þ

De necroloog zette de pijp aan zijn lippen en zoog de lillende vlam naar binnen in de meerschuimen kop, een kunstig bewerkte maar door intensief gebruik donker bruin uitgeslagen schedel. Hij hield de troostende rook enige momenten in zijn mond en blies hem toen uit in een voldane zucht. Met welgevallen liet hij zijn blik op het bureau rusten. Er lagen vier voltooide stukken. ‘Drie journalisten en een prinses’, zei hij tot zichzelf. ‘En uren voor de deadline. Knappe jongen die me dat nadoet.’

Kreunend ging hij verzitten. De bureaustoel kraakte onder zijn gewicht. De necroloog was zwaar en vet aan het worden. Met moeite reikte hij naar het bureau en nam de stapel papier op schoot. ‘Ik heb hem nooit gekend’, las hij hardop. 'Dat staat.’ Hij nam het volgende stuk. 'Vrienden zijn we nooit geworden, hij en ik.’ De necroloog knikte goedkeurend en bladerde door. 'Vleugels van haar mededogen, voetstappen zullen blijven klinken, een kaars in de wind, wereld heeft bijzonder iemand verloren…’
De telefoon rinkelde. Twee hartekloppen aarzelde hij, toen nam hij de hoorn van de haak. Het was de hoofdredacteur.
'Ze zijn klaar hoor’, zei de necroloog opgewekt. 'Ik kan ze zo faxen. Precies wat je vroeg: één persoonlijke, één zakelijke, twee met extra piëteit, en voor elk een typerende anekdo…’
Iets in de stem van de hoofdredacteur deed hem zijn laatste woorden inslikken. Hij luisterde ongelovig. 'Dat méén je toch niet?’ riep hij wanhopig.
'Ik zeg nooit iets wat ik niet meen’, zei de hoofdredacteur.
'Ja, maar’, kreunde de necroloog, 'het komt nogal ongelegen. Ja, voor haar ook, dat begrijp ik. Maar moeder Teresa voor morgenochtend? Allemachtig. En ik heb de afgelopen week al zoveel meters gemaakt.’
'Je hebt haar zeker nooit ontmoet?’ vroeg de hoofdredacteur. 'Dat zou wel helpen.’
De necroloog legde voorzichtig zijn pijp in de asbak en kneep met twee vingers in zijn neuswortel. 'Moment’, zei hij. 'Even in het papieren kerkhof kijken.’ Hij stond op, beende naar een glimmend zwarte archiefkast en begon in de laden te graaien.
'Ja! Roos!’ riep hij. Hij waggelde terug naar het bureau en greep de telefoonhoorn. 'Ik had nog een ouwe Juliana liggen. Beetje vijlen, beetje schuren… Onderdanen vervangen door Armen en Verdrukten… En dat Moeder kan ik gewoon laten staan. Ja, dat red ik wel. Nou maar hopen dat zij niet óók volgende week…’
'Ach’, zei de hoofdredacteur. 'Wie dan leeft, wie dan zorgt.’
De necroloog legde de hoorn neer en trok het toetsenbord van de computer naar zich toe. 'Na een lang en welbesteed leven’, typte hij. Enige tijd was in de schemerige werkkamer niets te horen dan het ratelen van de toetsen, alleen onderbroken door het knetteren van schroeiende tabak.
Na een half uur ging het ratelen over in het gezoem van de printer. De necroloog trok het papier uit de machine en las. Hij fronste. Hij trok een vulpen uit zijn borstzak, schrapte 'een voorbeeld voor zovelen, een lichtend baken in de nacht’ en verving het door 'eindelijk rust gevonden’. Hij grinnikte. 'Sentimentele ouwe zak’, zei hij.