Thomas Szasz, 15 april 1920 – 8 september 2012

Hij was de enige echte anti-antipsychiater. Thomas Szasz weigerde de ommezwaai te maken naar de nieuwe wereld van de psychofarmaca. De patiënt wist zelf wel wat hem mankeerde.

Honderd jaar geleden was de psychiatrische zorg een soort feodale idylle. Gefortuneerde families konden hun psychotische telgen onderbrengen in particuliere klinieken waar ze met alle denkbare zielzorg werden omringd. Wie vermogend en niet gierend gek was, ging bij voorkeur in psychoanalyse, een therapeutisch genre dat in de jaren dertig in veel westerse landen aan populariteit won door de toestroom van gevluchte zenuwartsen uit Duitsland en Oostenrijk.

De gewone ‘gekken’ zaten intussen bij elkaar in gekkenhuizen, zo simpel was dat. In de Verenigde Staten waren dat state hospitals, publieke instellingen waar soms meer dan tienduizend patiënten tegelijk verbleven. Ze konden naar believen komen en gaan, al was dat laatste door hun gebrek aan sociale weerbaarheid vaak uitgesloten. De dienstdoende psychiater ­bejegende hen vriendelijk doch patriarchaal en zette hen doorgaans aan het werk om zijn tuinpad te wieden, zijn rozen te snoeien of zijn auto te wassen. Alleen wie zich agressief gedroeg, kwam in een dwangbuis of isoleercel terecht of werd platgespoten.

Dat veranderde na de Tweede Wereldoorlog doordat de psychiatrie in medisch vaarwater terechtkwam. Tegelijk met nieuwe middelen als de elektroshock, de insulineshock en de lobotomie (het doorsnijden van een deel van de hersenen) namen de pretenties van de beroepsgroep toe. In 1950 deed chloorpromazine, het eerste antipsychoticum, zijn intrede. Schizofrenie leek voor het eerst werkelijk te genezen. Maar de schaduwzijden van al die ingrijpende, vaak pijnlijke en zelden werkzame therapieën werden ook duidelijk.

De eerste psychiater die aan de bel trok was Thomas Szasz, die in 1920 in Boedapest werd geboren en voor de oorlog met zijn ouders was geëmigreerd naar de Verenigde Staten. Szasz studeerde in Cincinnati natuurkunde en medicijnen en liet zich scholen tot psychoanalyticus aan het beroemde Chicago Institute for Psycho­analysis. Anders dan veel collega’s weigerde Szasz in de jaren vijftig de ommezwaai te maken naar de dappere nieuwe wereld van de psychofarmaca. Hij nam zelfs radicaal afstand van de onderliggende concepten, inclusief de gangbare psychiatrische diagnoses en de veronderstelling dat de psychiater beter wist wat de patiënt mankeerde dan de patiënt zelf.

‘Geestesziekte is een mythe waarvan de voornaamste functie bestaat in het toedekken en aanvaardbaar maken van morele conflicten in menselijke relaties’, schreef hij in zijn geruchtmakende boek The Myth of Mental Illness uit 1961. ‘Ik ontken niet dat mensen problemen met hun leven en met elkaar hebben, maar gedragsvormen kunnen nooit een ziekte zijn. Het classificeren van gedachten, gevoelens en gedragingen als ziektes is een logische en semantische vergissing, vergelijkbaar met het classificeren van walvissen als vissen.’ Uiteindelijk diende die classificatie volgens Szasz alleen de ‘sociale controle door de staat’, het onderdrukken van gedrag dat afwijkt van de maatschappelijke norm.

Ogenschijnlijk stond Szasz aan de oorsprong van de antipsychiatrische school die we verbinden met namen als Ronald Laing, Silvano Arieti en David Cooper. Maar er is een belangrijk onderscheid waardoor Szasz politiek naar rechts draaide en niet, zoals vrijwel alle anderen, naar links. Het verklaart ook waarom hij zich enige tijd afgaf met de Scientology-beweging van Ron Hubbard, die de gehele psychiatrie beschouwt als een vijand van de mensheid, ook al distan­tieerde Szasz zich daar later weer overtuigend van. Szasz beschouwde geestesziekte weliswaar als een maatschappelijk construct dat wordt misbruikt om onaangepaste mensen te onderwerpen aan opsluiting en dwang­medicatie, maar hij legde de verantwoordelijkheid daarvoor in de eerste plaats bij de patiënt en niet bij de samenleving. Hij zag geestelijk leed en problematisch gedrag niet als uitingen van onverwerkte emotionele problemen, maar van morele conflicten en van het onvermogen van de patiënt om die op te lossen.

In die zin was Szasz dus een anti-antipsychia­ter. Zo goed als hij zich verzette tegen gedwongen opnames en dwangverpleging, zo verzette hij zich ook tegen de rol van rechtbankpsychiaters die ‘enkel excuses bedenken om verdachten hun eigen verantwoordelijkheid af te nemen’. Volgens de antipsychiatrische opvatting zitten veel gevangenissen vol met zogenaamde misdadigers die eigenlijk geestelijk gestoord of slachtoffer van de maatschappij zijn. Szasz stelde dat juist veel psychiatrische instellingen vol zitten met mensen die eigenlijk in de gevangenis thuishoren.

‘Ik ben een klassieke liberaal’, zei Szasz in 2000 in een van zijn laatste interviews in het tijdschrift Reason. ‘Het idee van dwang stuit me tegen de borst. Een psychiatrische behandeling moet volledig op gelijkwaardigheid en op het zelfinzicht van de patiënt berusten. Wil die een elektroshock, dan kan hij die krijgen. Wil hij een bepaald soort medicatie? Ook prima. Daar hoef ik het niet mee eens te zijn, maar de wet moet zich er niet mee bemoeien. Helaas is er niets wezenlijks veranderd sinds het begin van de antipsychiatrische beweging. De psychiatrie lijkt minder macht te hebben, maar tegenwoordig heeft het autoritaire denken zich verplaatst naar beroepsgroepen in het onderwijs, het sociaal werk, de gewone verpleging. Het is gespreid, maar daarom niet minder geworden.’ Zijn radicale standpunt dat er niet zoiets bestaat als ’geestesziekten’ wordt door vrijwel geen enkele collega onderschreven, maar Szasz heeft er tot het laatst van zijn leven aan vastgehouden: ‘Sinds wanneer is het een probleem als iemand zegt dat hij Jezus Christus is? En waarom zou het ongepast zijn om gewoon “Gefeliciteerd!” te antwoorden?’

‘Sinds wanneer is het een probleem als iemand zegt dat hij Jezus Christus is?’