, werd hij in het ergste geval depressief en sloeg de hand aan zichzelf’, schrijft Müller: ‘Vandaag richten de agressieve handelingen zich eerder naar buiten en gaat er bijna geen verlengd Paas-, Kerst- of Pinksterweekeinde voorbij zonder dat iemand zijn familie uitroeit om ten slotte een meer of minder halfslachtige zelfmoordpoging te doen.’ Zijn vermelding van de feestdagen als statistisch significant is kenmerkend voor Müllers visie. Het is slechts een van de vele duizenden concrete aanknopingspunten die hij in kaart heeft gebracht. Jazeker, de gebrekkige interactie tussen ouders en kinderen is belangrijk als het erom gaat zulke gezinsmoorden te begrijpen. Maar het blijkt een minstens zo belangrijk waarschuwingssignaal te zijn als de vader opeens in een ander soort auto rijdt of een snor laat staan.

Zoals de forensische psychiaters op die conferentie hun neus ophaalden, zo zijn wij geneigd te lachen om zulke ‘details’. Wat heeft een automerk nu met een gezinsmoord te maken? Hoe onzinnig, Herr Müller. Helaas voor ons heeft Müller net iets te vaak gelijk gekregen. Zijn systeem is succesvol gebleken bij het oplossen van zaken en het nemen van preventieve maatregelen die aan de gangbare benadering ontsnapten. Dat is confronterend, om het jeukwoord maar te gebruiken. Wat hij ons probeert te vertellen, is dat we lang niet zo veel over onszelf weten als we pretenderen te weten. Dat psychologie en psychiatrie soms niet meer zijn dan een ingewikkelde, geïnstitutionaliseerde uiting van onze onwil om te aanvaarden dat de menselijke ziel onkenbaar is, dat hij vrij is in zijn keuze voor goed of kwaad en vooralsnog peilloos in zijn overwegingen voor die keuze.