Thriller

Je zwerft niet meer door de stad op zoek naar seks en liefde – vaak in die volgorde – maar je bezoekt een museum, een vriend (vaak in een ziekenhuis) of een begrafenis.

Je merkt dat het leven een stuk elastiek is dat uitgetrokken wordt. Ik bedoel: je hebt dus niet meer die elasticiteit van weleer, maar ‘het’ knapt nog niet en het kan nog langer worden, al spant het erom.

Je wereld wordt anders omdat je avonturen anders worden. Mijn hedendaagse avonturen lijken soms op de laatste hoofdstukken van een boek over de jaren zeventig.

Je zit bij een oude vriend te praten over zijn overleden vrouw met wie je ook nog een korte affaire hebt gehad.

Je vraagt een borrel bij het barmeisje dat een dochter blijkt te zijn van een vriendin die je schandelijk in de steek hebt gelaten. Je oude alcoholistische vriend die het café binnenwandelt, denkt dat jij vreemdgaat met een redactrice van je radioprogramma terwijl die net verteld heeft dat ze gaat trouwen. Avonturen van niks maar je wil ook niet worden als Rob. Of juist wel?

Rob – oude kameraad – heeft zijn zaakje van de hand gedaan en een grote Volkswagenbus gekocht en wil nu in zijn – hij zegt steeds ‘uppie’ – in z’n ‘uppie’ dus, een jaar lang gaan reizen.

‘Waarheen?’

‘Naar nergens.’

‘Daar is de dood.’

‘Ik bedoel dat ik het niet weet. Ik heb geen plan. Ja, Frankrijk en dan zie ik wel.’

Rob is handig en heeft van alles aan zijn auto gedaan. Een jaar geleden is Andrea overleden.

‘Hoe ga je dat met neuken doen?’ vraag ik.

‘Weet ik niet. Was de laatste jaren toch niet veel. Ik zie wel.’

‘Uitkijken met liftsters, er zit meestal een man verscholen in de bosjes die daar opeens achter vandaan komt springen en die zit dan naast je in de auto zodat je nauwelijks kunt sturen.’

‘Ik wil avontuur’, zegt hij. Het klinkt alsof hij mij wil terechtwijzen, maar wat hij wil lijkt me niks en heeft me ook nooit wat geleken.

‘Ik wil gewoon weg. Ik wil zitten bij een meer, uitkijken over het water...’

‘Heb jij geen geheime wensen?’ vraagt hij.

Ik knik en zeg: ‘Ik wil, zonder dat ik echt actief hoef te zijn, met mijn kleinkinderen van alles doen. Dus: samen met hun ouders. Ik betaal alles. Niet meevoetballen als je begrijpt wat ik bedoel, maar kijken, dat alleen. Is dat te saai voor jou?’

‘Ja, ik heb geen kleinkinderen, zelfs geen kinderen. Maar ik begrijp dat je verder alles hebt opgegeven?’

‘Nee, juist niet.’

We praten over kennissen die een dertig jaar jongere vriendin hebben.

‘Ik zou zo’n meid wel een uur of twee willen hebben voor de seks, maar verder niet’, zegt Rob.

We bekijken zijn auto en hij laat zien hoe je met één beweging van een houten bureau een bed kunt maken.

‘Ik denk veel aan seks’, zegt hij opeens, ‘omdat ik ook veel aan Andrea denk.’

‘Mis je haar?’

‘Nee, die seks niet. Maar toen ik haar leerde kennen vond ik haar de mooiste, meest begeerlijke vrouw die ik kende en we hadden het ook heerlijk, maar…’

Hij zoekt naar woorden. ‘Ze bleek toen ze ziek werd ook nog eens de aller-aller-allerliefste te zijn. Heel gek. Alsof ze mij hielp, met haar sterven. Snap je wat ik bedoel?’

‘Enigszins…’

‘Ik snap het ook maar enigszins… Ik snap het eigenlijk niet. Maar zij was het hele leven in één… Snap je? Nee hè, ik weet zelf ook niet wat ik ermee bedoel. Ik verlang naar haar. Maar gek genoeg, naar toen ze ziek was…’

Hij aait zijn stuur.

‘Ik wil gewoon weg’, zegt hij. ‘Ik wil zitten bij een meer, uitkijken over het water… de warmte voelen van een zon… en dan op m’n computer een thriller bekijken.’